Wetenschappelijk Symposium over Hechting

 

en Hechtingsproblematieken:

Symposium Eindhoven, 2010

Voorwoord -

 

De mensen druppelden langzaam en soms door het onstuimig herfstverkeer aan de late kant binnen. Zo had ik tijd om bijvoorbeeld voor aanvang met een GGZ-psychologe te spreken, die op mijn vraag vertelde dat zij weinig doorverwijzingen kregen vanuit de bureaus jeugdzorg (BJz, de huidige G.I. Jeugdbescherming of ‘[Samen] Veilig Thuis’, WSG, SGJ, LdHeils of Intervence). De samenwerking en doorstroming naar diagnostiek bleek niet vanzelfsprekend te zijn. Of de onderzoeks­vragen waren sturend en gesloten.[1] Mijn ervaring is dat het wel lijkt of de werkgele­genheid van 'BJz' vòòr het totale belang van het kind gaat. Ouders en kinderen werden na onderzoek van contactjournaals en hun e-mailverkeer tegen elkaar opgezet, vals geïn­formeerd, naar de rechter beschuldigd van iets wat duidelijk heel wat anders betrof, en zo voort.

 

Voorbeeld -

 

Een voorbeeld: ouders vroegen de gedragsdeskundige, die in opdracht van BJz een diagnose zou hebben gesteld, zwart op wit met welke diagnostische instrumenten (tests) hun kind was onderzocht. Die brief kreeg de gezinsvoogd onder ogen. De betreffende jongere, met een vermoeden van onveilige hechting, had al toestemming gegeven dat de ouders mochten informeren, al betrof het niet eens iets privacy-gevoeligs. Het ging de ouders om het bewaken van de zorg[2]. De ouders waren van die toestemming niet op de hoogte gesteld. De ouders kregen een brief van de gezinsvoogd dat de ‘behandeling’ meteen was stopgezet omdat de ouders ‘de behandeling zouden hebben verboden’. Naar tests vragen is geen behandeling verbieden, maar zo werd het wel aan de jongere verteld door de gezinsvoogd en de rechter wist niet beter dan dat. Er kon geen misverstand aan deze basis liggen. Dit is puur kind en ouders tegen elkaar uitspelen, want de brieven van de ouders waren zeer helder gemotiveerd en vooraf gecontroleerd door hun deskundig vertrouwenspersoon.

 

Voorbeeld -

 

Een ander geval van de jeugdzorgmentaliteit bleek uit een AMHK-melding, het huidige ‘Veilig Thuis-’ of Jeugdbescherming- meldpunt. Er heeft iemand een melding gedaan over jouw gezin met verdenking van kindermis­handeling. Een moeder werd slechtziend en heeft uiteraard hulp nodig bij haar kinderen. Die kan ze zelf regelen, maar BJz komt met een suggestieve, ongegrond-verklaarde, al lang verjaarde, oude valse melding van een lagere school om zo moeder te dwingen in gesprek te gaan met BJz of de Raad voor de Kinderbescherming om een OTS (ondertoezichtstelling) te accepteren. Advies: Ga dan nooit in gesprek, en geef enkel kort op schrift dat je zelf hulp hebt.[3] Je wilt beter ‘hulp’ dan jeugdhulp; de huisarts kan immers naar een specialist verwijzen voor een onafhankelijke diagnostisch rapport, eventueel in verweer tegen de inzet van BJZ. Dit werd deze moeder net op tijd geadviseerd. {Per deel staan er noten onder:}

[2] Naar Burgerlijk Wetboek 1:247, over het wettelijk inhoudelijk ouderschap: http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/artikel247

[3] http://www.stichtingkog.info/pages/publicaties.php : De Jungle van

  de Jeugdzorg. Met tips.

 

Verslag -

In dit verslag komt naar voren dat kennis rond hechtingsstoornissen, en in de meeste gevallen gaat het slechts om enige mate van Onveilige Gehechtheid, belangrijk, maar nog beperkt aanwezig is (in de ‘zorg voor jeugd’).

En dat kinderen niet geholpen zijn met een wig tussen ouders en kind onder een OTS (ondertoezichtstelling[1]), en vaak daarna een uithuisplaatsing ondergaan door G.I./BJz.

 

Giel Vaessen (http://www.wervelkind.nl/auteur.htm) heeft als groepsleider, systeemtherapeut en coördinator in de infantpsychiatrie en een school gewerkt, en heeft zoveel ervaring opgedaan, dat hij op spontane en plastische wijze zijn ervaringen deelt met schoolwerkers om uit de onkunde daar te geraken, en nu met ons. Hij vergeleek  jeugdzorgwerkers met ziekenhuisverplegers, zonder opleiding, die op de chirurgie worden gezet aan een patiënt, en er wordt hen gezegd: ‘zoek het maar uit’. Diagnose komt van daartoe gestudeerden, specialisten. (We zien dat anno 2014 de jeugdzorgwerkers geneigd zijn zich ‘jeugdzorgspecialist’ of 'professional' te noemen, zonder diagnostische bevoegdheid. Een medisch specialist bereikt men via de huisarts, in de echte gezòndheidszorg, bij orthopedagogie of jeugdpsychiatrie/-psychologie.) 

