Wetten die ouders voor hun kind dienen te kennen:

(Hier wordt bedoeld dat men enige artikelen uit bepaalde wetten wel moet kennen als ouders. Zeker in jeugdzorgland staat men nergens zonder kennis.)

 

Eerst een paar waarschuwend artikelen voordat artikel 247 aan bod komt:

Burgerlijk Wetboek, boek 1, Titel 14.   Het gezag over minderjarige kinderen:

Afdeling 4. Ondertoezichtstelling van minderjarigen:  OTS:

Artikel 255 BW1

lid 1.  De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling (gezinsvoogdij, jeugdbescherming) indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling èrnstig wordt bedréígd,  èn:

a. de zorg die in verband met het wègnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of ònvoldoende wordt geàccepteerd,  en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de veràntwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247*, tweede lid, (niet?!) in staat zijn te dragen.  -{* staat hier vlak onder}.

lid 2.

De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie. Tevens zijn een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad voor de kinderbescherming niet tot indiening van het verzoek overgaat.

lid 3.

Indien de raad niet tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling overgaat nadat hij een verzoek tot onderzoek als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Jeugdwet heeft ontvangen, deelt hij dit schriftelijk mee aan het college van burgemeester en wethouders dat het verzoek heeft gedaan. De burgemeester kan na ontvangst van die mededeling de raad voor de kinderbescherming verzoeken het oordeel van de kinderrechter te vragen of het noodzakelijk is de minderjarige onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling. De raad voor de kinderbescherming die van de burgemeester zodanig verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de kinderrechter of een ondertoezichtstelling van de minderjarige moet volgen. In dat geval kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling ambtshalve uitspreken.

4.

De kinderrechter vermeldt in de beschikking de còncréte bedréígingen in de ontwikkeling van de minderjarige alsmede de daarop afgestemde duur waarvoor de ondertoezichtstelling zal gelden.

5.

Indien het verzoek, bedoeld in het tweede lid, niet alle minderjarigen betreft over wie de ouders of de ouder het gezag uitoefenen, kan de kinderrechter dit op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of ambtshalve aanvullen, en deze minderjarigen, mits aan de grond van het eerste lid is voldaan, eveneens onder toezicht stellen.” -

- dit staat op: http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/artikel255 , en daar staan verdere artikelen, ook 257, over die OTS die u moet kennen en gebruiken. Rechters meten met die feiten en niet met vage onbewezen meningen van ouders. Bedenk dat rechters geen orthopedagogen zijn, en de gezinsvoogden/ jeugdzorgwerkers evenmin!

 

Omdat OTS en erger een juridisch proces is, onder de rechter, moeten ouders zichzelve kennis vergaren.   Advocaten zijn geen orthopedagogen, en rechters al helemaal niet.

Slapende ouders denken te kunnen babbelen en afwachten, en dat alle hulp van boven komt. - Ouders dienen echt naar wet zèlf actief te zijn en specialistische kennis op te doen over waar ze voor staan, en door overvallen kunnen worden met politie voor de deur.

Daarom moeten ouders zwart op wit werken en dossiers kennen, en deze dus bij derden opvragen over vermelding van de Wbp en het termijn. Daarover verderop uitsluitsel.

Ook moeten ouders daarbij, tegen de smoesjes en tegenwerking van de gezinsvoogdij, die niet door de mand wil vallen, het recht kennen uit o.a. het

McMichael-arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens.

Dit ook i.v.m. kosten.  

         |

Wat bij OTS verwacht mag worden:

                       BW1:262 wordt vaak vergeten; en ouders zouden daarop de 

gezinsvoogd en de jeugdrechter regelmatig, zeker de

eerste maanden, op moeten wijzen (deze tijd is cruciaal

voor het verdere verloop van de dwangzorg):

“Artikel 262 BW1:

lid 1.

De gecertificeerde instelling houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouders of ouder hulp en steun worden geboden opdat de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige, bedoeld in artikel 255, vijfde lid, binnen de duur van de ondertoezichtstelling worden weggenomen. De inspanningen van de gecertificeerde instelling zijn erop gericht de ouders of de ouder zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen te laten dragen.

2.   ...............

3.   De gecertificeerde instelling bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige.

 

Als dit wel onder OTS valt, dan mag men verwachten dat deze 'zorg' ook vooraf aan de OTS geschiedde.

Ouders hebben gedegen en deskùndige voorlichting, hulp en steun nodig waar er 'zorgen' vermoed worden. Deze 'zorgen' moeten concreet en volgbaar te kennen zijn gegeven, en verteld zijn hoe dit te meten is t.a.v. de mogelijkheid dit te verbeteren. Zo dient ook uitgelegd te worden, liefst door een specialist, waar ouders om mogen vragen, hoe dit te verbeteren. Liever op diagnostisch advies in overweging hoe de alternatieven in het kind werken.

