Beziet de ‘jeugdzorg’ wel diagnostisch

 

de stem van het kind?

 

Of gebruikt 'jeugdzorg' suggesties?

 

{Hieronder staan ook een paar positieve punten van Weterings!}

 In het maandblad FJR 2012/5 (Tijdschrift voor Familie- en JeugdRecht), dat o.a. juristen en rechters lezen, stond een publicatie van de zogenaamde pleegwetenschapper mevrouw Weterings, en collega Van den Bergh.

 

De titel “De Stem van het Kind” suggereert dat er te weinig naar het belang van het kind gekeken werd door rechter en ‘jeugdzorg’.

 

De indirecte suggestie is dat pleegkinderen veelal beter niet teruggeplaatst kunnen worden. Een OTS+UHP duurt na de snel voorbijgevlogen eerste drie maanden 'voorlopige OTS' vaak meteen een heel jaar, dat nogal invloed blijkt te hebben op het dan 'pleegkind'. Andere wetenschappelijke bevindingen worden later hier genoemd over de contra-indicaties van het uithuisgeplaatst-zijn.

"De stem van het kind"?:

Op de site https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/valse-stemvankind en anders op  https://www.dropbox.com/s/yz9bysi745m1zsv/Zfjr-FJR%202012-5%20Weterings-beweringen.pdf?dl=0  (PDF)  staat het hele artikel met commentaar. Weliswaar met veel commentaar, maar dat is opdat men niet over de incomplete tekst heen leest als wetenschappelijke ‘waarheid’. Kèn de trucks! Doorzie die!

 

Het artikel staat op die site en dus ook afdrukbaar in Dropbox, dat publiekelijk toegankelijk is zonder dat men hoeft in te loggen. Ziet ge wel een inlogscherm, klik dat maar weg.

 

Hier geef ik enige citaten waarin ouders beschuldigd lijken te worden, wanneer hun kind als werkobject in handen is geraakt van de jeugdbescherming, met welke functienaam die deze ook gebruikt.

 

“De Stem van het Kind”, zo begint Weterings, en suggereert dat kinderen die in de conflicterende situatie zitten van scheiding of problemen, vaak bij ouders volgens dat onderzoek,  heel goed hun latere belangen kunnen vertegenwoordigen. Dit is een nadenker! Kan een jong kind, waarover dat artikel gaat diens latere belangen overzien?

Kan een jeugdzorgwerker dit inzicht uit het kind halen?

 

Er wordt eerst een voorbeeld gegeven waarin in de eerste zin al staat dat de ouders de verzorging niet meer aankonden. Hoe meet men dat? Het blijkt dat het onderzoek naar de opvoedcapaciteiten van de ouders achteraf, nadat het kind al vier jaren is weggeplaatst, pas gestart wordt. Daarbij rijst meteen de vraag of het terugplaatsen, in geval, wel goed is voor een gehecht kind. Dit terugplaatsen heet bij Weterings “in het belang van ouders” te zijn.

 

De methode van haar onderzoek is dossiers van jeugdzorg door te spitten en met haar eigen PSI-instrument, vragenlijsten waar alleen ja of neen op kan volgen (zegt de ouder dat hij wel eens alcohol drinkt dan wordt het alcohollist), afgenomen door jeugdzorgwerkers, een beeld te krijgen. Waren volgens de Kinderombudsman niet veel ‘fouten’ gevonden in de rapportages vanuit de ‘jeugdzorg’ (2013, “Is de zorg gegrond?” heette dat onderzoeksrapport)?

 

“Als een kind uit huis en in een pleeggezin wordt geplaatst, heeft hij vrijwel altijd in een problematische opvoedingssituatie geleefd.”   De ouders hebben dus schuld?:

“Bij de meeste pleegkinderen is een OTS van toepassing. Dit betekent dat het belang van het kind werd bedreigd door het niet goed functioneren van zijn ouders.”

 

‘Ouders vermeldden dat ze veel hulp hebben gehad voor de UHP.’   Niet vermeld wordt van welk niveau die ‘hulp’ was en of deze ook inhoudelijk en concreet voorlichten was op alternatieven met daaraan vast tips en keuzes om het probleem anders aan te pakken. Veel slechte dranghulp is nog geen een diagnose met deskundige voorlichting.