 

Met een voorbeeld maakte hij enthousiasmerend herkenbaar dat sommige kinderen wel intensief achter het behang te plakken waren, zo’n gevoel wekken ze op door hun uitspelend of onaantastbaar gedrag. Instemmende geluiden in de zaal. En hij vertelde hoe dat gevoel kon komen.[2]

 

Een kind ontwikkelt gewoonlijk een basisver­trouwen ('Basic trust', niet te verwarren met de goede orthopedagogen van BasicTrust.com)  door de sensitieve houding van de opvoeders, de ouders veelal. Dit is een gevoel, waarbij je, als kind, bij behoeftes (ook bij nood en pijn) gehoord wordt, telkens een veilige haven vindt.

 

De ontwikkeling is als een kringloop aan activiteit: het kindje ontvangt een prikkel [zintuigen], dat wordt verwerkt in de nog kleine hersentjes, en er komt een gedrag [motoriek] uit, waarop kan worden gereageerd als een volgende prikkel naar het kindje. Huilt het in de wieg en lijkt het dat het ’t koud heeft, dan doet de opvoeder het dekentje weer over de kleine; blijft het huilen, dan wordt het opgetild tot het bijv. een boertje heeft gelaten, en als dan ook dit nog eens wordt benoemd met “goed zo, moest je een boertje laten!”, kan het weer gerustgesteld in het bedje gelegd worden.

 

Kort wordt benoemd de bij Stichting De Knoop al vaak besproken hechtingssoorten: veilige hechting, angstig vermijdend, angstig ambiva­lent en angstig gedesoriënteerd. (Later zien we dat dit door anderen weer anders wordt hernoemd: vermijdend wordt dan of Hechtingsgestoord, of gereserveerde gehechtheidrepresentatie; ambivalent wordt dan of Relationeel-gestoord, of gepreoccupeerde gehechtheidrepresentatie. Daarnaast zijn er diverse oorzaken die verschillen, genoemd in juridisch maandblad FJR2012/95. Ook wordt gebezigd Primaire en Secundaire Fundamentele Relatiestoornis.  De gedesoriënteerde gehechtheid is apart te onderscheiden. De definities dekken elkaar niet geheel.)

 

Bij Ambivalentie meet men de reactie van het jonge kind op een korte terugtrekking van de opvoeder uit de spelkamer, waar het kind angst toont, en bij terugkomst een negerend of juist klamp-gedrag te zien is; het lijkt een allemansvriend, maar kan ook zeer opposiet zijn. Bij Vermijdende gehechtheid laat het kind uitwendig niets zien aan reactie, onnatuurlijke rust, maar kan men weldegelijk een verhoogd cortisolgehalte meten. Bij Gedesoriënteerde hechting is er geen pijl op te trekken.

 

Angstig vermijdende stoornis veroorzaakt een gereserveerde hechtingsrepresentatie, en angstig ambivalent een gepréoccupeerde representatie. Bij veilige hechting kunnen kinderen vrijuit uit herinneringen vertellen; bij vermijdend wordt gereserveerd verteld, terughoudend en wordt het éen en ander weggedrukt; en bij ambivalentie wordt veel verzonnen.

 

Ook kwam ter sprake (ik zou bijna zeggen, helaas,) dat uit onderzoek bleek dat de herinnering van de opvoeders betreffende de mate van hun eigen hechting een represen­terende rol speelt in de hechting van het kind. We spreken hier van inter-generatieve overdracht, wat natuurlijk niet altijd geldt. Uit deze onderzoeken (IJzendoorn) bleek dat bij grofweg driekwart van de ouders van een hechtingsgestoord kind er een mate van onveilige hechtingsherinnering bij de ouder aan de basis ligt. De vraag is derhalve gesteld of in deze cijfers ook meegenomen zijn de gezinnen met een autonoom hechtingsgestoord kind, dus met een prenatale of genetische oorzaak, en adoptiegezinnen,[3] waar de oorsprong van reactieve stoornis in het land van herkomst ligt; dit is in de ‘jeugdzorg’ van belang omdat deze ouders over één kam geschoren worden met ouders die oorzaak zijn; ‘het is immers intergeneratief?’ moge niet steekhoudend zijn. (Het antwoord ligt in het bestuderen van o.a. de literatuur van wetenschappers, maar dat doet BJZ niet![4])

 

Omdat een hechtingsstoornis (ik gebruik onveilige hechting en hechtingsstoornis door elkaar, wat wetenschappelijk onjuist is, maar jeugdzorgwerkers doen het zo naar de rechter) geen bodemloze put behoeft te zijn, zo bleek uit onderzoek[5], en er verschillende therapieën als werkzaam bekend zijn, moet men als ouders leergierig zijn (ja, hoe moeilijk ook, ook als men zijn draagkrachtsgrenzen heeft bereikt) en gespecialiseerde hulp zoeken (a.u.b. buiten bureaus jeugdzorg of Jeugdbescherming/ CJG/Samen Veilig om!).