De kind-ouderband (en familiebanden) dienen zoveel mogelijk gewaarborgd te worden. (EVRM art. 8, en op niveau IVRK art. 24 lid 1, naast lid 3 BW1:262.).       Het IVRK artikel 24 lid 1 spreekt:

"IVRK artikel 24:
•    lid 1: De Staten die partij zijn {dus o.a. Nederland}, erkennen het recht van het kind op het genot van de gróótst mógelijke máte van gezòndheid èn op vóórzíéningen voor de behàndeling van ziekte en het herstel van de {ook psychische} gezondheid. De Staten die partij zijn, streven ernaar te waarborgen dat geen enkel kind zijn of haar rècht op tóégang tot deze voorzieningen voor gezondheidszorg wordt onthouden." [Ouders mogen dus naar hun plicht* de 'zorg' voor hun kind onder gezinsvoogdij bewaken op dit gewenste niveau, dat gefundeerd moet zijn op kwalitatieve diagnostiek. Waar ouders met deze motivatie de gezinsvoogdij tegenspreken mag dit niet door de gezinsvoogdij verweten worden als "tegenwerken"!

Hooggekwalificeerde zorg is beter voor het integrale belang van het kind dan speculatieve, ongemeten indicaties vanuit de 'jeugdzorg', dat geen gezondheidszorg is qua niveau. Kèn dit om bij de rechter te getuigen.]

__

En nu even waaraan ouders moeten voldoen naar wet:

*: En ouders kennen de wet over henzèlf als óúders:   BW1:247:

 

De plicht voor ouders, ook de zorg (mogen) bewaken:

 

"Artikel 247 BW1:     { Zie hierbij - onder OTS met onenigheid over zorg - de eindnoot Ω }

1.    Het ouderlijk gezag omvat de plícht en het rècht van de ouder zijn minderjarig kind te verzòrgen en op te voeden.

2.     Onder verzorging en opvoeding worden méde verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de véíligheid van het kind alsmede het bevòrderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe. {En laten dat derhalve ook niet toe door jeugdzorgwerkers toegebracht}.

3.      Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.

4.      Een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, behoudt na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, na de ontbinding van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, of na het beëindigen van de samenleving indien een aantekening als bedoeld in artikel 252 BW1, eerste lid, is geplaatst, recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.

5.      Ouders kunnen ter uitvoering van het vierde lid in een overeenkomst of ouderschapsplan rekening houden met praktische belemmeringen die ontstaan in verband met de ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, de ontbinding van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, of het beëindigen van de samenleving indien een aantekening als bedoeld in artikel 252 BW1, eerste lid, is geplaatst, echter uitsluitend voor zover en zolang de desbetreffende belemmeringen bestaan."

 |

Artikel 247a  BW1:

"Indien een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst en de ouders hun samenleving beëindigen, stellen zij een ouderschapsplan op als bedoeld in artikel 815, tweede en derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering." - Etc. (Het wetboek gaat door!)

 

Zelfs als er één ouder geen gezag heeft, hebben de andere ouder en de instanties zoals scholen wel de plicht tot inlichten van die gezagloze ouder, tènzij er een rechterlijk besluit ligt:  http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/boek1/titel15 :

 

BW1:377c:

“Lid 1.   Onverminderd het bepaalde in artikel 377b van dit boek wordt de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet. …”  (Ook deze andere artikelen dienen ouders te kennen.)

 

Verder met 'jeugdzorg-artikelen' die ouders moeten kennen, liefst preventief:

Geschillenregeling:

 

Artikel 262b uit BW1:

“Geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, die omtrent [klachtwaardige] gedragingen  als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, uitgezonderd, kunnen aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de gecertificeerde instelling, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst, een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Hij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.” –– Dit betekent, ouders, dat wanneer er een beschikking is van de rechtbank om nader onderzoek te doen naar de opvoedvaardigheden in het kader van uithuisplaatsing, u zeer actief en alert dient te worden, omdat de zaak dan juist stilgelegd wordt door de gezinsvoogdij, en deze vaak niets doet, geen onderzoek pleegt opdat de zaak escaleert. Ouders dienen schriftelijk snel te werken aan diagnostisch onderzoek, en stel daarbij termijnen, houdt data bij en herinner en ga desnoods naar de rechter in kort geding. Het gaat om uw kind en diens psychisch welzijn!!!

Het artikel BW1:262a is helaas niet in werking getreden:  http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/artikel262a  (= netwerkplaatsen bij bekenden in vertrouwde omgeving) en de vraag is waar de politici met hun hoofd waren om dit niet te bekrachtigen met de wetenschap hoe contra-indicatief uithuisplaatsen voor een kind is).

 

 

Spoed-Uithuisplaatsen met voorlopige OTS (vOTS):

 

Wetboek van de burgerlijke Rechtsvordering (Rv) artikel 800 lid 3:

“Lid 3.   De beschikkingen tot voorlopige ondertoezichtstelling (vOTS) van een minderjarige en tot machtiging van de gecertificeerde instelling (G.I., die gezinsvoogdij pleegt naar artikel 1.1 van de Jeugdwet) om een minderjarige uit huis te plaatsen (UHP) …  kunnen alleen dan áánstonds worden gegéven, indien de behandeling nìèt kan worden àfgewacht zònder ònmiddellijk èn èrnstig geváár voor de minderjarige. Deze beschikkingen verliezen haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening {met kenbaar bewijs en wetenschappelijke uitleg} kenbaar te maken.”

De spoedig daarna plaatsvindende zitting is achter gesloten deuren:

 

Rv 803:

“lid 1.   In verband met de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van belanghebbenden, geschiedt de behandeling met geslóten déúren.