 

Uit de gegeven cijfers uit Leiden zou “omgerekend” blijken dat de meeste kinderen gemiddeld driekwart van hun van het kinderleven met hulp hebben geleefd. Ernstig, nietwaar?! (Zeker ernstig wanneer we weten dat echte diagnostiek, zeker voor de nulmeting vooraf, ontbreekt. Ook hebben kinderen kinderrecht op degelijke evaluaties door de jaren van jeugdzorg heen: IVRK art. 25 naast art. 24 lid 1. En lid 3 daarvan zegt dat de overheid schadelijke tradities, zoals de 'jeugdzorg' blijkt, dient op te heffen).

 

Tabel 1 geeft weer dat de jeugdzorgwerkers voor de aanvraag OTS vooral de ouders beschuldigen van slecht ouderschappelijk functioneren, op gemiddeld vier punten, en dat slechts 4% het om kindproblematiek ging.

Hier kunnen ouders met innerlijke nieuwsgierigheid op anticiperen!

 

“Interferenties”, dat zijn ‘veranderingen of onderbrekingen in de relatie tussen ouder en kind’, “blijken veel voor te komen”.    In het oorspronkelijke artikel zelf zet Weterings het echtscheiden en ziekenhuisopname voorop alsof deze interferenties veroorzaakt worden door de ouders, terwijl de meeste ‘interferenties’ veroorzaakt worden door de drang- en dwangzorg via de Kinderbescherming, zelfs d.m.v. S.A. of  overplaatsen van ‘perspectiefbiedend pleeggezin’ naar ‘perspectiefbiedend pleeggezin’. Wat een perspectief, nietwaar?!

 

“Dergelijke interferenties beïnvloeden veelal de relatie van de ouder met het kind negatief omdat het kind het vertrouwen in zijn ouder kan verliezen.”   Het is vreemd dat de ‘jeugdzorg’ dit wetende deze risicovolle contra-indicatie in hun besluiten nimmer meeweegt naar de rechter! Zeker omdat Weterings vond dat het bij 20% zelfs meer dan zeven interferenties betreft. Dat kan niet zonder dwangzorg!

 

“Uit de informatie van de ouders in de PSI-UHP-vragenlijsten blijkt dat 38% van de kinderen voor de tweede maal uit huis is geplaatst.   Onderbrekingen kunnen de relatie tussen ouder en kind verzwakken.”   Laat dit een aandachtspunt zijn!

 

De kern van de gehechtheidstheorie is dat het jonge kind afhankelijk is van een verzorger wil hij kunnen overleven. Hij moet dus bewerkstelligen dat hij een verzorger bij zich krijgt en houdt.”    Hier suggereert Weterings dat kinderen zich aan slechts ‘de’ opvoeders, en maximaal schijnbaar twee, zouden kunnen hechten. Alternatieven van een hechtingsfiguur ín een ‘zwak gezin’ of werken aan vier hechtingsfiguren bij pleegplaatsing met intensieve bezoek- en logeerregeling wordt niet gedacht. Hechtingstherapieën naar het eigen gezin worden niet genoemd (zie FJR 2012/95, https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/fjr-2012-95-over-hechting/). Terwijl dit voor de opgroeiende met latere belangen een aan te reiken zorgpunt zou behoren te zijn onder OTS. Degelijke voorlichting blijkt immer ‘vergeten’ te worden onder de jeugdbescherming.

 

Er wordt wel over diverse soorten onveilige gehechtheid gesproken, maar niet over het diagnostisch bepalen van oorzaken, die juist aan de zorg gepaard dienen te gaan.

 

Het ‘afgestaan-gevoel’ bij adoptie wordt aangeraakt, maar niet bedacht dat uithuisgeplaatsten dat ook ervaren onder de informatie die zij krijgen bij hun vraag “waarom?”.

 

Het belang van de identiteitsfase wordt omzeild door over bloedband te spreken als niet van belang.

 

Weer een sturend citaat:

“Als een kind in een pleeggezin komt, is hij geen veilig-gehecht kind”.    Dat is zonder nulmeting een onwetenschappelijke, onzinnige bewering die lezers waaronder veel jeugdrechters op het verkeerde been zet! Het is een axioma dat ouders demoniseert.

 

Daarop vervolgt het citaat met weer een aanname, wat niet ondersteun wordt door een valide diagnostische nulmeting (https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/diagnostiek-nodig-als-nulmeting/)  door een specialist te doen vòòr de uithuisplaatsing: “Naarmate diens verwaarlozing of mishandeling langer heeft geduurd  is de basis voor ontwikkeling van gehechtheid waarschijnlijk meer verstoord.”

