Grillige gezinsvoogdij & Valse aanbevelingen

De drammerige pleegzorg-onderzoeken door Weterings en Van den Bergh laten ook een keerzijde zien.

 

De vele publicaties als http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/beleid/ zijn pleegzorg-verheerlijkend. "De ouders zijn slecht" als cliché, en "de kinderen moeten snel weten waaraan ze juridisch aan toe zijn", zonder dat ze een advocaat mochten en diagnostiek….

 

Valse wetenschap lekt door...

 

Doch op http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/beleid/ laat Van den Bergh zien dat er een groot gevaarlijke kant zit aan de praktijk van pleegplaatsen (UHP) onder (gezins)voogdij bij een G.I. (voorheen BJZ).

 

Gezinsvoogden blijken (weer geconstateerd!) geen adequate ondersteuning te verstrekken.

 

Maar ca. 70% van de pleegkinderen bij dit niet geheel valide onderzoek bleek aan een gedragsprobleem te lijden. Die ontstaan vanzelf door de pleegzorg na uithuisplaatsing.

 

Bezie maar de wetenschappelijke bevindingen van med.prof. Ursula Gresser:

http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wertenschap-kind-oudercontact-schaden-is-schadelijk/ :

 

“Contactsabotage naar ouders maakt kinderen na de scheiding ziek", zegt Ursula Gresser. {Dit geldt zeker ook bij Uithuisplaatsingen, dubbelop}.
De arts heeft de zes meest recente internationale studies over dit onderwerp geëvalueerd.
"Het verlies van contact met levende ouders schaadt kinderen ongeveer twee keer zo lang en drie keer zo intens als het contactbreuk wegens de dood van een ouder," zegt Gresser.
Volgens de studies treedt het vaakst depressie op, op de tweede plaats verslaving, als stoornis. "Rechters en ‘jeugdbescherming’ kunnen zich niet langer erop beroepen dat ze d.m.v. een contactbreuk (of te slechte bezoekregeling) ‘ten behoeve van een kind’ handelen. Diegene die nog steeds verlies van contact veroorzaakt, heeft nu kennis over het schadelijk effect.” 

 

Deze bovengenoemde gespecialiseerde arts geeft dus zelfs een waarschuwing naar rechters!

     - - -

'Leids misleidend onderzoek':

 

Op http://www.nieuws.leidenuniv.nl/nieuws-2013/houding-gezinsvoogd-vaak-doorslaggevende-reden-voor-stoppen-met-pleegzorg.html publiceerde de Leidse Universiteit een artikeltje over de onvrede onder pleegouders.

 

Nu blijkt aldus Van den Bergh, 2013, citaat:  “Pleegouders ervaren ook een enorm verloop onder gezinsvoogden en daarmee een (soms schadelijke) grilligheid in het beleid rond een kind.

Ook vinden de pleegouders dat gezinsvoogden vaak meer oog hebben voor het belang van de ouders van een pleegkind dan voor het belang van het kind zelf. Gezinsvoogden worden daarnaast vaak arrogant genoemd.”

 

Waar pleegouders denken dat de gezinsvoogden meer oog voor ouders hebben, blijkt dat zeker niet uit de grote roep om ‘diagnostieke waarheidsvinding’ vanuit de zijde der ouders en deskundigen,  het achterhalen van de werkelijke problemen en oorzaken en het bepalen van medisch het meest optimale hulptraject.

 

De irrealiteitszin van dit pleegonderzoek:

 

Wat Van den Bergh dus concludeert over de biologische ouders, die voorop zouden staan, is zeker niet reëel.

 

De gezinsvoogdij houdt 'kindobjecten' in eigen beheer:

De ouders èn het kind worden genegeerd waar degelijk metend onderzoek door open onderzoekende ‘zwaargewichten’  gewezen is, en vaak onderkend wordt als vraag van ouders in het belang van de ontvankelijke opgroeiende(n).