 

Men moet uit de homeostase komen van dagelijkse, welhaast geconditioneerde handelingen en reacties in het gezin.

‘Uit de homeostase komen’ betekent dat men via tips van de therapeut de pieken en dalen (bij ambivalentie) in het leefpatroon leert vermijden, of (bij vermijdend gedrag) van het vlak verloop afspringt en wat kleine piekjes veroorzaakt.

 

Daar is wel wat nieuwsgierigheid van de ouders voor nodig, omdat de meeste therapieën via de ouders werken, ten minste tot zo’n 9 à 12 jaar. Ook voor oudere kinderen en volwassenen zijn er mogelijkheden, zoals we gaan zien.

Uitdrukkelijk werd genoemd dat de G.I.'s, de bureaus jeugdzorg (BJz), met DDC kort werk (zouden kunnen) leveren, en bij een hechtingsstoornis men juist moet rekenen op een langere therapie tot wel grofweg zo’n 2 jaar, en met onderhoudssessies. BJZ is een contra-indicatie – BJZ werkt tegen gehechtheidsbehandelingen in!

 

Na deze flamboyant gebrachte bijdrage komt een oude bekende van het inmiddels ter ziele gegane Kenniscentrum over hechtingsstoornissen Stichting De Knoop aan het woord.

[1] Burgerlijk Wetboek 1:255-nieuw lid 1 ; http://www.peterprinsen.nl/HERZIENINGOTS.htm . Een artikel in juridisch maandblad FJR November 2012, pag. 291–293,  waarschuwt voor onterecht gebruik van het woord ‘hechtingsstoornis’ (een mate van onveilige gehechtheid kan ook), terwijl voldoende bevindingen wijzen op de noodzaak om de doorgang tot dwangzorg te bewaken middels open toegesneden diagnostieke trajecten (door ‘zwaargewichten’):  https://www.dropbox.com/s/pphc79m5m57vvhx/Wetenschappelijke%20citaten%20UHP%20vs%20diagnos.pdf?dl=0 .

[2]  Personen met onveilige gehechtheid, waaronder hechtingsge­stoor­den (5%), kunnen zichzelf beschermen door manipulatief gedrag. Bij kinderen belast dat de ouders en de therapeut. Een invoelend voorbeeld in:

https://www.dropbox.com/s/omjhm0rehz9sk2h/Stress-schade%20door%20UHP.pdf?dl=0 .Men moge Gresser en Weinberger als wetenschappers kennen m.b.t. het 'wegplaatsen, weg van ouders.

www.BasicTrust.com is gespecialiseerd in onveilige gehechtheid. Ook in bovengenoemd FJR 2012 staan therapeuten.

[4]  Wetenschappers vonden dat kinderen beter af zijn thuis met passende hulpverlening dan uithuisgeplaatst: Doyle, Gresser, Weinberger ! Diagnose blijft nodig! Passende therapie daarop ook.

[5] Zie ook research memorandum 6, 2010, van prof. Femmie Juffer, www.rechtspraak.nl, dat wel/ook ‘enkel intergeneratief als oorzaak’ noemt als advisering naar de Expertgroep Jeugdrechters, helaas. Betere uitleg in FJR 2012/95.

 

Ger de Lange (http://www.hechting.eu/)  noemt hechtingsstoornissen liever Fundamentele RelatiegeStoordheid of Fundamentele Relatie-Stoornis (FRS).

 

Hij snijdt de rol van de leeftijden bij hechting aan.

In die “hersentjes” van de vorige spreker, in het IK, het existentieel centrum, wordt het zelfbeeld opgebouwd. Nodig zijn bevrediging van behoeften, welhaast onbewust, en de reac­tiemate van de wereld. Betrokkenheid van opvoeders, de ervaring van wederkerigheid in het kind, zorgt voor fundamentele groei. Het antwoord van de ‘wereld’, dat buiten het IK, dient daarbij aan te sluiten.    

 

Dus wederkerige betrokkenheid. De behoeften van het kind en de antwoorden van de wereld moeten als het goed is, op elkaar aansluiten. Zo lijkt het dat het kind zijn behoeften in de hand kan houden. De Lange werkt met het begrip beheerspatronen. Hier ontstaat een evenwicht in geven en nemen, eigen normen en waarden.

 

Zoals we zagen tijdens de lezing van Rien Verdult bij De Knoop in Amersfoort[1], begint hechten al in de foetale fase, de invloeden van voedsel, alcohol, drugs en medicijnen, maar ook de geluiden en ’t gevoel van de moeder dat haar hormonen beïnvloedt, en dus die van de prenatale baby. Ook de geboorte heeft z’n invloed.

 

Voor de groei van het existentiële IK is het gevoel er te mogen zijn van belang. Dit zien we bij adolescente geadopteerden, maar het begint al bij de baby. De baby ervaart wederkerigheid, meest vanuit de lichamelijke veiligheid, en leert zo lichamelijke beheersingspatronen. Wanneer er vanuit lichamelijk beleefde onveiligheid het gevoel ontstaat van “ik ben waardeloos”, en ook “de wereld is waardeloos”, is het fundamenteel zelf- en wereldbeeld negatief gestructureerd. Het kan dan bijvoorbeeld moeilijk in slaap komen. Of huilt veel.