De invloed van de stress rond het plotseling en onvoorbereid, vervreemdend uithuisplaatsen wordt eveneens niet meegenomen in dit onderzoek, terwijl door andere wetenschappers bekend is hoe schadelijk het uithuisplaatsen en geplaatst-zijn is voor een kind. (Woordenboek: Axioma = ‘onbewijsbaar uitgangspunt; axiomatische regel; een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden’, en een axioma is geen wetenschap!)

 

“Dit betekent dat het voor een pleegkind feitelijk zeer moeilijk kan zijn om een veilige gehechtheid met zijn pleegouder te ontwikkelen”.    Waarom dan pleegplaatsen en niet zoals Joseph Doyle of Jo Hermanns adviseerde deskundige hulp ìn huis, hun thuis?

“Daarnaast kan de ontwikkeling van gehechtheid aan de pleegouder bemoeilijkt worden door contacten met de ouder.”   Dat moet toch te denken geven!

 

“Duidelijke vooruitgang in de zin van ‘richting normaal’ (uitdrukking van een pleegmoeder) is pas te zien bij een pleegverblijf van vijf jaar of langer waarbij de problemen op emotioneel gebied het langste blijven bestaan.”      {Vijf jaren voordat het in pleegsetting beter gaat met een uithuisgeplaatst kind! Opmerkelijk en onbekend!}. 

Nu komt weer een axioma:   “Dit gegeven betekent dat het kind door zijn ouders waarschijnlijk ernstig verwaarloosd is geweest, waardoor het jaren kan duren voordat de verstoringen in de ontwikkeling duidelijk minder zijn geworden.”   

Hier worden ouders zonder diagnostische nulmeting (https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/diagnostiek-nodig-als-nulmeting/)  vòòr de OTS hard de schuld gegeven, van problemen die veelal door het stressvolle uithuisplaatsen zijn ontstaan.

En waarom ruim vijf jaren uithuisgeplaatst houden waarbij de ouders zelden niet- leerzaam zijn geweest indien ze concrete voorlichting en ondersteuning zouden hebben verkregen naar BW1:262?!  (Ouders mogen er zelfs vanuit hun plicht in BW1:247 om vragen, liefst op schrift!!!)

                                                 OUDERS, wees actief:

Wel kunnen ouders hierop anticiperen door nooit af te wachten, maar zelf actief zwart op wit (officieel) te werken aan wat CONCREET gedaan dient te worden tot het oplossen van de bewering in BW1:255 over de “ernstige bedreiging van de ontwikkeling”. Bagatelliseren is geen optie. Er zijn onder ‘jeugdzorg’ zorgen, met name door de ondeskundigheid van ‘jeugdzorg’!!!  Daar hebben ouders enige wetskennis voor nodig, om te meten.

Enige milimeters uit alle meters aan wetboeken hoeven ouders maar te snappen: https://jeugdbescherming.jimdo.com/tips-en-andere-brieven/wetgeving-en-regels/ .

 

Weterings gaat ook in op de negatieve reacties van pleegkinderen op bezoekcontacten met de ouder(s). Enige psychologie ontbreekt helaas. Het negatief reageren, zoals pleegouders dat zien, is standaard ‘schuld’ van de ouders. Ook al hebben ouders geen voorlichting verkregen van een deskundige; en ge weet dat ‘jeugdzorg’ niet de deskundige is, maar de orthopedagogisch specialist (via huisarts).

 

Het begrip ‘loyaliteit’ van met name het jonge kind wordt verscheurd, zonder het afhankelijk aan de pleegopvoeder aanpassend schijngedrag onder pleegzorg te doorzien. Dat de opgroeiende latere loyaliteitsgevoelens gaat kennen, wordt ‘vergeten’.

 

“Bij bijna de helft van de onderzochte 60 pleegkinderen komen loyaliteitsproblemen voor. Loyaliteitsconflicten hebben een negatief effect op de emotionele ontwikkeling van het kind en kunnen ook de relatie met de pleegouders negatief beïnvloeden omdat het kind niet weet op welke persoon hij zich richten kan of mag.”    Weet een jong kind dit juridische aspect echt al? Is dat het denkniveau in ‘jeugdzorg’?!? Het gevaar van niet hechten aan pleegouders is een werkgelegenheidsgevaar. En dat is dan weer reden om niet aan terugplaatsing te werken, zo horen rechters regelmatig (FJR 2012/95).

