Uithuisplaatsen, Informed consent en Juridisch meten   (22-12-2015)

   Wat jeugdrechters niet willen weten:

       Hoe te meten en waarom:

 

Nu onder de Jeugdwet (http://wetten.overheid.nl/BWBR0034925/2016-06-14) de praktijk ‘drang’ toestaat om ouders te bewegen hulp te aanvaarden, wordt opgemerkt dat de grens tussen drang en dwang vervaagt. Mr. Nanneke Quik-Schuijt merkte in FJR 2015/51 (opvragen in bibliotheek; hier meer) terecht op dat het machtigen tot een dwang­maatregel voorbe­houden dient te worden aan de rechter. Ze schrijft: "In de medische wereld speelt het begrip informed consent een belangrijke rol. In de jeugdzorg is dat begrip m.i. eveneens van kapitaal belang," en wijst op de gebruikelijke rechtsgang via de Raad voor de Kinderbe­scherming en rechter. De jeugdbe­scherming dient het gezin juist en volledig voor te lichten. Ouders lopen het gevaar verkeerd te beslissen wanneer ze niet naar de juiste alternatieven zijn geïnformeerd en het ene voorstel vanuit de ‘jeugdzorg’ onmacht of weerstand oproept of als bedreigend wordt ervaren door afwezigheid van diagnostisch specialisme. Professor Carlo Schuengel wees op de contraproductiviteit van ‘dwangzorg binnen de jeugdzorg’.[1]  De ouders hebben naar BW1:247 het recht de zorg voor hun kind te bewaken, maar kregen niet de juiste explicatie.

 

Uithuisplaatsen als uiterste middel, ook via de rechtsgang, kent negatieve effecten op de uithuisgeplaatste en het gezin om deze maatregel zonder meer op te leggen.  

 

Aangaande de inzet tot uithuisplaatsen meldde ook de Inspectie jeugdzorg[2] een economische drang tot vullen van lege plaatsen in de gesloten instellingen. Er zal meer worden toegezien op de aanwezigheid van machtiging gesloten plaatsing via de rechter of, bij schoolgang binnen een gesloten instelling, op uitleg in een specifiek plan. Er wordt gewezen naar nationaal en interna­tionaal recht. Het kinderrecht op de hoogst mogelijke mate van gezondheid en daarbij passende gezondheidszorg is er één van. Deze drang komt ook naar voren waar de Kinder­ombudsman  sturende ‘fouten’ in de jeugdzorgrapportages naar de rechter en ‘perverse prikkels’ onderkende, in diens rapport “Is de zorg gegrond”.[3]

 

Diagnose nodig vooraf aan dwangtraject

 

Het gevolg-hebbende uithuisplaatsen, ook in het algemeen, dient dan ook gewaarborgd te worden door orthopedagogische en medische argumentatie in nodige rechtsgang, zoals meerdere wetenschappers adviseerden.[4]

 

Dr. Veronica Smits[5] promoveerde op haar proefschrift “Participatie van het kind bij het ouderschapsplan”. Wanneer de gezinsvoogdij daarbij komt kijken is er sprake van omgangs-OTS. Ze schreef: “Een belangrijke conclusie is dat participatie van een kind bij de scheiding niet alleen vanuit juridisch perspectief kan worden benaderd, maar dat inbreng vanuit de gedragsdeskundige wetenschap daarbij onmisbaar is. Dat betekent dat de advocaat en de rechter bij de beoordeling van en de beslissing in problematische scheidingen intensiever zullen dienen samen te werken met gedragsdeskundigen.”  De juridiserende omgangs-gezinsvoogdij mijdt regelmatig doorverwijzing naar diagnostiek, terwijl de omgangssaboterende ouder juist specifiek deskundige voorlichting nodig heeft wat deze het kind kan aandoen. Denk aan loyaliteits­conflicterende negatieve signalen, verbaal, non-verbaal of organisatorisch, over de ‘andere ouder’. Smits’ advies stond eens in de wetgeving: 

 

