[Onderzoekers van VU pleiten voor experimenten met andere aanpak en bijscholing van gezinsvoogden]:

 

 

Situatie na twee jaren OTS: 28%

 

 

beter maar 33 procent slechter.

 

 

De gezinsvoogdij moet worden bijgeschoold {als dat zou kunnen een medische artsenopleiding van jaren}  en ze moet de hùlp aan ouders èn kind (diagnostisch)  beter afstemmen met de jeugd-zorg. Die aanbevelingen doen de vier onderzoekers die hebben ontdekt dat na twee jaar contacten met een gezinsvoogd meer ondertoezichtgestelde jongeren er slechter op zijn komen te staan, dan dat er op vooruit zijn gegaan.

 

Uit Perspectief nr.1, Ger Dullens, feb.2002  

 

Met 28% van de jongeren die onder toezicht zijn gesteld {OTS, waarvan ca. de helft ook uithuisgeplaatst, UHP} gaat het na twee jaren gezinsvoogdij beter. Maar met 33% gaat het slechter, en voor de resterende 38% is de situatie beter noch slechter geworden {nog afgezien van de gevolgschade die ontstaat door de OTS en UHP}.

Dus 72% verbetert niet onder twee jaren OTS!

 

De jeugdigen met de zwaarste problemen lijken het meeste baat te hebben bij een ondertoezichtstelling. Evenals jongeren met ten minste één niet-Nederlandse ouder.

 

909 ZORGPUNTEN in 103 DOSSIERS

 

Onderzoekers van de afdeling orthopedagogiek van de Vrije Universiteit in Amsterdam hebben dat onder leiding van prof.dr. Wim Slot vastgesteld na het doorploegen van 103 dossiers, waarin ze 909 zogeheten zorgpunten vonden.

 

De dossiers waren afkomstig van de Bureaus Jeugdzorg (BJz, tegenwoordig G.I.) rond Rotterdam, Arnhem en Amsterdam.

 

Het was  de bedoeling ook een niet in een grote stad gevestigde instelling bij het wetenschappelijk onderzoek te betrekken, maar dat is niet gelukt, zodat – zoals de onderzoekers zelf signaleren – de grootstedelijke problematiek oververtegenwoordigd is. {Echte wetenschappers houden rekening met variabelen die van invloed kunnen zijn, en dat is goed}. Maar tussen Arnhem en de twee grootstedelijke instellingen uit de Randstad vonden zij geen verschillen in problematiek.

 

        OPZET van WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK:

 

Bij de opzet van het onderzoek was al gebleken dat veel dossiers niet compleet waren. Als er niet meer dan één rapport ontbrak, legden de onderzoekers die gevallen toch maar niet terzijde. Ook was de begeleiding door de gezinsvoogd vaak zo traag op gang gekomen dat er na een jaar nog geen resultaten te meten vielen.

{Dat betekent dat het ontwikkelingsbelang van het kind, waarom het de OTS verkreeg [BW1:254, sinds 2015: 1:255], kennelijk geen prioriteit heeft bij de gezinsvoogd, vaak slechts een sociaal werkster.

Een diagnose laten vaststellen kan binnen drie maanden,  en dan krijgt het gezin en de gezinsvoogd ook nog een diagnostisch rapport met een hoogwaardig vastgesteld hulpverleningsplan. Een jaar OTS-prutswerk is inspanningsverzuim door de gezinsvoogd als zaak-coördinator namens de overheid}.

 

Van bijna tweederde van de jeugdigen was minstens één ouder niet in Nederland geboren. Een aantal van hen bleek het Nederlands nauwelijks te beheersen. De gezinsvoogden rapporteerden in één op de zes gevallen ook communicatieproblemen.

 

HULP NIET GESTART

 

Over de hulp die al was verleend voorafgaand aan de OTS gaven de dossiers ONVOLDOENDE uitsluitsel. Wel kon een tabel worden gemaakt van de hulp die met het Hulpverleningsplan (Plan van Aanpak, PvA) was beoogd.

 

In één op de drie gevallen bleek die hulp niet op gang te zijn gekomen, meestal door gebrek aan motivatie  van betrokken [ouders en/of gezinsvoogd] en verschillen van inzicht over de indicatiestelling {de gezinsvoogdij diagnosticeert níét}  tussen de gezinsvoogd en hulpverlenende instelling.  

 

Wachtlijstproblemen kwamen de onderzoekers hier weinig tegen {begin deze eeuw}.

De gezinsvoogden noemen in door de onderzoekers afgenomen interviews de wachtlijstproblematiek wel {of verschuilen zich daarachter}.

 

De beschikbare contacttijd beschouwen de gezinsvoogden als ontoereikend {terwijl ze de diagnose – met hulpplan – kunnen uitbesteden aan medische of orthopedagogische specialisten die de cliënt wèl zien en onderzoeken, wat ouders ook graag wilden zien gebeuren}.

 

En de gezinsvoogden willen meer ondersteuning vanuit de eigen instelling en meer tijd voor overleg met collega’s {dus niet diagnostisch uitbesteden}.