2.   De rechter kan evenwel op verzoek van een belanghebbende bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk openbaar is {maar de praktijk is dat de jeugdbescherming daartegen bezwaar maakt en niet toestaat}, indien zwaarwegende belangen bij openbaarheid daartoe aanleiding geven en de belangen als bedoeld in het eerste lid zich daartegen niet verzetten.”

 

Terwijl gezinsvoogd en raadsmedewerker ter zitting alles mogen beweren zonder beëdiging kunnen ouders veelal geen deskundige ter zitting bij zich hebben om direct verweer op onjuistheden te uiten met kwalitatieve onderbouwende uitleg:

 

Rv 810a, lid 2.  “In zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. …”   

 

Waar ouders alert op moeten zijn onder OTS:

 

BW1:263 t/m 265 schrijft voor wat ouders moeten, en er tegen kunnen doen:

 

Artikel 263 BW1:                           {de Schriftelijke Aanwijzing [S.A.] , vaak niet als zodanig

te herkennen}*

Lid 1.  De gecertificeerde instelling kan ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen {S.A.; vaak verdekt aangegeven zònder dit als aanwijzing te benoemen} geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.

Lid 2.  De met het gezag belaste ouder(s) en de minderjarige volgen een schriftelijke aanwijzing op.

Lid 3.  De gecertificeerde instelling kan de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Tegelijkertijd kan een door de wet toegelaten dwangmiddel worden verzocht bij niet nakoming van deze aanwijzing tenzij het belang van het kind zich tegen oplegging daarvan verzet.

|

Artikel 264 BW1:

Lid 1.  Op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder kan de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt.

2.  Bij de indiening van het verzoek wordt de beslissing van de gecertificeerde instelling overgelegd.

3.  De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.

4.  Ten aanzien van een na afloop van deze termijn ingediend verzoek blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de verzoeker redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest.

|

Artikel 265 BW1:

Lid 1.   Op verzoek van degene aan wie de aanwijzing is gericht, kan de gecertificeerde instelling een schriftelijke aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden geheel of gedeeltelijk intrekken.

2.  De gecertificeerde instelling geeft haar beslissing schriftelijk en binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.

3.   Artikel 264 is van overeenkomstige toepassing.

4.   Het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de gecertificeerde instelling staat gelijk met afwijzing van het verzoek. De termijn voor het indienen van het verzoek aan de kinderrechter loopt in dat geval door zolang de gecertificeerde instelling niet heeft beslist en eindigt, indien de gecertificeerde instelling alsnog beslist, na verloop van twee weken te rekenen met ingang van de dag waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.

* {Ouders dienen dus een eigen contactjournaal te onderhouden om alle contacten en termijnen in de gaten te houden. Ze moeten weten wat de beslissing of aanwijzing van concreet inhoudt om te kunnen meten er aan te voldoen. Daarom zijn ouders onder BW1:247 verplicht door te vragen. Zwart op wit. Het vormt tevens bewijslast in deze juridische jeugdzorgprocedure.

Naast de S.A. bestaat nog de Geschillenregeling:

S.A. = Schriftelijke aanwijzing m.b.t. omgang/verzorging van kind > aanvechten binnen 14 dagen bij rechter!
Geschillenregeling = Klacht over uitvoering van de OTS voorleggen aan de kinderrechter. Daar valt bijv. onder: omgangsregeling. Waar de gezinsvoogd fout heeft gehandeld zou de S.A. kunnen worden aangepast.

Anders bestaat er nog de gewone gang naar de rechter bij nieuwe gegevens.}

ARTIKEL 1:265e BW1 kan het gezag van ouders onder OTS+UHP inperken.

1. De kinderrechter kan bij de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing en ook nadat deze machtiging is verleend, op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de stichting die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Hij kan dit doen met betrekking tot:

 

a. de aanmelding van de minderjarige bij een  onderwijsinstelling,

 

b. het geven van toestemming voor een medische behandeling van de minderjarige jonger dan twaalf jaar of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, of .........

 

2. De duur van de gedeeltelijke uitoefening van het gezag is niet langer dan die van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing.   ...........

Ouders mogen, zo laat het zich aanschijnen, hiertegen niet anders eisen. Dit geeft de G.I. meer macht. 

  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  .  

OTS... Het kan erger worden:

 

Ken daarom BW1:262 e.v. op http://peterprinsen.nl/HERZIENINGOTS.htm . De juridische 'jeugdzorg' ìs juridisch, en negeert meningen! Hier dienen ouders te meten en zich aan de vocabulaire aan te passen willen ze gehoord worden!  Vooral het eerste jaar dienen ouders zelf actief te zijn om concreet te krijgen dat er diagnostisch (verantwoord) naar een optimaal traject gewerkt wordt en zij zelf daaraan meewerken d.m.v. kennisvergaring, om aan concrete eisen van de gezinsvoogd te voldoen. (De gezinsvoogd heeft er een handje van vaag te blijven en deze eisen te verschuiven tot onbereikbaar en onmeetbaar. Vraag daarom door zwart op wit, totdat het werkelijk concreet en begrijpbaar is! Anders blijft BW1:262 een loos artikel.).