 

Gezonde grenzen en ruimte zijn nodig voor het veiligheidsgevoel. Bij het beleven van te vage of verkeerd gelegde grenzen, als onveilig, wordt het kind “slaaf van eigen behoeften”; bij onveiligheid door te weinig of te veel ruimte krijgen, wordt het kind slaaf van ‘de wereld’.

 

Het kind kan lijken oppervlakkig te zijn, wat op emotionele ongeborgenheid kan duiden. Het zelfhandhavingspartoon kan daarbij passief zijn; het kind past zich aan zonder innerlijk welbevinden, of is chaotisch, met verzet, wat ook niet gezond is.

 

De kleuter- en het lagereschool-kind met een FRS (fundamentele relatiestoornis) kan zich richten op ‘presteren’ als houvast waarbij de complimenten nooit als echt ervaren worden, of zich verzetten tegen ‘moeten’. Zoals op elke vraag zeggen: “ik kan het niet”, ook als het ’t wel kan. Dit kan verhuld of openlijk blijken.

Dit is meer bij Primaire FRS.

 

Er wordt onderscheid gemaakt met Secundaire FRS, waar het na een eerste aanzet van hechting daarna mis ging. (Bijvoorbeeld waar jeugdzorg een basisschoolkind uithuisplaatst zonder passende therapie.) Dit is sneller op te lossen; de behandeling duurt korter. Bij Secundaire FRS kan het kind in prestatie of houding inzakken en terugvallen op een eerdere fase van beheersingspatroon. Het kan zich op school niet thuis voelen of niet meekomen met andere kinderen, echte vriendjes ontbreken, en wanneer dat niet gesignaleerd, niet begeleid wordt, is de kans op Secundaire FRS.  In ander verband, zo zag ik, wordt dit bij een ouder kind ook wel contactstoornis genoemd.

 

Door zijn andere houding is een kind met FRS veelal niet geliefd en is de kans op uitsluiting reëel, met verdere gevolgen. Het is belangrijk signalen te herkennen en het vinden van een specialist niet uit te stellen. Een kind vanaf ca. 9, maar soms ook 12 jaar, kan zo terugvallen in een lager emotionele fase qua gedrag of ‘onzichtbaar’ zijn.  Zoals bedplassen komt terug.

 

Als werkzame oplossing is zoeken naar een geleide, gelijkgezinde groep jongeren belangrijk, vooral bij jongens. {De behandelinstelling Den Engh is als enige therapeutische oplossing, volgens De Lange, helaas lang geleden wegbezuinigd. Deze behandelmoge­lijkheid is ook nodig voor in delict gerakende puberjongens met een stoornis, die nu in bendes vervallen en scholing mijden}.

 

Gemiste passende aansluiting met jongeren moet spoedig gezocht worden, en de jongere moet uit de homeostase gehaald worden. De opvoeders mogen het accent van ‘benoemen’, wat vaker aan de orde is gekomen in De Knoop, leggen op positieve momenten en mogelijkheden.

Begeleiders moeten de ouders steunen en erkennen. Ook erkennen dat de behandeling met positivisme bijgebracht dient te worden en met verantwoordelijkheid leren.

 

De hulpverlener/therapeut hoeft hierbij eigenlijk het kind niet eens te zien. Hij moge werken via leerbare, nieuwsgierige, zich (hernieuwd) inzettende ouders en op hun ouderlijke informatie hulp bieden, tips geven. Een aandachtspunt mag zijn om naar eerdere beheersingspatronen terug te gaan en deze te herbelevendigen.

 

De sessies mogen zeker niet zo kort als gewoon, tegenwoordig slechts driekwartier, zijn, liever lang, om een goede analyse te maken van het kind. Er moet diep gezocht worden. Dit kan een bureau jeugdzorg zekerlijk niet. Cognitieve relatietherapie wordt afgeraden omdat dit niet het fundament raakt bij deze leeftijden.

Voor echt-gediagnosticeerde  FRS-jongeren is een sociogroepsopvoeding aan te bevelen. Soms al vanaf 9 jaar.

 

Deze interventie duurt relatief lang, rond de twee, eerder drie jaar. Een groep van 15 à 18 jongeren van dezelfde sekse, met aandacht voor plezier en veiligheid zonder competitie kan wederkerigheid in betrokkenheid en verantwoordelijkheid aanleren. De uitdaging moet gericht zijn op het openbloeien, de groei van het IK.

Op een vraag werd de EMDR-therapiemethode voor jongeren (>9j) afgeraden, alhoewel later blijkt dat het afhangt van de mate van de stoornis (A. Thoomes).

 

In de volgende lezing door Wim Meeus zien we in grafieken de bevestiging dat pubers zich meer en meer gaan richten op steun, invloed, van vrienden, en afstand nemen van ouders of opvoeders.