Ouders krijgen vaak geen inspraak in welke onderzoeksvragen gesteld gaan worden aan de deskundige, en uit dossieronderzoek blijkt dat de onderzoeksgegevens vanuit de gezinsvoogdij beperkend en gesloten gesteld worden, sturend naar wat de niet-medische gezinsvoogd wenst.

De jeugdrechter kijkt daar niet naar, ondanks adviezen in literatuur.

 

Pleegouders worden ook misleid door gezinsvoogden:

Het feit dat pleegouders dènken dat de ouders voorop staan, zal afhangen van de informatie die de gezinsvoogd doorspeelt; deze ‘jeugdzorg’-informatie mag dus, afgemeten aan de praktijk, vaak als een bespelende insinuatie benoemd worden. De ouders zelf noemen het 'leugens'. 

 

Schadelijk verloop van (gezins)voogden:

Waar er een groot verloop is aan (gezins)voogden en dit merkbaar nogal eens schadelijk effect heeft op het pleegkind, wordt wéér bewezen dat deze vorm van kinderen wegzetten, waar de ouders hulp en ondersteuning op zwaargewichtenniveau hadden kunnen krijgen, een zeer risicovolle maatregel is dat degelijker dient te worden gemeten en afgewogen ten opzichte van orthopedagogische alternatieven.

 

Beweringen van gezinsvoogden in juridisch proces (en dàt is OTS en erger) zouden nimmer leidend mogen zijn.

Jeugdrechters kunnen meten, indien ze er naar de juiste stukken vragen:

 

Op http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wat-rechters-niet-willen-weten-meten/ en zelfs al eerder, in 2012 in het juridische maandblad FJR, op http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/fjr-2012-95-over-hechting/ stonden adviezen aan jeugdrechters om concreter te meten.

 

Vaak hebben de ouders geen deskundige gezien of gehoord, die hen urgent de vermoedelijk-nodige kennis heeft bijgebracht met valide voorlichting en bruikbare tips om de mogelijk juist onderkende zorgen het hoofd te bieden.

 

Nagenoeg altijd ontbreken diagnostieke interactie-onderzoeken als nulmeting, dewelke nodig zouden moeten zijn om de voortgang onder overheidsdwang te controleren en volgen. Op het niveau van beroepsregistratie BIG, met artsen-beëdiging.

 

De gezinsvoogdij en Raad voor de Kinderbescherming tonen nimmer hard aan dat deze zorg door een specialist verstrekt is geweest wanneer BW1:255 (voorheen 1:254) werd ingezet om een (spoed)machtiging, vaak slechts per fax, aan te vragen.        De meest gebruikte wetten vindt men op:

http://jeugdbescherming.jimdo.com/tips-en-andere-brieven/wetgeving-en-regels/ .

 

De jeugdrechter moet maar geloven. En toekennen omdat er niet te meten valt door de rechter.

 

Eenzijdig geloof zou geen ‘zorg’ genoemd mogen worden.

 

Zeker niet nu weer is aangetoond dat de pleegzorg onder (gezins)voogdij nog meer risico’s kent dan eerder onderkend door wetenschappers.

 

Gezinsvoogden presteren het om waar het Hof (hogere rechters) heeft bepaalt dat het kind terug naar huis moet, de boze gezinsvoogd per fax bij de gewone rechtbank een spoed-uithuisplaatsing aanvraagt, en ondanks Rv 800 lid 3 deze machtiging ook krijgt.

Dit mag sabotage van de rechtsgang genoemd worden, maar erger, het is eveneens een vorm van (institutionele) kindermishandeling, mede gezien de bevindingen van Joseph J. Doyle jr in 2007 en Ursula Gresser in 2016.

'Kinderen met een bepaalt probleem zijn beter af thuis mèt passende hulptraject dan weggezet in pleegsettingen.'

'De reguliere jeugdzorg matcht de kennis niet bij de case'.