De tekst van het Uitvoeringsbesluit onder de (gewezen) Wet op de jeugdzorg, artikel 35, luidde voor 2010: “De stichting [BJz] neemt geen indicatiebesluit dan nadat een ontwerp daarvan ter beoordeling is voorgelegd aan een gekwálificeerde gedragswetenschapper” (UvbWjz art. 1 m). Nadat deskundigen aan de bel trokken dat deze beroepsgeregistreerde gedragswetenschappers wel de cliënt zèlf moesten zien conform hun beroepscode werd er voorgesteld de tekst te wijzigen in “De stichting Bureau jeugdzorg neemt pas een indicatiebesluit nadat een gekwalificeerde gedragswetenschapper ingevolge zijn richtlijnen (naar NVO-, NIP-, of BIG-registratie) de cliënt onderzocht en beoordeeld heeft.”  In 2010 werd dit artikel daarentegen  gewijzigd in: “In afwijking van artikel 29, derde lid, kan de stichting, alvorens het indicatiebesluit te nemen, een ontwerp daarvan ter advisering aan een gekwalificeerde gedragswetenschapper voorleggen”,  wat het artikel inhoudloos maakte en strijdig was met het door wetenschappers verzochte.  Deze praktijk – zonder diagnose – werd voortgezet onder de jeugdwet. Jeugdbeschermers en gezinsvoogden mogen werken zonder diagnostieke basis. Met gevolg.

 

(Het is zelfs de vraag of deze praktijk voldoet aan Grondwet artikel 94, daar dergelijke wettelijke voorschriften geen toepassing vinden indien deze niet verenigbaar zijn met internationaal recht.[6])

 

Wat doet uithuisgeplaatst-zijn met kind?

 

 Joseph Doyle[7] onderzocht het effect van uithuisgeplaatst-zijn op kinderen. Kinderen die in aanmerking kwamen uithuisgeplaatst te worden werden rand-om aangewezen om òf hulp thuis te verkrijgen òf uithuisgeplaatst te worden. De uithuisgeplaatste kinderen bleken een grotere kans te maken op o.a. tienerzwan­gerschap­pen of delinquentie en presteerden op schoolniveau lager. Kinderen, die in aanmerking waren geweest om uithuis te plaatsen, waren – opmerkelijk – met hulp thuis beter af. Ook prof. Jo Hermanns vond dit voor Nederland in Zeeland.[8]

 

Regelmatig verlopen uithuisplaatsingen via een spoedaanvraag (de machtiging tot vOTS en spoed-Uithuisplaatsing).

 

De wetgever stelde als eis dat degelijke spoedmachtigingen enkel afgegeven konden worden indien de ‘behandeling’ niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige (Rv 800 lid 3). Dit moet goed uitgelegd kunnen worden, naar de ouders zowel als naar de rechter (FJR 2010/92, derde knelpunt). Daartoe zou de jeugdbescherming medische rapportage kunnen overleggen aan de rechter, met de uitleg hoe de te machtigen ‘behandeling’ dan wel in de psyche van de minderjarige werken zal.

 

 Gezien de 87-uurs-regel om de rechtsgang te voltooien binnen vier dagen na de spoed-uitspraak en het ten uitvoer leggen van de spoed-Uithuisplaatsing (Brogan-arrest)[9], zou de basis, waarop de jeugdbescherming tot de spoed-aanvraag kwam, in de rechtsgang gecontroleerd dienen te worden. Aldus advocaat H.F.M. Struycken9; “De toetsing bij spoed-uithuisplaatsingen – vooraf – stelt in de praktijk niets voor. Het verhoor ex art. 800 Rv binnen 14 dagen na de uithuisplaat­sing wordt gecombi­neerd met een behandeling van de ondertoezicht­stelling en een machtiging tot uithuisplaatsing. Er vindt door de rechter geen toetsing plaats of er gronden waren voor de uithuisplaatsing, of die noodzakelijk was en of de uithuisplaatsing legitiem ten uitvoer is gelegd zoals in het kader van het EVRM verplicht. De rechter heeft aan de wijze, waarop de kinderen zijn weggehaald en – in repliek van ouders – of er wel valide gronden zijn, doorgaans geen boodschap.” De contra-indicaties van het uithuisgeplaatst-zijn, naar de doorgaande psychische ontwikkeling van het kind, worden veelal vergeten. Identiteitsproble­matiek later door het slecht of niet kennen van de eigen afkomstfamilie kan één à twee schoolniveaus schelen.

 

Is er een nulmeting?

 

Om te bezien of een hulptraject wel het meest optimaal zal zijn, is – in het belang van het kind – een valide nul-meting vòòr, of op het laatst direct na, de uithuisplaatsing nodig. Dit dient een open diagnostisch onderzoek te betreffen, méér dan een meningenverzameling vanuit de jeugd­be­scherming. Vaak met een interactie-onderzoek tussen kind en ouders.