 

- Oudervervreemding (CAPRD) door:

 

Uithuisplaatsen: van kind (niet: wegplaatsen van bedreigende ouder! - En dat is vreemd en daarom schadelijk voor het ontvankelijk kind) :

 

BW1:265a (Uithuisplaatsen) :

 “Plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin geschiedt uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing.”  . . . . . . . .  -(en het gaat verder in het wetboek!!! Ken dat!)

 

En nog een graad erger na een jaar of twee:

 

BW1:266:

Afdeling 5. Beëindiging van het ouderlijk gezag

BW1:266 (‘Ontheffen’ uit ouderlijk gezag anno 2016 heet ‘beëindigen’ van gezag) : “

1.   De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid,* in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

2.   Het gezag van de ouder kan ook worden beëindigd indien het gezag is geschorst, mits aan het eerste lid is voldaan.

-(En ook hier gaat het wetboek verder en mag u preventief kennen!)

 

Hierbij wordt telkens de wetenschappelijke kennis op bijv. http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wertenschap-kind-oudercontact-schaden-is-schadelijk/ door de ‘jeugdzorg’ niet meegewogen, en de rechter is geen medicus (om misleiding door de gezinsvoogdij te onderkennen).

 

Ouders dienen wakker te zijn:

 

Ouders zullen dus naar BW1:247 zèlf actief, deskundig en beschermend dienen te zijn, en de juiste psycho-medische context bij de rechter te moeten bewijzen met stukken zwart op wit. Ouders kunnen tips verkrijgen bij orthopedagoog-generalisten en andere BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaars in de medische wereld.

 

Er bestaan rechtsbijstandverzekeringen, die ouders – naar advies –  bij het krijgen van een kind al moeten hebben lopen. De zorg voor jeugd is verdeeld in Nederland in dubieuze  ‘jeugdzorg’ en gekwalificeerde jeugd-gezondheidszorg. De eerste zoekt werk.

 

Het is daarom ook een preventief advies aan ouders altijd bij eerste contact bij aanvang aan elke hulpverlener diens beroepsregistratie en -nummer te vragen, die echte ‘professionals’ direct zal afgeven. Dit weigeren is een teken van onprofessioneel handelen.

 

De beroepsgeregistreerden hebben een beroepscode waaraan te meten is of ze zich houden aan de juiste zorg. Er staan klachtenprocedures open naast de rechtsprocedures en meldingen.

 

Om gedegen verweer te voeren tegen kwakzalverij, speculeren en insinueren door de niet-medische gezinsvoogdij en jeugdzorgwerkers (die vele misleidende namen kunnen gebruiken) is regelmatige inzage in dossiers hard nodig en dat mag naar de Wet bescherming persoonsgegevens:

 

 

Privé-, persoonsgegevens, medische gegevens, dossiers;

voor inzage, ter controle:

 

Op basis van de Wbp (Wet bescherming persoonsgegevens) moeten instellingen, ook in de ‘jeugdzorg’, opgevraagde dossierstukken verstrekken en desgevraagd met uw bewijs gegevens aanpassen of verwijderen.                                                                                                                                  – 2016 –

 

(Geef dan wel een termijn op en houd die in de gaten en weet wat u moet doen aan herinnering en bij negatie!!!).

 

Er bestaat bij misstanden als meldpunt de AP.

 

De wet Wbp vanaf art. 35:

http://wetten.overheid.nl/BWBR0011468/2016-01-01#Hoofdstuk6  :

 

Wbp artikel 35 lid 1:

 “De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

lid 2.    Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.
3.      Voordat een verantwoordelijke een mededeling doet als bedoeld in het eerste lid, waartegen een derde naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt hij die derde in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de mededeling gegevens bevat die hem betreffen, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.
4.     Desgevraagd doet de verantwoordelijke mededelingen omtrent de logica die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens.”
|

Artikel 36 Wbp:

1.    Degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2.    De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.

3.    De verantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.

4.    Indien de persoonsgegevens zijn vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht, dan treft hij de voorzieningen die nodig zijn om de gebruiker van de gegevens te informeren over de onmogelijkheid van verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming ondanks het feit dat er grond is voor aanpassing van de gegevens op grond van dit artikel.

5.    Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing op bij de wet ingestelde openbare registers, indien in die wet een bijzondere procedure voor de verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van gegevens is opgenomen.
|

Artikel 37 Wbp:
1.
    Indien een gewichtig belang van de verzoeker dit eist, voldoet de verantwoordelijke aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 35 en 36,  in een andere dan schriftelijke vorm, die aan dat belang is aangepast.

2.    De verantwoordelijke draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.

3.    De verzoeken, bedoeld in de artikelen 35 en 36, worden ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt eveneens aan de wettelijke vertegenwoordigers.

|

Artikel 38 Wbp:

1.     De verantwoordelijke die naar aanleiding van een verzoek op grond van artikel 36 persoonsgegevens heeft verbeterd, aangevuld, verwijderd of afgeschermd, is verplicht om aan derden aan wie de gegevens daaraan voorafgaand zijn verstrekt, zo spoedig mogelijk kennis te geven van de verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.