 

De suggestie wordt gewekt dat er aan terugplaatsen wordt gewerkt, maar hoe vaak ervaren ouders dat in de praktijk?:

Hoewel het een adequaat beleid is om een kind uit huis te plaatsen als de ouders ernstig disfunctioneren, wijzen de gegevens in de richting van een beleid waarin men tracht de ouders te ondersteunen in de verwachting dat de relatie met het kind dan ook zal verbeteren.”    Ouders disfunctioneren bij uithuisplaatsen - volgens 'jeugdzorg'; neem daar nota van! Dat is de standaard bij ‘jeugdzorg! Dat blijkt uit die tabel 1 wel.

 

Hoeveel ouders hebben van een deskundige  juiste voorlichting en begeleiding verkregen, naar wet onder BW1:262 lid 1 wegens lid 3 ???

Daarover wordt juist ernstig geklaagd. De roep om ‘diagnostieke waarheidsvinding’, met het belangrijke bijvoeglijk naamwoord dat onnozele ouders vergeten te noemen, is anno 2017 tot de politiek doorgedrongen, en de minister heeft een onderzoek gelast en in handen gegeven van de aan jeugdzorg gelieerde instanties. Mogen we verwachten dat de slager nu eens niet diens eigen kindervlees keurt?

 

Er ìs wetenschap dat onafhankelijk is, en die spreekt tegen het lage niveau van 'jeugdzorg': 

De 'jeugdzorg' vergeet het advies van deze professor Van der Gaag, naast de andere genoemde wetenschappers.

Er wordt niets geleerd bij de 'jeugdzorg' van de adoptiewetenschappen, terwijl de psychologische overeenkomst met het 'afgestaan-gevoel' er wel degelijk is. Opgegroeiden kunnen er behoorlijk door gedrukt worden.

 

Wat moeten we met de bevindingen uit een zeer groot onderzoek "Keeping the Promise", waarin staat dat de reguliere jeugdzorg niet de nodige kennis matcht bij de case. En adviseert om deskundige doelgroepcentra (zoals het IBAP van Hoksbergen) op te zetten zodat kennis niet verwatert, maar opgebouwd kan worden en het kind met gezin de juiste deskundige zorg krijgt, met juiste enthousiasmerende voorlichting en tips, dat effectiever is en dus goedkoper, met minder leed.

De schuld van jeugdzorgbeslissingen leggen bij de niet-medische rechters is veel gehoord.

Waarom is het onderzoek niet herhaald waaruit bleek dat 72% van de OTS-sen na twee jaren OTS niet leidde tot verbetering doch wel vaak tot verslechtering?

 

Dit geeft te denken over het niveau van 'jeugdzorg'; er bestaat ook gezondheidszorg, met betere voorwaarden, via de huisarts te bereiken!

 

De hele publicatie om rechters op een bepaald been te zetten, maar met doorprikkend commentaar, staat op https://www.dropbox.com/s/yz9bysi745m1zsv/Zfjr-FJR%202012-5%20Weterings-beweringen.pdf?dl=0.

 (Zie onder).

 

Het gaat dus bergafwaarts na ingrijpen door 'jeugdzorg'. Na een opwaarts gemiddelde zakt het onder beginwaarden!

Wachtlijsten groeien onder jeugdhulp.

Problemen escaleren door eerst inzetten op te lage kwaliteit van jeugdhulp.

Specialisten voor kinderen verdwijnen of gaan failliet. Kennis verwatert.

 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Meer informatie over contra-indicaties bij inzet tot uithuisplaatsen op: https://www.dropbox.com/s/itinjze80bpyt6u/ZW-Zorgen%20voor%20getraumatiseerde%20kinderen-15.pdf?dl=0 .

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Positieve punten van Weterings halen

 

we uit veel oudere publicatie op http://users.skynet.be/jig/projecten/pleegzorgib/pleegzorgib.html .

Kijken we naar de eens door haar beoogde stappen die de zorg voor jeugd en gezin beoogden:

 

De zorg behoort eerst stap 1 te nemen, voor zorg aan jeugd: (uit boek Weterings, ‘Wat is een pleegkind?’, 1983, via België): 

"Stap 1: Intensieve opvoedingshulp in het gezin:
Vooraleer een kind uit huis geplaatst wordt, dient intensieve opvoedingshulp te gebeuren in het gezin. Als binnen de vastgestelde termijn geen vooruitgang te zien is bij het kind kan Stap 2 volgen."