 

Wetenschappers hebben reeds lang de overheid geadviseerd om ‘zwaargewichten’, echt diagnostisch gespecialiseerd onderzoekers (BIG), beëdigd op artsenniveau, vòòr die ingang tot dwangzorg te situeren. We zagen het helaas niet terug in de wetgeving of in jeugdzorgbeleid.

 

Gezien de vele risico’s en contra-indicaties in de uithuisplaatsingsettings onder het toezicht van de gezinsvoogdij mag men zich afvragen of het werkelijke belang van ‘zich als kind veilig voelen’ (in een onvertrouwde, onbekende pleegsetting, waarna er vaak meer overplaatsingen volgen) wel afgewogen wordt op beweringen en spoedverzoeken door de jeugdbescherming. Het niet rechterlijk kijken naar bewijs voor de machtiging (spoed)uithuisplaatsing als nulmeting kan het kind in diens opgroeien ernstig schaden.  


Waar kan de rechter concreet naar kijken?:


De onderzoeksvragen van de ouders en de 'jeugdzorg', tezamen naast of aan elkaar. Zwart op wit. Welke zijn het meest open, niet-sturend gesteld naar de specialist?

Zijn de ouders betrokken bij de diagnose bij de specialist? Is er een interactie-onderzoek orthopedagogisch verricht? Zijn ze tijdig daartoe uitgenodigd?

Zijn er alternatieve behandelingen geboden?
En is het diagnostisch rapport van deze specialist duidelijk in het advies van optimaal hulptraject en eventueel hulpalternatief?

Welke therapie wijst de specialist? Bij wie, met welke opleiding/accreditatie?

Volgt de gezinsvoogdij dit diagnostisch advies?
Zijn de ouders goed, en schriftelijk inhoudelijk bevestigd, voorgelicht (informed consent) over alle alternatieven en consequenties voor gezin en kind, ook de juridische?
Waarin kunnen de ouders zich het meest vinden om in goede sfeer, dat het ontvankelijke kind ervaart, tot een werkzaam hulptraject te komen?  

Hebben de ouders (BW1:247) op de eerste OTS-zitting een deskundige naast de jurist/advocaat mogen meenemen om het belang van het kind te vertegenwoordigen op beweringen ter zitting vanuit de 'jeugdzorg', mede gezien de omissie in wetgeving tussen Rv 803 en 810a lid 1?[10]  

Het kind mag uiteraard niet tijdens de duur van de gehele rechtsgang lijden onder een verkeerde maatregel of de sfeer die gecreëerd werd door de (durende) rechtsgang.  Negatieve signalen over de eigen ouders werken bezwarend in de psyche.


De 87-uursregeling is in het belang van de verdachte, maar ook in het belang van kinderen, en dient serieus genomen te worden. Diagnostisch onderzoek dient valide te geschieden (IVRK 24), liefst vooraf. (Denken aan het uithuisplaatsen van een werkelijk bedreigende ouder is gezonder).
En waar het gestelde in Rv 800 lid 3 (“onmiddellijk en ernstig gevaar”) bewijsbaar van toepassing is, dient het onderzoek zo spoedig mogelijk valide, en mèt de ouders, te geschieden.

Ouders zijn vaak nodig in de therapie. Of ze hebben een enthousiasmerende cursus, gegeven door echte deskundigen buiten de jeugdbescherming, nodig voor een snelle terugplaatsing of beter ouderschappelijke representatie.
Daar zijn geen vele maanden voor nodig.
De rechter moet in staat gesteld worden de chronologie en het (diagnostiek) bewijs te kunnen volgen, alsmede de inzet van daarop gebaseerde therapie, die de gezinsvoogdij coördineert in diens taak.   

 

{Tjeenk Willink sprak in het interview ‘Rechters moeten weer terug naar de inhoud’ (Mr. 12 2015, p 26) op de vraag 'Wat er dan wel moet gebeuren':

“Allereerst moet bij rechters het besef verder doordringen dat het inhoudelijke tegenwicht tegen de verbestuurlijking  van hènzelf moet komen.…”}

 

Noten:

[1] Bijdrage van prof.dr. Carlo Schuengel, 10 oktober 2013, op de BJAA-academie (afscheid prof. N.W. Slot):   https://prezi.com/x_ejjwaojdri/bjaa-academie-jeugdzorg-zonder-dwang-zonder-pics/?utm_campaign=share&utm_medium=copy

[2] Signalement van de Inspectie Jeugdzorg over gesloten jeugdhulp, augustus 2015: https://www.inspectiejeugdzorg.nl/documenten/Signalement%20van%20de%20Inspectie%20Jeugdzorg%20over%20gesloten%20jeugdhulp.pdf  (mede met IVRK artikel 24 lid 1).