Wim Meeus, hoogleraar bij de Universiteit van Utrecht (http://www.researchgate.net/profile/Wim_Meeus , en literat.: http://books.google.nl/books?id=tTFnPckqAY8C&pg=PA49&lpg=PA49&dq=Prof+Dr+W+Meeus&source=bl&ots=i0LXEnF64p&sig=IpA9kY9IJ1sFSuLE1zwuOPboYJ4&hl=nl&ei=W6TQTNHaI4PpOYzIgcgE&sa=X&oi=book_result&ct=result&resnum=8&ved=0CEAQ6AEwBw#v=onepage&q=Prof%20Dr%20W%20Meeus&f=false ),

belicht de relatie tussen puber-adolescent  met ouders, vrienden en intieme relatie.

 

Uit longitudinaal of duur-onderzoek blijkt dat de steun die de jongere ervaart van zijn ouders afneemt. In figuur 1 zien we dat de ervaren steun tussen ca. 12 en 15 jaar (gemeten) afneemt en de relatie gelijker wordt in de adolescentie.

In die tijd lopen de spanningen van het volwassen worden, de adolescentie, even op om na het 16de jaar weer af te nemen, terwijl de macht van de ouders al die tijd afneemt (fig. 2).

De adolescent wordt meer autonoom. Maar we zien ook een verschuiving. De steun in relaties verschuift naar steun vanuit de vriendengroep en steun van intieme relaties (gemeten: relaties van langer dan 2 maanden) (fig. 3).

Deze wetenschap is inherent aan het advies van De Lange voor sociogroepsopvoeding bij die leeftijd voor fundamenteel relatiegestoorde jongeren.

 

De link[1] verwijst naar een ander interessant artikel over de ont­wikkeling van conflict­oplossingsstijlen bij de adolescent. Onderzoek laat zien dat de positieve oplossingsstijl van conflicten tussen ouders onderling als voorbeeld wordt genomen door de jongere, en deze 3 jaar na het eerste meetpunt zelf  vaak overgenomen heeft in zijn conflict met de ouder(s). Andersom gebeurt niet (dat de ouders van het kind leren problemen op te lossen). In de loop van de pubertijd wordt dit overgenomen qua stijl in conflictoplossing naar vrienden, wat vooral te zien was tussen het 12de en 16de jaar. De steun hierbij zien we weer van de ouders verschuiven naar die van vrienden. De intieme partner van de adolescent heeft bovenal invloed. De steun van een intieme partner speelt een opmerkelijke rol bij delinquentieneiging. Wanneer er geen partner is, blijven de ouders gewoonlijk een rol spelen. Opmerkelijk was dat deze rol bij laat-adolescenten groter was.

 

Al met al blijkt dat het voorbeeld van de ouders een belangrijke rol speelt in het conflict­oplossend vermogen van de jongere, en er bestaat vandaag de dag gelukkig veel literatuur over moderne inzichten hoe conflicten op te lossen; dat is wel handig.

 

Kijken we naar het welbevinden. Bij een schoolkind is het welbevinden nog gerelateerd aan de steun van de ouders. Dat neemt van 12 tot ca. 22 jaar geleidelijk af, waarna het verband tussen steun en welbevinden op een laag pitje komt te staan; gemeten van 12 tot ca. 28 jaar (fig. 4).

 

Bij dit onderzoek zijn ook de blijvende effecten door een echtscheiding meegenomen: externaliseren. Het externaliseren loopt bij jongeren op van 12 tot ca. 19 jaar, en zakt na ca. het 23e jaar weer wat af. De mate van externaliseren is hoger na scheidingser­va­ringen dan in intacte gezinnen. Daarnaast bleek dat meisjes in mindere mate externaliseren dan jongens.

 

Toch bleven effecten te vinden in hun twintiger jaren wanneer de jongeren een scheiding van diens ouders hebben meegemaakt.

De adolescenten nemen dus veelal zowel de stijl van steun als van conflictoplossend vermogen over van ouders en projecteren dit in de vriendenkring.

Kort (vanwege de tijd) werd ingegaan op de hechting.

Bij een verstoorde hechting wordt waarschijn­lijk (hypothetisch) door de hele pubertijd de steun van ouders niet erg ervaren of beleefd, zodat hier geen afname te zien zal zijn. Zo zal ook de gevoelde macht der ouders veelal gelijk blijven (hypothetisch).

De belangrijke mechanismen hier zijn verwerpingsangst en continu testen van de omgeving (de buitenwereld, waarin de ouders).

 

Anniek Thoomes-Vreugdenhil (www.hechtingsproblemen.nl/behandelvormen) is na haar praktijk, waarin ze therapieën ontwikkelde voor diverse stoornissen, opleider en supervisor voor therapeuten (zie haar site bij Therapeuten).

Op haar website beschrijft ze o.a. haar drie behandelwijzen. Door haar waarneming bleken er twee duidelijke groepen van hechtings­gestoorde kinderen te zijn. De uitgebluste, vermijdende kinderen, die zij Hechtingsgestoord noemt, en de ambivalente, vlinderachtige kinderen, die zij Relationeel-gestoord noemt.

Ze noemt de dreiging dat de ‘jeugdzorg’ het begrip hechtingsstoornis als een vergaarpotje gaat beschouwen, zonder de weg te weten.