 

Uit de vraaggesprekken zowel als uit de dossiers bleek dat gezinsvoogden zich voornamelijk op de opvoeders lijken te richten {terwijl er ontwikkelingsproblemen waren beweert bij de OTS-zitting}.

 

Zij zien de ondertoezichtgestelde kinderen weinig, ook als bij die jeugdigen het aantal zorgpunten toeneemt {Inspanningsverzuim? BW1:262 lid 1 en 3 voornamelijk worden 'vergeten'.}.

 

            TE VEEL NAAR SPECIAAL ONDERWIJS 

 

Verreweg de meeste jeugdigen die onder toezicht waren geplaatst, hadden ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt {volgens de jeugdzorgwerkers}, zoals dood van gezinslid, verwaarlozing of seksueel misbruik. Een onevenredig deel (ongeveer acht keer zoveel als gemiddeld in Nederland) bezocht het speciaal onderwijs, hoewel nauwelijks meer dan een evenredig deel van de kinderen met beperking van verstandelijke vermogens te maken had.  De onderzoekers vragen zich af of een deel van de kinderen {door de gezinsvoogdij ‘gemedicaliseerd’} niet ten onrechte bij het speciaal onderwijs is terechtgekomen, omdat de problemen thuis hun schoolprestaties nadelig zouden hebben beïnvloed.

 

Jeugdigen wonen gedurende de OTS steeds minder thuis, zonder dat een aannemelijk aantal tijdens de OTS op eigen benen is gezet. {Vandaar de oververtegenwoordiging van uitkeringstrekkende jongeren, na hun 18+, die uit de ‘jeugdzorg’ komen. Dus kennelijk een gebrek aan diagnostieke hulptrajecten om de ‘bedreiging’ te verhelpen.}.

 

Ruim éénderde deel van de jongeren verhuist tijdens de OTS meer dan twee keer {terwijl overplaatsen contraïndiactief is}.

 

Tegelijkertijd krijgen ze in die periode [minimaal] twee tot drie keer een andere gezinsvoogd. Stafmedewerkers van de RvdK en kinderrechters legden in interviews een verband tussen de grote doorstroom van gezinsvoogden als onvoldoende gekwalificeerde kwaliteit van het werk van de gezinsvoogdij (G.I.).

 

VAGE DOELEN

 

De opdracht voor het onderzoek kwam van het Ministerie van Justitie, dat wilde weten hoe gezinsvoogden doelen vaststellen voor hun begeleiding [naar de gezinnen] en in hoeverre ze die weten te bereiken. Maar al snel bleek dat de gezinsvoogden de doelen erg algemeen formuleren {niet concreet opdat ouders er niet aan kunnen voldoen}, zodat die weinig houvast bieden {aan ouders onder OTS}.

 

De opgeschreven doelen betreffen lang niet altijd het kind zelf en geven niet aan welke uitkomst wordt beoogd {wat ouders – concreet – wel nodig hebben om aan te werken door kennisvergaring en aanpassingen maken, en om de vooruitgang te laten meten door een specialist, om tot opheffing van OTS en UHP te komen.}.

 

Die vaagheid – “een groot manco”, zegt het rapport – bleken gezinsvoogden soms bewust toe te passen omdat zij bang zijn voor negatieve reacties van het gezin als zij het beestje bij de naam zouden noemen {al geeft dat rechtsonzekerheid; en staat dat het terugplaatsen in de weg}. Maar de onderzoekers waarschuwen dat onduidelijke doelen de communicatie met het gezin en de jeugdige {en wat te denken van de jeugdrechter?} juist bemoeilijken.

 

“Stress en onzekerheid bij ouders en de jeugdigen blijven langer voortduren als men niet weet waarop de gezinsvoogd aankoerst. Vage doelen zijn MOEILIJK TOETSBAAR en bedreigen daarmee de rechtszekerheid voor ouder en kind.” – aldus het rapport.

 

Hoewel de cijfers  voor een derde deel van de onderzochte ondertoezichtgestelden verslechtering van de situatie laten zien (en daarnaast 38% dat niet verbetering geeft, tezamen 72%), leidt het onderzoeksteam uit de verbetering die bij 28% wordt geboekt af dat de maatregel aan bepaalde categorie jeugdigen en gezinnen wel wat te bieden heeft.

 

Waarom het bij hen wel lukt en bij zoveel anderen niet, willen de wetenschappers van de Vrije Universiteit gaan uitzoeken met een nieuw onderzoek {wat opvallend niet mocht}.

 

Daarin willen ze ook betrekken experimenten met een andere aanpak, en – zoals ze schrijven met een knipoog naar de dissertatie van Mariëlle Bruning die elders in dat nummer van Perspectief wordt geïnterviewd – “wellicht met nieuwe benaderingen op het juridische vlak”.

 

Onderstaande tabel is uit het rapport '909 zorgen' afkomstig, dat ook in Perspectief stond.