2.    De verantwoordelijke doet aan de verzoeker, bedoeld in artikel 36, desgevraagd opgave van degenen aan wie hij de mededeling heeft gedaan.
|

Artikel 39 Wbp:

1.    De verantwoordelijke kan voor een mededeling als bedoeld in artikel 35 een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen vergoeding van kosten verlangen die ten hoogste € 5 bedraagt.**
2.    De vergoeding wordt teruggegeven in geval de verantwoordelijke op verzoek van de betrokkene, op aanbeveling van het College of op bevel van de rechter tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming is overgegaan.
3.    Het **bedrag genoemd in het eerste lid kan in bijzondere gevallen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd. {Maar overweeg ook het McMichael-arrest, EHRM, 24-2-1995***}
|

Artikel 40 Wbp: 
1.
   Indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onder e en f, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde verzet aantekenen in verband met zijn bijzondere……… . . . .

Etc. {En zo gaat die wet verder}….

 - - - - - - - - - - - - -

***:

En onderaan op  http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wat-wetenschap-uhp-missen-van-ouders/

staan meer arresten naast het McMichael-arrest e.a. voor dossierstukken aan beide partijen in juridisch (jeugdbeschermings)proces: gratis!

 

De Autoriteit Persoonsgegevens voor controle

en meldingen:

   

De AP, de Autoriteit Persoonsgegevens:

https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/contact-met-de-autoriteit-persoonsgegevens/tip-ons , en meer aldaar.

 

 -----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Problemen onder OTS met chantage ofwel dreiging ‘'wanneer u niet tekent voor toestemming'’?:

    De gezinsvoogdij gebruikt soms - ten onrechte - chantage- of intimidatiemiddelen:

Laat het op een schriftelijke aanwijzing (BW1:263-265;  S.A.) komen wanneer u geen uitleg en motivering krijgt voordat u tekent voor een toestemming - teken niet.   U mag naar BW1:247 de zorg bewaken en dus vragen om welgemotiveerde uitleg (Awb3:46). Werk schriftelijk. Wanneer u geen antwoord krijgt en wel een dreiging, dan kan u tijdig bezwaar indienen met de vraag om motivatie herhaald; en laat u niet intimideren, en gebruik uw stukken bij de rechter die mogelijk een vervangende toestemming behandelt.

U kunt motiveren bij uw "uitstel tot toestemming":

 

BW3:33:Een rechtshandeling [hier het tekenen voor toestemming] vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard.”
 > Zonder uitleg, verklaring, en motivatie van de gezinsvoogdij ontbreekt uw op rechtsgevolg gerichte wil, dus hoezo kan u dan gedwongen worden om te tekenen? Daarbij:
BW3:34 lid 2:
“2. Een zodanig ontbreken van wil maakt een rechtshandeling vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, wordt door het ontbreken van wil echter nietig.
 > Dus als u al tekent, kan u het later met enige moeite laten vernietigen, maar beter is om een schriftelijke aanwijzing te laten komen en naar BW1:264 het artikel 33 BW3 aan te halen. (Maar daar heeft men in de 'jeugdzorg' vaak niets meer aan.)
Tenslotte artikel 44 van hetzelfde boek 3 BW:
“Lid 1: Een rechtshandeling is vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen.  
Lid 2: Bedreiging is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. De bedreiging moet zodanig zijn, dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed.”
Een bedreiging die ten koste zou gaan van het kind met diens belang van een goed kind-oudercontact (BW1:262 lid 3) kan ook nog eens als niet handelen naar fatsoen (BW6:162 lid 2) gezien worden.
Maar vraag dus éérst schrìftelijk de motivatie goed op want onder hoofdstuk 4 Jeugdwet moet dit door de gezinsvoogd/gezinsmanager wel goed uitgelegd worden, temeer daar BW1:262 lid 1 verlangt dat ouders hulp en steun verkrijgen, zeker wanneer ze er om vragen.

 

     Voor meer over dossiers opvragen bij   alle betrokkenen deze link,   maar daarbij ook de Awb onder.

 

................................................................................................................................................................................  

 Noten en

 

De Awb:

De link naar de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarin geschreven is over Beslissingen, besluiten, bezwaar, klachten, enz.: http://maxius.nl/algemene-wet-bestuursrecht .

Dit moeten ouders in juridisch proces, wat OTS is, kennen.

Enkele artikelen uit het Awb:

Artikel 1:2

  • 1 Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

  • 2 Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

  • 3 Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Artikel 1:3

  • 1 Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

  • 2 Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

  • 3 Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

  • 4 Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.

  • Enz.

Artikel 1:5

  • 1 Onder het maken van bezwaar wordt verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

  • 2 Onder het instellen van administratief beroep wordt verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij een ander bestuursorgaan dan hetwelk het besluit heeft genomen.

  • 3 Onder het instellen van beroep wordt verstaan: het instellen van administratief beroep, dan wel van beroep bij een bestuursrechter.

Artikel 2:1

  • 1 Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

  • 2 Het bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

Afdeling 3.2. Zorgvuldigheid en belangenafweging

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:3

Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.

Artikel 3:4

  • 1 Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

  • 2 De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Afdeling 3.7.   Motivering

Artikel 3:46

Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.****

{Motivering dient te voldoen aan de Beginselen van behoorlijk bestuur}****

Artikel 3:47

  • 1 De motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit.

  • 2 Daarbij wordt zo mogelijk vermeld krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen.

  • 3 Indien de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld, verstrekt het bestuursorgaan deze binnen een week na de bekendmaking.

Artikel 3:50

Indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, wordt zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering vermeld.

Titel 4.1. Beschikkingen

Afdeling 4.1.1. De aanvraag

Artikel 4:1

Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

Artikel 4:2

  • 1 De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a. de naam en het adres van de aanvrager;

    • b. de dagtekening;

    • c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.

  • 2 De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 4:3

  • 1 De aanvrager kan weigeren gegevens en bescheiden te verschaffen voor zover het belang daarvan voor de beslissing van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, met inbegrip van de bescherming van medische en psychologische onderzoeksresultaten, of tegen het belang van de bescherming van bedrijfs- en fabricagegegevens.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op bij wettelijk voorschrift aangewezen gegevens en bescheiden waarvan is bepaald dat deze dienen te worden overgelegd.

Artikel 4:3a

Het bestuursorgaan bevestigt de ontvangst van een elektronisch ingediende aanvraag.

- Enz.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

 ****:

Er zijn Beginselen van Behoorlijk Bestuur:

 

Beginselen van  behoorlijk bestuur cq. fatsoen:

[Naar: ‘Bestuursrecht, 4e herziene druk’, 1996, van prof.mr.P. Nicolaï e.a.]

 

-  zorgvuldigheidsbeginsel =

Besluiten dienen met de nódige zorgvuldigheid te worden voorbereid èn genomen.  Hieruit vloeien voort : eisen betreffende een correcte bejegening (mededelingsplicht, waarschuwingsplicht, gelegenheid tot herstel van verzuim, hoorplicht, inspraak);

eisen betreffende zorgvuldig onderzoek;

eisen betreffende zorgvuldige beslissingsprocedure;

eisen betreffende een deugdelijke besluitvorming.

 

-  beginsel van draagkrachtige motivering =

            Hieruit vloeien voort : eisen met betrekking tot de begrijpelijkheid van de argumentatie;

            eisen m.b.t. de aanvaardbaarheid van de kwalificatie der feiten.

 

-  gelijkheidsbeginsel =

      Gelijke gevallen dienen gelijk behandeld te worden [voorgaande fouten daargelaten].

 

-  vertrouwensbeginsel =

Gerechtvaardigde verwachtingen moeten, indien maar enigszins mogelijk, worden gehonoreerd.

 

-  redelijkheidsbeginsel =

         De belangen-afweging dient te voldoen aan de eisen van redelijkheid en billijkheid.

 

-  beginsel van kenbare motivering =

Een besluit moet voor betrokkene op kenbare wijze zijn gemotiveerd.  Hieruit vloeien voort  eisen m.b.t. de wijze van kennisgeving.

 

Naar wet herleidt:

 

- Men dient het 'fair-play beginsel' in acht te nemen; de instelling dient haar taak zonder vooringenomenheid dus onpartijdig te vervullen (art. 2:4 Awb).

- Geheimhoudingsplicht t.o.v. gegevens met een vertrouwelijk karakter (Awb 2:5).

- Instellingen dienen het zorgvuldigheidsbeginsel in acht te nemen (Awb 3:2).

- Mag geen misbruik maken van haar machtspositie (Awb 3:3).

- Evenredigheidsbeginsel: nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (Awb 3:4).

- Alles deugdelijk motiveren (Awb 4:13 en 4:15). Ook termijnen.

(Verwijzing naar: Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Koens 1998a, pag.39-40.)

 

In het McMichael-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens d.d. 24-02-1995 wordt cruciaal geacht dat “alle papieren c.q. stukken door beide partijen kunnen worden ingezien voor een rechtsprocedure”. Dit was McMichael daarvoor onthouden door de tegenpartij. – Inzage van dossier bij jeugdzorg-instellingen worden tegen de wet in vaak niet compleet gegeven inclusief contactjournaals, diagnostische of zgn. expertiserapporten, en werkaantekeningen die – belangrijk – hebben geleid tot een beslissing (die leidde tot de reeks rechtszaken OTS en mogelijk erger). Ook ziet de inspectie niet het hele dossier als de gezinsvoogdij dat niet wil. {Zie onderaan meer dan  het McMichael-arrest op: http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wat-wetenschap-uhp-missen-van-ouders/ }.

 

Ook dit:

Beginselen van behoorlijk bestuur

(de gemeente, en de daaronder van overheidswege vallende ‘zorg’, zijn bestuursorganen!):

 

Formele beginselen

 

Iedere bevoegdheid van de overheid (inclusief die van de gedecentraliseerde overheden zoals waterschappen, provincies, gemeentes) om besluiten te mogen maken moet terug te voeren zijn op bevoegdheid die door de formele wetgever is toebedeeld.