De drie door haar ontwikkelde therapieën zijn:[1]

A. Differentiatietherapie, dat voornamelijk geschikt is voor hechtingsgestoorde kinderen tot rond de 9 à 12 jaar;

B.  Fasetherapie, voornamelijk voor relationeel gestoorde kinderen en adolescenten;

C.  Basistherapie, voor relationeel-gestoorde volwassenen (waarop hier verder niet ingegaan wordt).

 

Gehechtheid is een ontwikkelingsmodel, dus geen statisch gegeven. Het kind is intersubjectiverend. Als baby wordt al de ouder nagedaan, waardoor de interactie van de ouders dan al belangrijk blijkt. Eigenlijk begint het al prenataal. Gehechtheid moet beschouwd worden als een relationeel begrip. Gehechtheid is een bioneurologische eigenschap, de bereidheid zich te hechten, en is zelfs anatomisch te vinden.

 

  Wat kan gedaan worden…

Ze gebruikt het begrip Mentaliseren, het vermogen tot reflectie op de eigen innerlijke wereld en die van anderen;   maar ze waarschuwt dit juist niet te gebruiken bij ernstige mishandeling en misbruik; dan Dysmentalisatie.

 

  Nodig is veiligheid, zelfwaardering en relatiegehechtheid. Vriendschappen, met enige diepte, en intieme relaties zijn ook uiteindelijk belangrijk voor het opgroeiende kind. Dit zagen we al in de ‘steun’-onderzoeken van Meeus. Het kind ondervindt door zijn ontwikkelde sociale vaardigheden wederkerigheid, nabijheid enz., of  anders onvermogen, uitsluiting en eenzaamheid.

 

  Aspecten van de Differentiatietherapie worden geschetst:

Een kind moet onderscheid kunnen maken tussen mensen, en eerst dus tussen zijn opvoeders om aan te hechten. Daarentegen een allemansvriend lijken te zijn, is een bedreiging voor het reguleren van zijn grenzen (en zijn ruimte) en voor de differentiatie tussen zijn ouders. Hechting gaat dus eigenlijk vooraf aan differentiëren.

Het therapeutisch proces wordt met behulp van de ouders gedaan. Het gedrag (homeostase) moet gereguleerd worden.

 

Er wordt op de tong begonnen. Men kan hierbij denken het kind te laten kiezen tussen een groot aantal broodbelegsoorten, waar het kind maar 4 soorten van mag kiezen. Dit vindt plaats in een spelkamer met een winkeltje met allemaal geheimzinnige laatjes en een keuken en tafel, waar gespeeld wordt dat ze gaan koken en tafel dekken. Het kind mag dan de bordjes op tafel verdelen, het beleg verdelen over de twee (of als de ouders gaan meedoen meer) bordjes, waarbij het kind gevraagd wordt of de verdeling eerlijk was. Het mag herschikken. Als daar een evenwicht in gevonden is, gaan ze  proeven, waarbij aandacht gevraagd wordt voor de tekstuur (knapperig, zacht, smeltend, korstje,…), de smaak, het uiterlijk. Door dit te benoemen, wordt hier gedifferentieerd. Wanneer dit lukt en leuk gaat, worden de ouders hierin betrokken, waar het verstandig is als ouders nieuwsgierig zijn in neutrale en lerende zin.

 

Naast de tong onderscheiden we het differentiëren van het gevoel in de handen, de tastzin. Voelboekjes voor de peutertijd met zand, ribkarton, vloeipapier, folie, verf, en andere gekkigheid opgeplakt, zijn zeer geschikt om zelf ook aan differentiatie te doen met het kind.

Differentiëren van geur, van gehoor, van gezichtszin, in spel, van emoties en gevoel komen voorbij.

De ouders worden betrokken in het herspelen.

 

Er wordt naar relatie toegewerkt. Het eten proeven, kan gezellig zijn, met gesprekjes bij het eten. Dit is een kijkje in de differentiatietherapie.

Soms kunnen de therapieën parallel verlopen.

 

   Hierna wordt ingegaan op de Fasetherapie:

Dit kan worden gedaan vanaf ca. 2 jaar tot mogelijk ca. 16 jaar. De probleemgebieden van deze kinderen is het zweven tussen de nabijheid willen voelen, maar er ook angstig voor zijn en het weren. Dit heeft effect op de zelfwaardering.

 

De Nabijheidsvormen worden gekleurd door de verschillende ontwikkelingsfasen van het kind. De baby verkeert nog in de behoefte van lichamelijke geborgenheid. De peuter wil exploreren, en verlangt daarbij terzijde gestaan te worden. Tijdens de lagere-schoolleeftijd komt daarbij rust creëren, evenwicht in tijdsverdeling, en in de puber­/ado­lescen­tiefase wordt daarnaast de bevestiging van geborgenheid vinden in zich zelf van belang (fig. 5).

De ouders moeten dus leren en als het ware co-therapeuten worden (dus in samenwerking met de therapeut en op diens tips). Best interessant.