 Inhoudelijkheid dient gegeven te worden in stap 1:

Er wordt zowaar onderkend dat "intensief" onderzoek tot passende hulp nodig is in Stap 1.    Dit dient op deskundig niveau verstrekt te worden (kinderrecht IVRK art. 24 lid 1)  in overleg met gezin opdat - uiteraard - er geen tegenzin wegens drang en slechte uitleg en bejegening ontstaat. Daar waarschuwde prof. Carlo Schuengel, 2013, op een jeugdzorgacademie, voor; https://jeugdbescherming.jimdo.com/tips-en-andere-brieven/bejegenen-en-vertrouwen/).

Er moet eerst gediagnosticeerd worden om passende "intensieve opvoedingshulp" te verkrijgen, en dat kàn met bijv. interactie-onderzoek (VIB) onder een diagnostisch bevoegde orthopedagoog-generalist met deskundigheid.

Er kunnen natuurlijk ook andere problemen meespelen die door andere deskundigen worden aangepakt zoals op financieel gebied, schuldsanering.) 

Dàt is dan stap 1. (Waarom zou de ‘zorg’ niet controleerbaar deskundig verstrekt mogen worden in het bejegenen van ouders en het verstrekken van deskundige, enthousiasmerende uitleg en hulp zonder drang, waarbij alternatieve trajecten besproken worden opdat de ouders een mentale keuze kunnen maken, met daarachter ook het bespreken van de consequenties bij elke keuze voordat de keuze definitief wordt?

Die drang die waarover veel geklaagd wordt, komt door een onterechte machtspositie, zo blijkt uit vele klachtanalyses. Dergelijke klachten nemen tegenwoordig nog toe in aantal).

 

Stap 2 is opmerkelijk en zien we heden in de praktijk te zelden voorbij komen, alhoewel Stap 1 dus ook nogal regelmatig mis gaat in kwaliteit.

 

"Stap 2: Tijdelijke of perspectiefzoekende pleeggezinplaatsing:
Een tijdelijke plaatsing is een onderzoeksfase en dient om na te gaan of het kind een kans gegeven moet worden een opvoedingsrelatie met zijn ouders te ontwikkelen en of de ouders kunnen leren hun kind weer op te voeden, terwijl zij tijdelijk ontlast worden van de dagelijkse zorg. Om de ouders dit te leren hebben zij intensieve {diagnostische} ondersteuning nodig. Bij de begeleiding van een tijdelijke plaatsing zal de nadruk moeten liggen op de ondersteuning van de opvoedingsrelatie tussen ouder en kind {BW1:262}. De frequentie van de contacten tussen ouder en kind dient hoog te zijn, minimaal twee à drie keer per week."

 

Dit is al te vaak niet de opzet in de praktijk van de Nederlandse 'jeugdzorg'. Alhoewel Weterings dat destijds goed aangaf! En ook uit de adoptiewetenschappen komt deze goede aanbeveling!
In de Hollandse praktijk wordt het OTS+UHP-beleid met oog op het terugplaatsen niet zo ‘open’ gehouden met zoveel bezoek pèr week.

Er wordt geklaagd over prejudiciërende beperkende maatregelen van de gezinsvoogdij die later de ouders worden tegengeworpen, dat kinderen ‘gehecht zouden zijn aan pleegsettingen’.  

   

 Rechters dienen niet te vergeten dat na een spoed-OTS van drie maanden er vaak niet veel concreet en bewijsbaar gebeurd is en dat er dan welhaast automatisch voor een heel jaar verlengd wordt, zonder tussentijdse diagnostische evaluaties (IVRK artikel 25 op niveau van lid 1 uit artikel 24 IVRK).
Het genoemde "intensief" moet natuurlijk zijn: diagnostisch en daarop therapeutisch en voorlichtend verder handelen; liefst thuis, zo blijkt uit andere wetenschappelijke bevindingen zoals van Gresser of Doyle.

Op diagnostiek geënte hulpverlening.... Dit behoort dus zo in een onderzoeksfase: het open houden; dàt is wetenschappelijk. De OTS is immers wettig bedoeld als onderzoeks- en behandelingsfase tot hulpverlening?! De 'jeugdzorg' zelf is coördinerend en de gezondheidszorg is deskundig tot diagnostiek en behandeling met voorlichting.