Voorbeelden zijn: legaliteitsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel,en het formele rechtszekerheidsbeginsel:

  • Legaliteitsbeginsel. Er is geen bevoegdheid zonder grondslag in wet of Grondwet.
  • Zorgvuldigheidsbeginsel. De overheid moet een besluit zorgvuldig voorbereiden en nemen: correcte behandeling van de burger, zorgvuldig onderzoek naar de feiten en belangen, procedure goed volgen en deugdelijke besluitvorming (art. 3:2 Awb).
  • Motiveringsbeginsel. De overheid moet haar besluiten goed motiveren: de feiten moeten kloppen en de motivering moet logisch en begrijpelijk zijn (art. 3:46 Awb).
  • Rechtszekerheidsbeginsel. De overheid moet haar besluiten zó formuleren dat de burger precies weet waar hij aan toe is of wat de overheid van hem verlangt. Bovendien moet de overheid de geldende rechtsregels juist en consequent toepassen.
  • Verbod op détournement de procédure. Er mag geen lichtere procedure worden gevolgd om tot een besluit te komen, wanneer daarvoor een met meer waarborgen omklede procedure openstaat.
  • Vertrouwensbeginsel. Wie op goede gronden -bijvoorbeeld na een duidelijke toezegging- erop mag vertrouwen dat de overheid een bepaald besluit neemt, heeft daar ook recht op.

Materiële beginselen

 

De materiële beginselen hebben betrekking op de inhoud van bestuursbesluiten. Voorbeelden zijn: specialiteitsbeginselmateriële rechtszekerheidsbeginselFair-play-beginselvertrouwensbeginselgelijkheidsbeginsel  en het  verbod op détournement de pouvoir.

 

  • Specialiteitsbeginsel. Een bestuursorgaan mag alleen die belangen behartigen waarvoor de betrokken wet of regeling een grondslag biedt (art. 3:4 lid 1 Awb).
  • Rechtszekerheidsbeginsel. De overheid moet haar besluiten zó formuleren dat de burger precies weet waar hij aan toe is of wat de overheid van hem verlangt. Bovendien moet de overheid de geldende rechtsregels juist en consequent toepassen.
  • Evenredigheidsbeginsel. De overheid moet ervoor zorgen dat de lasten of nadelige gevolgen van een overheidsbesluit voor een burger niet zwaarder zijn dan het algemeen belang van het besluit (art. 3:4 lid 2 Awb).
  • Vertrouwensbeginsel (materiële rechtszekerheid). Een burger mag, onder bepaalde voorwaarden, kunnen vertrouwen op uitlatingen van een bestuursorgaan waarin dingen worden toegezegd maar die later niet nagekomen (kunnen) worden door het bestuursorgaan.
  • Gelijkheidsbeginsel. De overheid moet gelijke gevallen op gelijke wijze behandelen (art. 1 Grondwet).
  • Fair-play-beginsel. De overheid moet zich onpartijdig opstellen bij het nemen van een besluit en moet de noodzakelijke openheid en eerlijkheid in acht nemen (art. 2:4 Awb).
  • Verbod van détournement de pouvoir. Een bestuursorgaan mag de hem geattribueerde of gedelegeerde bevoegdheid alleen gebruiken voor het doel waarvoor die bevoegdheid is gegeven (art. 3:3 Awb).

De overheid mag geen zaken regelen die niet binnen haar bevoegdheid liggen of die willekeur oproepen.

De overheid mag bijvoorbeeld geen fluoride aan drinkwater toevoegen, op het moment dat zij moet zorgen voor gezond drinkwater. Zij treedt hiermee namelijk buiten haar opgelegde verplichtingen en bevoegdheden.

      Literatuur: 

 .-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-. 

 

Artikel [6:]162, lid 2, Burgerlijk Wetboek 6:

 

Civielrechtelijke zorgvuldigheidsnormen:

 

“Als onrechtmatige daad  worden aangemerkt  een inbreuk op het recht en een doen-of-nalaten-in-strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer [fatsoen] betaamt, een en ander  behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.”  

Men vindt meer op  www.wetten.nl (vinkje wegdoen bij zoeken).

 

 __________________________________________________________________________________________________

 Ook een wetenswaardigheid is:

 

Betekening van gijzeling c.q. uithuisplaatsingen:

Tweede Boek. Rv, Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen, beschikkingen en authentieke akten

 

Eerste titel. Algemene regels

Artikel 430 Rv:

lid 1.    De grossen van in Nederland gewezen vonnissen, van beschikkingen van de Nederlandse rechter en van in Nederland verleden authentieke akten alsmede van andere bij de wet als executoriale titel aangewezen stukken kunnen in geheel Nederland worden ten uitvoer gelegd.

lid 2.   Zij moeten aan het hoofd voeren de woorden: In naam van de Koning.

lid 3.   Zij kunnen niet worden ten uitvoer gelegd dan ná betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten.” {Deurwaarder doet dat}.

Over het algemeen houdt de RvdK, de gezinsvoogdij en de politie zich daar niet aan!

  |

Artikel 434 Rv:

De overhandiging van de executoriale titel, waarvan men de uitvoering verlangt, aan de deurwaarder, machtigt hem in die zaak tot het doen van de gehele executie, uit die titel voortvloeiende, met uitzondering alleen van die bij lijfsdwang, waartoe een bijzondere volmacht vereist wordt.”

 -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  -  

Eindnoot Ω :

 

Onder OTS betwiste hulpverleningstrajecten:

 

       De ouders hebben naar BW1:247 dus mede de plicht de zorg te bewaken (en liefst preventief kennis te nemen van welke kwaliteitsniveaus aan zorg er bestaan in Nederland, waar 'jeugdzorg' naast jeugd-gezondheidszorg, ook op orthopedagogisch en psychologisch gebied. De laatste is hoogwaardiger).

       De mate van zorg, dus ook de mate van kwaliteit van zorg, kan gemeten worden met o.a. het internationaal kinderrecht IVRK artikel 24 lid 1 en 25, respectievelijk ten aanzien van de mate van zorg en de regelmatige hoogstaande evaluatie van de dwangzorg, waar dus ook de nulmeting vòòraf tot het behoorlijk bestuur behoort.

       De Jeugdwet staat met enige wetsartikelen haaks op deze taak voor ouders.

       De Jeugdwet stelt dat de gemeente of gedelegeerde (G.I.) de zorg kan bepalen, zonder overleg met de ouders. Het medisch 'informed consent' wordt dus onder 'jeugdzorg' genegeerd of verzwegen.

       Ex-kinderrechter mw. mr. A.M. Quik-Schuijt zegt in FJR 2015/51: "In de medische wereld speelt het begrip informed consent een belangrijke rol. In de jeugdzorg is dat begrip in het kader van de drang/dwang-controverse m.i. eveneens van kapitaal belang."

       Toch hield de Jeugdwet (dus in feite de gekozen Kamerleden) hier geen rekening mee, met het argument dat ouders onder OTS, en die de geboden zorg weigeren, niet is staat zouden zijn de juiste zorg te accepteren.

Waar de mate van zorg betwist wordt door de gemeente of G.I. enerzijds en de ouders anderzijds

 

        Jeugdwet: Artikel 1.2 lid 1. Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen: c. indien het college gegrònde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.

{Hier staat dat de gedelegeerde [ambtenaar: Jw 2.11.1; zie Jw 12.3.1.5 over gemeentelijke geldigheid Awb] van de gemeente de keuze heeft in ‘beste zorg voor het kind’.}.

 

    Artikel 2.11 lid 1   Het college kan de uitvoering van deze wet door derden laten verrichten, en lid 3 In afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 kan het college {dus de gedelegeerde, de G.I., de gezinsvoogd}  een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen.

{Hier kan de gemeente een te goedkope, kwalitatief niet-passende zorg aanbieden, hetwelk mogelijk maakt ter discussie komen te staan.}.

 

    Artikel 3.5 lid 1 De gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering…..

{Hier kan de gemeente of gedelegeerde zich achter verschuilen.}.

 

       De G.I./gezinsvoogd zal bij betwisten van de naar ouders' idee te slechte zorg, ongediagnosticeerde zorg, of niet-therapeutische zorg,  een schriftelijke Aanwijzing (SA) verstrekken en daarbij deze Jeugdwetgeving gebruiken om hun speculatieve zorg door te zetten (waar veelal geen valide, open diagnose aan hun advies ten grondslag ligt).

       Hier weten de ouders dat bij betwisting en bij een SA ze snel naar recht 2x naar de rechter moeten stappen, om de mate van zorg te bewaken met de wet- en regelgeving die ruimte biedt het kwaliteitsniveau van de zorg aan te passen bij die het kind diagnostisch nodig heeft, en wel de hoogste mate van gezondheidszorg (IVRK 24.1 - onderaan), dit naar hun plicht van overheidswege gesteld volgens BW1:247, lid 1 en 2. {2x: De SA in 2 weken terug laten trekken; èn naar de rechter voor meest optimale hulptraject op diagnostieke basis, waar ouders reeds een gevonden specialist moeten voorstellen}. Èn de ouders moeten in die 2 weken de SA ongedaan maken via/bij de rechter.

       Ook kunnen de ouders naar IVRK artikel 25 {"Een kind dat uit huis is geplaatst voor zorg, bescherming of behandeling van zijn of haar geestelijke of lichamelijke gezondheid, heeft recht op een regelmatige evaluatie van zijn of haar behandeling en of de uithuisplaatsing nog nodig is."} alsnog een beroep doen op degelijke metingen, diagnostisch gebaseerd om de dwangzorg te bewaken tot het nut van OTS en UitHuisPlaatsing, dus geen 'evaluatie' op meningen van de G.I., doch kwalitatief gemeten. De gemeente is ook verantwoordelijk voor het verstrekken van passend maatwerk aan zorg ten behoeve van het kind (o.a. artikel 12 Jeugdwet).

IVRK (Kinderrechtenverdrag) artikel 24, lid 1:
•    De Staten die partij zijn, erkènnen het rècht van het kind op het genot van de gróótst mógelijke máte van gezòndheid èn op voorzieningen voor de behàndeling van ziekte en het herstel van de {ook psychische} gezondheid. De Staten die partij zijn, streven ernaar te waarborgen dat geen enkel kind zijn of haar recht op tóégang tot deze voorzieningen voor gezondheidszorg wordt ònthouden.   -{De 'jeugdzorg', zeker de gezinsvoogdij, weet dit verdrag niet na te volgen door al te vaak [door ouders geëntameerde] diagnostische rapporten van beëdigde specialisten wèg te wuiven bij de rechter. Echte diagnostische inzichten worden gekleineerd in het l;age jeugdzorgniveau.  De 'jeugdzorg' en de gezinsvoogdij zijn niet diagnostisch bevoegd! - Weet dat!}