[3] Pagina ~93 (derde streepje) van rapport van Kinderombudsman, 2013:  http://www.dekinderombudsman.nl/ul/cms/fck-uploaded/2013.KOM008Isdezorggegrond.pdf

[4] Prof. R.J. van der Gaag adviseerde reeds “zwaargewichten” vòòr de ingang tot dwangzorg, specialisten die het cliëntsysteem zelf zien en onderzoeken;  en andere wetenschappelijke rapporten.

[6] Artikel 94 Gw (Grondwet): “Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.”  ~  IVRK 24 lid 1.

[7] Joseph J. Doyle jr., ‘Child Protection and Child Outcomes: Measuring the Effects of Foster Care’, 2007: http://www.mit.edu/~jjdoyle/doyle_fosterlt_march07_aer.pdf  of  Doyle in vervolg.

[8] Uitzending EenVandaag d.d. 14 november 2012; het begin van https://www.youtube.com/watch?v=HGTzNQeo_1Q): beter thuis met passende hulpverlening!

[9]  Brogan-arrest, EHRM 29-11-1988: Wanneer iemand van zijn vrijheid is berooft dan moet er binnen 3 dagen en 15 uur een toets door de rechter komen om te controleren of de invrijheidsneming rechtvaardig is.   Advocaat Struycken bij het jeugdzorgcongres in 2015, “Iedereen jeugdbeschermer”.

[10] Rv 803 ("De behandeling geschiedt met gesloten deuren.") enerzijds en 810a lid 1 ("In zaken betreffende minderjarigen, ..... , beslist de rechter pas nadat een ouder, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet”) anderzijds, een second opinion ter zitting uitsluitend.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 

Hiernaast is wetenschap ook gepubliceerd in: FJR 2012/95  en het meten in wat rechters niet willen weten, goed om af te drukken als bijlage in verweerstuk en voor familie.

Ook in: Open Brief van kinderen (Goed voor familie en de andere ouder van het kind).

 

Op LINK  is duidelijk uit internationale wetenschappelijke onderzoeken (prof.med. Ursula Gresser, 2015) dat het kind door pleegplaatsen of gokkend éénoudergezag ziek wordt, vaak niet of niet direct zichtbaar voor de gezinsvoogdij of pleegzorger, doch meetbaar!

 

Drang- en dwangzorg zijn geen productieve trajecten wanneer er niet doorverwezen wordt voor open gespecialiseerd onderzoek in het belang van het kind met familie.

Beschamend:

Er zijn echt rechters geweest die in deze niet op zichzelf staande zaak corrupt hebben gehandeld, schadend hebben beslist, met wegkijken van bewijzen: https://kinderbescherming.jimdo.com/methoden/gedocumenteerde-case/ .

Daar onderaan worden enige vragen gesteld.

Vragen, omdat het erg regelmatig voorkomt dat heel de jeugdzorgketen elkaar de hand

boven het hoofd houdt, en bewijs van ouders niet meeweegt op de weegschaal

van Vrouwe Justitia. Alsof een kind een gevoelloos object is.

Het evenwicht in 'civiel' is weg.

De jeugdzorg als juridische partij met financiële belangen wordt als 'professionals' op de gok geloofd. 95% van de jeugdzorgaanvragen wordt met afhamering aanvaard.

 

Jeugdrechters lijken niet te beseffen dat er financiële belangen spelen,

en het sociaal domein niet diagnostisch bevoegd is, en wanneer er een diagnose op gesloten, sturende vragen zijn 

 gesteld, dan wordt dat verdraaiend  

  'samengevat' door een jeugd-

    zorgwerker in jeugdzorgrappor-

tages.   Dat voldoet niet aan          .

 'diagnostische waarheidsvinding'!

Meer inhoudt aan het juridisch werken naar waarheid en dus het meest optimale belang van een opgroeiende staat in de reeks publicaties op

https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/waarheid-kog (begin van de inhoudelijke reeks!).

Daar staan ook bijdragen bij van (oud)advocaten en jeugdzorgdossieronderzoekers.