 

Weterings noemt een "afgesproken termijn"....
De "afgesproken termijn" moet natuurlijk diagnostisch bepaald worden; niet door ‘jeugdzorg’. De gezinsvoogdij is geneigd om deze hulp tot leren en ‘verbeteren’ voor terugplaatsing vaak uit te stellen en ouders of kinderen moeten dan nog eens op wachtlijsten stoten, zodat de termijn die jeugdzorgwerkers bepalen nogal al te gemakkelijk overschreden wordt en de hele ‘jeugdzorg’ overgaat in het denken van beëindigen gezag (BW1:265a en 265b). Dat is uiteraard geen echte hulp aan kind en gezin edoch beleidsmatig gewoonweg fout (BW6:162 lid 2; we mogen niet spreken van institutionele kindermishandeling, maar maatschappelijk wordt het vaak wel als zodanig erkend).
Deze stap tot helpen ondanks dat er ontspanning en leren moet komen door de als tijdelijk bedoelde pleegplaatsing is in uiterste geval nodig, maar men dient te beseffen dat zelfs Weterings op diverse plaatsen heeft gepubliceerd dat kinderen (jonge kinderen worden gemiddeld bij 4 jaar geplaatst) vijf jaren nodig hebben om te wennen aan de pleegsetting, en waar Mary Dozier reeds in 2002 (https://jeugdbescherming.jimdo.com/tips-en-andere-brieven/cortisol-in-pleegzorg-te-hoog/) vond dat verhoogd cortisolgehalte spelbreker van gezondheidszorgniveau is door pleegplaatsen, is urgente hulpverlening (naar BW1:262 of anders zèlf naar BW1:247) hard nodig: URGENT is niet afwachten.

Stap 3 gaat over terugplaatsen binnen termijn, die, zoals nu te begrijpen valt, niet bepaald mag worden door de 'jeugdzorg', al doet de gezinsvoogdij dat in praktijk zelf, doch door de diagnostisch specialist en ouders mogen, moeten naar wet, daarop toezien door actief te werken aan CONCRETISEREN daarvan, officieel en zwart op wit (BW1:247, Awb en Wbp).
En stap 4 is het overplaatsen van 'perspectiefbiedend pleeggezin'  naar 'perspectiefbiedend pleeggezin' of -setting. Omdat na drie maanden spoed-UHP er welhaast automatisch vaak naar een verlenging tot een lang jaar UHP wordt overgeschakeld, en onze Nederlandse 'jeugdzorg' te vaak weinig haast maakt, worden stappen 1, 2 en 3 overgeslagen. Let wel dat een heel jaar in vreemde pleegsetting nogal lang duurt een een zich ontwikkelend kind; het is een eeuwigheid!
De ouders dienen tegen verwachting van 'zorg' actief te werken aan hun plicht in BW1:247 (https://jeugdbescherming.jimdo.com/tips-en-andere-brieven/wetgeving-en-regels/).

"Artikel 247 BW1:        {Zie eindnoot op site}

1.    Het ouderlijk gezag omvat de plícht en het rècht van de ouder zijn minderjarig kind te verzòrgen en op te voeden.

2.     Onder verzorging en opvoeding worden méde verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de véíligheid van het kind alsmede het bevòrderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe. {En laten dat derhalve ook niet toe door jeugdzorgwerkers toegebracht}.

3.      Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.  . . . . .(meer)." 

 

Identiteitsonwikkeling als vergeten behandelingsbelang voor de opgroeienden:

Verderop schreef Weterings: "Een kind krijgt van zijn ouders steeds de basis voor zijn identiteit. De ouders blijven altijd belangrijk in verband met de identiteitsontwikkeling van hun kind."

- In 1983 mocht dat kennelijk nog. In haar latere publicaties wordt met 'bloedband' de aandacht afgeleid van dat ontwikkelingsbelang. (Het artikel bovenaan).

 

 -----------------------------------------------------------------------\/---------------------------------------------------------------

 

Wilt ge een idee krijgen wat er bij een verweerschrift komt kijken, leze dan https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/schrijf-verweer (waar ook meer informatie te vinden is op die site).

Ouders dienen naar wet BW1:247 zelf officieel, dus zwart op wit aantoonbaar, actief zijn!