Dit zijn vaker gehoorde constateringen uit het onafhankelijke wetenschappelijke milieu.

En daar behoort Weterings en Van den Bergh m.i. niet bij.

 

(De gegeven links wijzen naar meer wetenschap ter onderbouwing.)

 

“De onderzoekers van Van der Bergh’s onderzoek doen de jeugdhulpverleningsinstanties een aantal aanbevelingen:

 

·                                 Betere ondersteuning van de pleegouders, gericht op adequaat omgaan met gedragsproblemen. {Eerlijker ondersteuning en snelle terugplaatsing zou beter zijn}.

 

·                                 Een meer dienstbare houding van gezinsvoogden. {Het in eigen beheer nemen en houden van een weggeplaatst kind is risicovol}.

 

·                                 Gezinsvoogden moeten verantwoording afleggen of hun beslissingen genomen worden in het ontwikkelingsbelang van het kind. {Naast beëdiging ook bewijzen dat er een valide nul- en vervolgmeting is gedaan op schriftelijke ópen onderzoeksvragen en -gegevens en de diagnostische rapporten}.

 

·                                 Kwaliteitsverbetering bij de jeugdhulpverleners, onder andere door verplichte nascholing en een registratietraject. {Dat kan niet omdat jeugdzorgwerkers niet nog eens een artsenopleiding van jaren kunnen doen}.

 

·                                 De juridische positie van de pleegouders verbeteren door hen als procespartij aan te merken. {Dit zeker niet omdat dit gebruikt zou worden om kinderen nog minder vaak terug te plaatsen naar thuis, wat een groot belang van de opgroeiende is}.

 

·                                 Doorlichten van de organisatie van jeugdhulpverlening met het oog op efficiëntie en kortere lijnen. De tijd is hier rijp voor gezien de politieke beslissing om de jeugdhulpverlening over te hevelen van de provincie naar de gemeenten.” {Waar sociaal werksters met slechts een SKJ-beroepsregistratie gaan bepalen wat de rechter moet goedvinden, en er gedecentraliseerd wordt om de nodige diagnostische kennis te verwateren, is dat voorwaar geen goed plan; en dat bleek oom met het oplopen van wachtlijsten na 2015 en de fikse kosten aan formuliertjesbureaucratie waaraan specialisten en therapeuten ten onder gaan}.

 

De publicatie van Van der Bergh is weer reclame voor een hardere pleegzorg.

De aanbevelingen snijden geen hout.

Het ontneemt de kinderen en hun gezin  het (kinder)recht tot onderzoek en hulp naar thuisplaatsing, waar ouders vaak de hulp naar BW1:262 lid 1 ontberen dankzij de negatie van de gezinsvoogdij, en er niet gewerkt wordt naar lid 3, de kind-ouderband en familiebanden, dewelke belangrijk zijn voor de identiteitsfase van de opgroeiende.

 

Gezinsvoogden hebben een diploma gelijkwaardig aan sociaal/maatschappelijk werk, en zijn niet diagnostisch of orthopedagogisch.

 

En dat kunnen ze ook niet bereiken met enige maanden een cursusje om voor doktertje te spelen en jeugdrechters te misleiden met hun beweringen, waarover opvallend veel geklaagd wordt.

 

Hoeveel van de inzet van de jeugdbescherming is ‘evidence based’?

Prof.dr. Femmie Juffer wees daar al op achter het bovenstaande artikel in FJR 2012/95, en alle B&W’s zijn er in 2013 op gewezen die deskundigheid in te kopen in plaats van ‘jeugdzorg’-niveau.  {De brief aan B&W  staat op de Home-pagina van http://jeugdbescherming.jimdo.com/ }.

 

 Professor Femmie Juffer besluit FJR 2012/96 met :
“Laten we de inzichten uit recent gehechtheidsonderzoek benutten voor de
'jeugdzorg' en de rechtspraak en gehechtheidsproblemen bij kinderen vooral
evidence-based benaderen.”