Dit wordt als eerste voorbereid en aangevangen in de behandelperiode 1:

 

De Psychotherapie wordt aangevangen en de ouders of groepsleiding (liefst de ouders7) wordt voorbereid een nieuwsgierige leer-instelling te moeten kweken voor het navolgende. Wanneer ouders daarvoor aller­gisch/af­kerig zijn, stopt de mogelijkheid van verbeteren in therapie.

 

 Behandelperiode 2 kent de Fasenbehandelingen.

Hier worden alle fasen (fig. 5) doorlopen en herbeleefd. Men moet denken aan voor het slapen gaan tien minuten (max. 12’) knuffelen, lichamelijke nabijheid geven, waarbij bijv. masseren en omhelzen. Wanneer de ouder weerstand voelt in de spieren van het kind, laat die het kind meteen los en benoemt de spanning. Vragen als ‘hoe was het?’, en ‘wat voel je erbij?’ zijn normaal. Zo worden de fasen doorlopen, en van elke dag wordt een verslagje gemaakt, dat elke week wordt ge-emaild naar de therapeut. Dit moet dus met de nodige inzet en aandacht van de ouders. De fasen worden zo herbeleefd. Ook de ouders kunnen zo geconfronteerd worden met herbeleving van eigen jeugd, en dit is iets om alert op te zijn (goed innerlijk voelend waarnemen).

 

Er vinden ook sessies plaats om alles door te spreken en verder te leren als ouder of verzorger. Ook wordt uiteindelijk aandacht geschonken aan de afsluiting van deze fase.

 

 De behandelingsperiode 3 is een vervolgbe­handeling en kent onderhoudssessies, waar de aandacht ligt bij de zelfwaardering en zich ingroeien in het gezin.

De gewone therapie loopt daarnaast parallel door.

Interactie is dus belangrijk.

Een contra-indicatie is een beperkt inzicht of inzet van ouders (diagnosticeer in dat geval!). Ouders moeten zeer consistent helpen de fasen te herbeleven, en niet wisselen in reactie.

 

De Fasetherapie is geen regressietherapie!

De Basistherapie is op de gegeven site te vinden.

 

Mariska Timp is teamondersteuner en coacht collega’s bij hechtingsgestoorde kinderen.

Ze geeft een plastische afsluiting van de dag. Ondanks dat deze kinderen traag vooruitgaan en zo makkelijk als provocerend en uitspelend gevoeld worden, (iets wat een jeugdzorgwerker niet kan onderkennen,) is het een goede zaak te blijven geloven, en positief gehumeurd te zijn, omdat kinderen opvoeders aanvoelen. Wanneer men niet weet hoe te reageren, neem dan een time-out en overleg met andere volwassenen. Benoem[1] empathisch en objectief-neutraal.  Deze kinderen eisen veel.  Maar het is niet uitzichtloos.

 

Een therapeut opperde in een pauze, dat er eigenlijk een onderzoek gedaan moest worden wat er nu met deze kennis gedaan wordt. Mijn idee is om de ‘jeugdzorg’ te vragen hoe ze deze kennis naar hun werkers gaan gebruiken. Doorverwijzen naar specialisten kan veel leed besparen.[2]šœ

[1]  Benoemen, wat neutraler dan complimenteren, is belangrijk: https://www.dropbox.com/s/8qhavky9w6cgx60/Benoemen%20vs%20compliment.pdf?dl=0

[2]  In wezen is er geen jeugdzorg nodig en waar gezinsvoogdij zou moeten bestaan kan deze achter een verbeterde RvdK+ bestaan: https://www.dropbox.com/s/kwtx13vgdb7mglk/Voorwaarden%20aan%20voorstel%20RvdK%2B%202015.pdf?dl=0

 

PS: Nog wat therapieën, die niet door de jeugdzorg doch door de gezondheidszorg verstrekt worden:

Aanvullend kan genoemd worden dat prof. Femmie Juffer de kinderrechters in haar Research Memorandum4, waarop het artikel in FJR 2012/95 volgde, de VIPP-SD, een soort Video-Interactie-Begeleiding, adviseert als een vorm van hechtingstherapie. Deze mogelijkheid wordt bevestigd door drs. E.M. Wensveen-Struis. 

Juffer gaf een beperkt advies dat andere therapieën links laat liggen.

 

Wel noemt ze dat gediagnosticeerd kan worden, met interactieonderzoek met óúders en kind, middels de Emotional Availability Scales (EAS), die enkel afgenomen kunnen worden door speciaal opgeleide waarnemers en diagnost, dus niet bij enige G.I./BJz /wijkteam (jeugdzorg). Dat is een belàngrijk diagnostisch instrument voor beroepsgeregistreerde specialisten, dus kèn immer vooraf de beroepsregistratie en specialisaties van èlke deskundige (dat is ouders plicht in BW1:247 conform kinderrecht IVRK artikel 24 lid 1)! Hoogwaardig is BIG-arts/psychiater, maar ook NVO en NIP.   Vooral niet het SKJ uit het lagere sociaal domein!

 

Een diagnose 'hechtingsprobleem' zonder interactieonderzoek is geen diagnose!

De jeugdzorg schemert met pseudodiagnoses die niet eens in het medisch handboek DSM-5 staan! Dus onderzoek zèlf, ouders!

 

Ook kwamen andere therapieën voorbij die zouden lukken:

 

Prof. dr. C. Schuengel, hoogleraar orthopedagogiek VU, Amsterdam, noemt Integratieve Therapie voor Gehechtheid en Gedrag (ITGG), en

 

Klinisch psychologe drs. F.J.G. Coelman bij De Bascule, Amsterdam, wees op PCIT, de Parent-Child Interaction Therapy.

 

Drs. E. van Daalen, kinderpsychiater, UMC Utrecht, zei in 2008 op een congres in Ede: “In de klinische praktijk van alle dag worden een hechtingsstoornis en gehechtheid vaak niet goed onderscheiden.” 

De sociaal-maatschappelijk werker (dus de indiceerder of gezinsvoogd, gezinsmanager, jeugdbeschermer en vele andere misleidende functienamen) bij G.I./BJz (Jeugdbescherming of ‘Veilig Thuis’) gebruikt voor diens indicatiestelling of hulpverleningsplan veelal enkel de tekst uit DSM IV, om te bepalen of een kind hieraan voldoet.  Jeugdzorgwerkers zijn niet diagnostisch bevoegd!!! Zie het kinderrecht, artikel 24*! (Onder)

 

Er is boven een titel van een boek voor ouders vermeld, dat eigenlijk elke ouder voor hij aan kinderen begint moet lezen: “De Jungle van de Jeugdzorg”.   Het advies is om voorbereid te zijn wat ‘jeugdzorg’ is (ten opzichte van echte gezondheidszorg) en hoe deze werkt.   Het is beter bij een vermoeden naar een specialist te gaan (ín de gezondheidszorg), dan overvallen te worden door jeugdzorgOndertoezichtstelling (OTS) en uithuisplaatsing (UHP)  zijn bij hechtingsproblemen en autisme verre van optimaliserend werkzaam.  Het deel zorg in dit woord ‘jeugdzorg’ is niet die van gezondheids­zorg, waar tuchtrecht de kwaliteit reguleert (BW7:446 e.v.).

Het is aan te raden ook wetenschap tot zich te nemen om te begrijpen en gebruiken.

TjS.                                                                        *:

Nog even een overzichtje   Onveilige Gehechtheid:

 

·         Afwerende gehechtheid. De kinderen kenmerken zich door een sterk hangen aan de verzorger. Zij komen als er behalve de verzorger ook een vreemde in de buurt is nauwelijks tot spelen. Ze zijn meteen van slag en in paniek als de verzorger hem met een vreemde achterlaat en schier ontroostbaar als hij terugkomt. (Ook wel Gereserveerde gehechtheid genoemd).

 

·         Vermijdende gehechtheid. De psychologe Rita Kohnstamm zegt van deze kinderen dat men de indruk krijgt dat zij eigenlijk helemaal niet gehecht zijn. Zij weren afhankelijkheid af en hun gehechtheidsgedrag schijnt bij terugkomst van de verzorger nauwelijks geactiveerd te zijn of te worden. Maar schijn bedriegt: het vermijdende gedrag van deze kinderen camoufleert een heftig geactiveerd gehechtheidssysteem in herénigingssituaties. Deze kinderen tonen alleen geen gehechtheidsgedrag doordat ze verwachten door de verzorger gefrustreerd en teleurgesteld te worden. Ze anticiperen als het ware op een teleurstelling door vermijdend gedrag te vertonen, terwijl ze hunkeren naar warmte en geborgenheid. (Gepreoccupeerd).

 

Veilige gehechtheid. Daarvan is sprake als het kind in staat is in een vreemde omgeving toch op verkenning uit te gaan en onderzoekend gedrag vertoont. Het kind mag daarbij op de verzorger steunen; het weet zich veilig. Het is de verzorger die het kind veiligheid en steun verschaft in de vreemde omgeving. Een belangrijk kenmerk van veilige gehechtheid is ook dat het kind weinig angst heeft als er vreemden in de buurt zijn en als de verzorger even weg is raakt hij niet van streek. Als de verzorger terugkeert, begroet hij de verzorger enthousiast en heeft hij behoefte aan knuffelen, nabijheid en warmte.


     In de jaren tachtig werd door verschillende onderzoekers een restgroep gevonden, waardoor er tegenwoordig vier hechtingsstijlen bij kinderen onderscheiden worden: veilig (secure), vermijdend (avoidant), ambivalent (ambivalent/resistant) en gedesorganiseerd/gedesoriënteerd (disorganised/disoriented).  De derde (‘Onverwerkt’) correspondeert deels met de 'afwerende gehechtheid' van Ainsworth. Kinderen in deze groep vertonen de volgende kenmerk: gelijktijdige toenadering en vermijding van de verzorger. Deze tegenstrijdigheid komt voort uit het gegeven dat de verzorger door het kind tegelijkertijd als bron van veiligheid èn van angst wordt ervaren.

Lees meer op deze site!

 *: