http://www.remembertolive.nl/site/images/PDF/Safety%20First%20-%20prioriteit%20voor%20hechting%20-%20Marnix%20van%20Bruggen%20-%20Publicatieversie.pdf

 

|     {NB: Op deze link zien we hoe Weterings soms kan misleiden bij ondeskundigen,

|              zoals politici en rechters, maar ook een paar positieve uitspraken van haar!}

 

“Safety First –– Prioriteit voor hechting bij beslissingen over (pleeg)kinderen” 

 

Ir. Marnix van Bruggen                              {Met aanvullingen van Tj. Strubbe}

 

Essay geschreven als onderdeel van de Master Psychologie, Masterclass ‘Psychologie van sociaal gedrag’, NCOI.                                  RemenberToLive.nl                                                September 2013.

 

 

 

§2.1.       Uithuisplaatsing en hechting 

 

Een uithuisplaatsing (UHP) wordt als uiterste middel gezien (Belsky, 2010). {In de praktijk wordt UHP gewoon gebruikt om een kind weg te zetten, zelfs zonder diagnostiek als grond. Uit diverse onderzoeken blijkt dat zelfs 75% der kinderen niet gegrond uithuis werd geplaatst! De ouders kregen geen deskundige voorlichting en VIB om te verbeteren. Dat is hen dus al te makkelijk te verwijten maar is niet integer.

Hier wordt vertrouwd op de wetenschap, waaronder de publicaties van Weterings c.s.; die ‘vergat’ eerst de vraag te stellen of de beweerde kind- en gezinsproblemen gediagnosticeerd zijn,  of het gezin daadwerkelijk de juiste door diagnose aangewezen therapie en voorlichting hebben bekomen, en of de dan nog aanwezige ‘bedreiging’ (uit BW1:255) zelf is aangepakt en uit het huis van het kind is weggeplaatst. Er is veelal sprake van twee ouders, en waar er één werkelijk een bedreiging blijft vormen, is deze weg te plaatsen met een huis of plaatsverbod, wat minder belastend is voor het kind, dat, let wel, onder kinderrechten valt, het IVRK, waar we artikel 24 lid 1, mogen beschouwen: "De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op het genot van de grootst mogelijke mate van gezondheid en op voorzieningen voor geneeskundige verzorging en revalidatie. De Staten die partij zijn, streven ernaar te waarborgen dat geen enkel kind zijn recht op toegang tot deze voorzieningen voor gezondheidszorg wordt onthouden." Meningsvorming van het niveau sociaal werk, waar een evt. deskundige in ‘teamverband’ niet zèlf de cliënt heeft gezien en onderzocht en dus niet heeft gediagnosticeerd, voldoet niet aan toegang tot bedoeld niveau van ook psychische gezondheidszorg!

 

Ook artikel 25 vraagt om periodieke herwaardering, ook onder ‘jeugdzorg’.

De onderzoeker mocht er van uitgaan dat diens bronnen geen Sloppy Sciences waren.

 

IVRK: http://www.kinderrechten.nl/professionals/kinderrechten-2/, met linkjes naar de artikelen w.o. 24, 25 en 35 of 36.

De moeilijkheid voor onderzoekers als deze is dat ze niet weten dat niet alle wetenschappelijke publicaties valide zijn. Hun onderzoek is ter goeder trouw. Maar hier wordt het dus aangevuld}.  

 

 

Alhoewel het logisch lijkt dat een dergelijk ingrijpende maatregel als het uithuisplaatsen zo min mogelijk wordt ingezet, blijkt uit onderzoek van ongeveer 150 dossiers van casussen van diverse bureaus voor ‘jeugdzorg’ {dus niet uit onafhankelijk diagnostisch onderzoek} dat in 95% van de onderzochte 150 uithuisplaatsingsdossiers uit 2009 het kind 'al langdurig heeft geleden onder de problemen' {waarbij de ‘jeugdzorg’ geen effectieve zorg liet verlenen aan het gezin door echte deskundigen, waar anno 2016 bleek uit onderzoek van de Kinderombudsvrouw dat de ‘jeugdzorg’ te lang geen of te lichte ‘hulp’ inzette waardoor problemen escaleerden en kinderen in zeer zware, dure crisiszorg terecht kwamen}; problemen, die uiteindelijk tot uithuisplaatsing leiden (Bergh & Weterings, 2010 {{Let wel: gerefereerd wordt aan de pseudowetenschap van Weterings en Van den Bergh (http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/beleid/), dat telkens vele variabelen wegliet in het voordeel van de ‘jeugdzorg’, en van axioma’s uitging alsof het escaleren, de beweerde problemen, door de ouders werden veroorzaakt, en niet door het te lichte inzetten van ‘jeugdhulp’}}).

 

Sterker nog {het is de vraag of dat nog wel gesteld mag worden na 2016}: in die gevallen bleek dat de problemen ná eerste optreden nooit waren afgenomen tot de uithuisplaatsing plaatsvond (vaak pas jaren later). Het genoemde onderzoek {met Weterings} richtte zich uitsluitend op uithuisplaatsingen waardoor er geen zicht is hoeveel uithuisplaatsingen werden voorkomen door het aanbieden van langdurige interventies. Feit is dat de prijs voor deze kinderen (en ouders) erg hoog was: ondanks de last van langdurige interventies {en het gebrek aan deskundige interventies, als een inspanningsverzuim door de ‘jeugdzorg’}, namen de problemen niet af en kwam het alsnog tot een uithuisplaatsing.

 

Een uithuisplaatsing is in de meeste gevallen een ingrijpende levensgebeurtenis voor kinderen {Arts Ursula Gresser, 2016: kinderen lopen schade op door uithuisplaatsen}. Als het zo ver komt dat een uithuisplaatsing ‘nodig’ is {of beweert wordt zonder diagnose} heeft het kind meestal twee ernstige problemen: enerzijds heette de verzorgingssituatie in veel gevallen ‘matig tot zeer slecht’ {hetwelk nodig is om naar BW1:255 een OTS aan te vragen, en de situatie ontstond door het gebrek aan doorverwijzing naar een echte deskundige}, en was er in vrijwel alle gevallen ‘sprake’ van een onveilige hechting {een stelling uit de dossiers van de ‘jeugdzorg’/gezinsvoogdij als beweringen en níét als diagnoses, dus dubieus}. Anderzijds is het gescheiden worden van de primaire verzorgende een trauma op zich, ook als er sprake was van een onveilige gehechtheidsrelatie (Chase Stovall - McClough & Dozier, 2004). {Ook U. Gresser, 2016, wijst de rechter op diens verantwoordelijkheid: Na deze publicatie’, zo zegt professor Gresser, ‘kunnen rechters niet meer zich verschuilen door dit kindbelang te negeren.
De rechter (of gezinsvoogd) die nu nog contactbeschadigend handelt, handelt willens en wetens kind-beschadigend, een vorm van institutionele kindermishandeling.”}

 

Zo’n scheiding wordt gezien als bedreiging voor de ontwikkeling van het kind en kan blijkens onderzoek van Dozier bijdragen aan het ontstaan van een scala aan ontwikkelings-  en gedragsproblemen. (Dozier M., et al., 2006; ook 2002: http://jeugdbescherming.jimdo.com/tips-en-andere-brieven/cortisol-in-pleegzorg-te-hoog/).   

 

Scheiding van de primaire verzorger is ook al voor zeer jonge kinderen (jonger dan 12 maanden) een traumatische gebeurtenis. Dit geldt ook als de primaire verzorgende niet de biologische ouder is.(Goldsmith, Oppenheim, & Wanlass, 2004). {Toch heeft het kind een later belang diens afkomstfamilie te ‘kennen’. Een kind kan onder echte deskundige begeleiding aan de ouders gefaseerd teruggeplaatst worden na 5 jaren, waarbij de pleegouders als een oom en tante in het leven blijven zolang dat door het kind gewenst blijft}.

 

Chase Stovall legt een verband tussen weerbaarheid (resilience) en het gescheiden worden van de primaire verzorger. Bij jonge baby’s zijn er regelmatig scheidingsmomenten (bijv. als de ouder naar het werk gaat). Hun capaciteit om te kunnen vertrouwen dat de verzorgende terugkomt neemt af als de scheiding langer duurt dan zij aankunnen (Chase Stovall - McClough & Dozier, 2004).

 

Ná de uithuisplaatsing

 

Een uithuisplaatsing kan positieve gevolgen hebben voor een kind {met kleine kans, ca. 28%. N.W. Slot, ‘909 zorgen’}. Uit het eerder genoemde onderzoek van McWey bleek dat, indien er in het nieuwe gezin veilige hechtingsmogelijkheden voor het kind zijn, kinderen daardoor een mogelijkheid krijgen om evt. negatieve ervaringen van de breuk met de ouders èn de gevolgen van eerder opgelopen trauma {vaak tijdens de hulpvraag waarop te lichte of geen hulpverlening werd ingezet door de ‘jeugdzorg’} te verwerken (McWey & Mullis, 2004).

 

Als richtlijn voor uithuisplaatsingen adviseert het NJi (Nederlands Jeugdinstituut), o.a. op basis van een studie van Biehal uit 2006 èn op basis van de gehechtheidstheorie in het algemeen dat al op het moment van uithuisplaatsing het duidelijk moet zijn aan welke eisen de primaire verzorgenden moeten voldoen om voor eventuele terugplaatsing in  aanmerking te komen (Baat & Bartelink, 2012).

 

Adoptieprofessor F. Juffer (2010, p. 41, aangevuld met Juridisch maandblad FJR 2012/95) adviseert daarnaast dat bij (en voor) uithuisplaatsing er onmiddellijk hulpverlening aan ouders moet worden gegeven om spoedige terugplaatsing mogelijk te maken (zie ook paragraaf 2.4).

Helaas blijkt het niet zo te zijn dat deze begeleiding er daadwerkelijk is. {!!!}

 

In een onderzoek door BMC in opdracht van het programmaministerie voor Jeugd & Gezin wordt na een brede landelijke inventarisatie gesteld dat volgens de meerderheid van de jeugdzorginstellingen er onvoldoende begeleiding ‘is’ voor biologische ouders na een uithuisplaatsing en bij problemen met de omgangsregeling. Zij (de bureaus jeugdzorg) noemen deze situatie zeer ongewenst (Baecke, et al., 2009, p. 106).

 

Een uithuisplaatsing naar een omgeving waarin geen hechtingsfiguren beschikbaar zijn (bijv. noodopvang) ontneemt het kind niet alleen de (wellicht onveilige maar toch aanwezige) hechting met de primaire verzorger {of raakt juist secundair onveilig gehecht (FJR2012/95)}, maar onthoudt het ook nog eens de mogelijkheid om nieuwe hechtingsrelaties aan te gaan (Centre for Parenting & Research, 2006).  

 

Samengevat

is een uithuisplaatsing door scheiding van de primaire verzorgende een trauma op zich, wat het kind in veel gevallen bovenop reeds eerder opgedaan trauma te verwerken krijgt. {Het pleegkind krijgt vaak een gevoel van ‘afgestaan te zijn’ te verwerken, regelmatig door overplaatsingen meer en meer; het kind kan gepest worden omdat het niet thuis mag wonen; het krijgt op diens vraag ‘waarom’ negatieve argumenten te horen waarin diens ouders gediskwalificeerd worden; en andere loyaliteitsconflicterende signalen komen veel voor in diens pleeg-leven. Diens ouders kregen niet de deskundige voorlichting om een escalatie tot uithuisplaatsing te voorkomen. Het kinderrecht IVRK artikel 24 lid 1 kreeg onder ‘jeugdzorg’ geen inhoud, integendeel}.

 

Een veilige hechtingsrelatie zou juist dàn noodzakelijk zijn voor het kind om hulp en steun te zoeken. De trieste werkelijkheid is dat het kind meestal niet zo’n band met de ouder heeft {of juist verliest door de uithuisplaatsing(en)} en dat het kleine beetje aan vertrouwen dat er was plotseling bedreigd wordt door de scheiding van de primaire verzorgende.

 

Een enkele maal werd het al genoemd: een pleeggezin kan een belangrijke rol spelen in het aanbieden van nieuwe hechtingsmogelijkheden. Daarover gaat de volgende paragraaf.

 

 

2.2.    Hechting in relatie tot verblijf in een pleeggezin

 

De gehechtheidstheorie beschrijft dat een veilige hechting positieve ontwikkeling van het kind mogelijk maakt.

 

Richtlijnen welke zijn opgesteld door de AACAP (een Amerikaanse organisatie voor kind en jeugd-psychiatrie) geven hier gevolg aan door te verlangen dat de jeugdige na scheiding van de primaire verzorger een ander persoon krijgt waaraan deze moet kunnen gaan hechten (Baat & Bartelink, 2012, p. 40). {Men mag zich afvragen waarom Weterings en Van den Bergh niet hebben onderzocht om eerst de ouders de kennis en enthousiasmering te verstrekken om de kindproblematiek niet te laten escaleren?! De gezinsvoogdij is dan wel coördinerend, maar houdt te vaak het kind in eigen beheer als ‘hulpverlener’, terwijl de gezinsvoogd dit namens de wet niet mag zijn; veel ouders wensen diagnostische waarheidsvinding, dat gebagatelliseerd wordt onder de OTS.}  

 

Als het pleegkind de mogelijkheid krijgt zich te hechten aan een pleegouder leidt dat inderdaad tot positieve ontwikkeling (Bergh & Weterings, Pleegzorg in perspectief, 2010-B).

 

Onderzoek van Goldsmith (2004) toont aan dat pleegkinderen die geplaatst worden in gezinnen waar ze sensitieve en verzorgende (responsieve) pleegmoeders hadden in veel gevallen veilige hechtingsrelaties met die pleegouder aangingen. {Doch Dozier, 2002, toonde aan dat nogal eens pleegouders een slechte hechtingsrepresentatie kennen, zodat het uithuisgeplaatst-zijn contraproductief werkt}.

 

Consequenties van en voor pleegouders

 

De hechtingsstijl van pleegouders (afhankelijk van hun eigen hechtingsgeschiedenis) blijkt bepalend te zijn voor het wel of niet adequaat (dat is ‘sensitief/responsief’) kunnen reageren op hechtingssignalen van het pleegkind (Chase Stovall - McClough & Dozier, 2004) en (Centre for Parenting & Research, 2006). Op basis van hun onderzoek raden zij dan ook aan een hechtingsanalyse aan te bieden aan pleegouders vóór een plaatsing {en waarom dan niet aan de ouders zelf?}.

 

Naast deze beschikbaarheid van de pleegouder voor het pleegkind om een veilige hechtingsrelatie aan te kunnen gaan is er een extra verzwarende omstandigheid voor pleegouders. Omdat veel pleegkinderen een intern werkmodel hebben waarin onveilige hechting de ‘leermeester’ is geweest {of geworden door de escalerende OTS}[1], reageren zij vaak anders op de pleegouder dan in een veilige gehechtheidsrelatie het geval zou zijn.

 

Het kind reageert bijvoorbeeld afwijzend en afwerend omdat de toenadering van de pleegouder als onveilig wordt gezien. Of omdat het geleerd heeft dat afhankelijkheid van een ouder gevaarlijk is. Deze afwerende houding kan zodanig zwaar worden dat pleegouders de plaatsing moeten afbreken (Goldsmith, Oppenheim, & Wanlass, 2004).

 

Als bemoediging voor (pleeg)ouders om toch de inspanning te leveren om beschikbaar te blijven als veilige hechtingsfiguur is de constatering dat een sensitieve en emotioneel adequate reactie op het pleegkind de beste therapie is voor het pleegkind. Als een kind zich veilig voelt, kunnen herinneringen en emoties een plek krijgen, erkend worden en verwerkt worden (Howe, 2006).

 

Een tweede bemoediging is dat kinderen die op jonge leeftijd in een pleeggezin worden geplaatst vrijwel direct veilig hechtingsgedrag vertonen. Zij laten zich bijv. al snel troosten bij pijn en angst.

 

Ook voor oudere kinderen welke in gezinnen worden geplaatst waar de pleegouders de draagkracht hebben om als autonome hechtingsfiguur beschikbaar te zijn, blijkt dat dezen een veilige hechting aangaan.

 

Autonoom wil zeggen dat die ouder het kan verdragen gedurende enige tijd {vaak enige jaren, zie behandelvormen: Anniek Thoomes-Vreugdenhil, http://www.hechtingsproblemen.nl/nl/behandelvormen,} een veilige hechtingsfiguur te zijn ook al is het hechtingsgedrag van het kind daar niet passend bij (Chase Stovall - McClough & Dozier, 2004).

 

Het effect van pleegmoeders op het zelfbeeld van pleegkinderen en hun beeld van anderen bleek uit onderzoek van Ackerman en Dozier (2005). Onderzocht werden kinderen die op 2 jarige leeftijd werden geplaatst. Op hun 5e jaar  werden ze opnieuw onderzocht. Als de betreffende pleegmoeders bij het begin van de relatie met het pleegkind meer konden verdragen/accepteren aan afwijkend gedrag, dan bleek dat enkele jaren later het zelfbeeld van die kinderen  beter ontwikkeld was dan bij kinderen voor wie de pleegmoeders die extra verdraagzaamheid niet konden bieden.

 

Diverse bronnen adviseren om (pleeg)ouders uitgebreid te trainen op het gebied van hechtingstheorie {of beter hechtingsrepresentatie}. Kennis daarover zorgt er voor dat de pleegouder meer empathie kan opbrengen en ander ouderlijk gedrag kan laten zien (Chase Stovall - McClough & Dozier, 2004) en (Baat & Bartelink, 2012, p. 40).

 

Samengevat

is een pleeggezin idealiter een aanbod aan het pleegkind om een veilige hechting aan te gaan die positief bijdraagt aan het zelfbeeld, het weerstandsvermogen tegen stress en de mogelijkheid om ontwikkelingsachterstand in te lopen en trauma’s te verwerken {maar kent ook vele contra-indicaties die eerst diagnostisch afgewogen dienen te worden}. Het ‘ideaalplaatje’ wordt in de weg gestaan als pleegouders zelf niet een veilige hechting kunnen bieden, niet de veerkracht hebben om het onveilige hechtingsgedrag te verduren of als de plaatsingsduur dermate onzeker {wordt voorgesteld door de diagnostisch-onbevoegde en ondeskundige gezinsvoogdij} is dat het kind geen veilige hechting durft aan te gaan (zie ook volgende paragrafen).

Pleegouders kunnen een belangrijke positieve bijdrage bieden als veilige hechtingsfiguur. De zware last die dat kan betekenen vraagt om goede opleiding en juiste begeleiding.

Autonomie qua gehechtheidsaanbod van de pleegouder is wenselijk (populair gezegd: er tegen kunnen dat je pleegkind heel anders reageert dan jouw reactie ‘zou verdienen’).

 

Alleen al vanuit loyaliteitsperspectief blijven biologische ouders altijd belangrijk voor een pleegkind. In de volgende paragraaf wordt hechting in relatie tot bezoek- en omgangsregeling beschreven. (http://jeugdbescherming.jimdo.com/adoptie-en-pleegzorg/loyaliteit/).

 

 

2.3.     Contact met de biologische ouder; omgangsregeling:

 

Als een pleegkind een ‘veilige plek’ heeft in een pleeggezin…. {Hoe is dat bepaalt? Door de beweringen van ‘jeugdzorg’/gezinsvoogdij, òf door onafhankelijk diagnostisch onderzoek dat ook rekening houdt met latere belangen van de opgroeiende, die in pleegsetting aan schijngedrag kan lijden}.

 

Hoe wenselijk of schadelijk is het dan om in enige vorm contact te hebben met de eigen ouder? Hiernaar is veel onderzoek gedaan. Kern is dat contact met de biologische ouders (anders dan men misschien zou denken) in veel gevallen juist bevordert dat het kind een veilige hechting met pleegouders durft aan te gaan. Onderbouwing en verklaring is gedaan in onderzoek door o.a. McWey (2004) die stelt dat kinderen welke geen contact met hun eigen ouders kunnen hebben, 

irreële beelden van die ouders kunnen gaan vormen welke het zelfbeeld van het kind aantasten. {Ook uit de adoptiewetenschap blijkt dat het ‘kennen’ van de biologische familie van groot belang is in de identiteitsfase, om problemen te voorkomen}.

 

De conclusie mag echter niet zijn dat bezoek en omgang altijd gewenst zijn.

 

Wanneer er problemen zijn in de oudercontacten (onveiligheid, loyaliteits­conflicten, opzettend escaleren door een gezinsvoogd, etc.) levert dit een hogere probleemscore op voor de ontwikkeling van het kind. Uit (reeds ouder) onderzoek van Weterings uit 1977 bleek dat voogdijpupillen van 15 – 18 jaar qua welbevinden er beter aan toe waren als er geen contact was met de biologische ouders {in tegenspraak met inzichten vanuit de adoptiewetenschap; Weterings deed dan ook onderzoek ten dienste van ‘jeugdzorg’, met dossiers vanuit ‘jeugdzorg’. Het moge duidelijk zijn dat de producties van Weterings niet serieus genomen moeten worden wegens het gemis aan variabelen die meegewogen hadden moeten worden, thuis al.}.

 

Uit een analyse bleek dat vooral de onzekerheid over de woonsituatie die zichtbaar werd tijdens contact met de ouders zorgde voor de minder positieve situatie voor het kind (Weterings, 1977).

 

De samenvoeging van deze ‘feiten’ levert op dat contacten positief zijn mits ze niet problematisch verlopen {waarbij uiteraard de omgang begeleid dient te worden door echte deskundigen, de verzorgers en ouders voorlichtend, wat zelden gebeurt. Wel worden kinderen van te voren bestraffend toegesproken over bepaalde onderwerpen het niet te hebben, de spontaniteit uit het contact halend. Ook is een uurtje contact vaak te kort, omdat het kind, net gewend, wordt bestraft met onvoorbereid afscheid moeten nemen}, en geen sluipende problemen zichtbaar maken (zoals bij het onderzoek de onzekerheid over de woonsituatie). Over het problematisch verlopen van contact moet niet te snel geoordeeld worden: soms is probleemgedrag dat het pleegkind vertoont ná een bezoek/verblijf bij de ouders niet zozeer een uiting van frustratie over wat het kind meemaakte, maar is het de consequentie van opnieuw een scheiding van de ouder die vroeger de primaire verzorgende was (Centre for Parenting & Research, 2006).

 

Hechtingsaspecten van frequentie en vorm van de omgangsregeling 

 

De frequentie en vorm van de contacten met de biologische ouders wordt niet alleen door veiligheid bepaald, maar ook – op deskundigenniveau –  door leeftijd van het kind en lange-termijn-plannen. Voor kinderen jonger dan 3 jaar is het zeer belangrijk om frequent contact met de ouders te hebben om een bestaande band nog levend te houden. Haight en Kagle adviseren op grond van hun empirisch onderzoek als vuistregel tenminste 1, maar liever meer bezoeken van diverse uren per week waarbij ook zorgtaken door de ouder worden verricht.

 

Bij oudere kinderen kan minder frequent contact nodig zijn (Haight & Kagle, 2003).

 

Onderzoek van Van IJzendoorn heeft aangetoond dat een veilige hechtingsfiguur  tijdens de nacht cruciaal is voor het vertrouwen van jonge kinderen voor wie de nacht vaak nog angst met zich meebrengt waarvoor een veilige hechtingsfiguur beschikbaar moet zijn (IJzendoorn, 2008). Bij oudere kinderen (vanaf 5 á 6 jaar) speelt dit minder een rol en kan overnachten wel deel uit maken van een omgangsregeling (Juffer, 2010, p. 42, en FJR 2012/95: http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/fjr-2012-95-over-hechting/).

 

Als het lange-termijndoel gezinshereniging is (wat ten tijde van een uithuisplaatsing – en de eerste jaren na UHP – meestal nog tot de reële of te onderzoeken opties behoort), is vanuit de hechtingstheorie te concluderen dat het van belang is dat er vaak en intensief bezoeken zijn, dat de betrokken families vooraf en achteraf goed deskundig begeleid worden en dat veilige hechtingsrelaties bevorderd worden met zowel de biologische ouders als de pleegouders (Haight & Kagle, 2003). {Het bleek dat pleegkinderen pas na gemiddeld 5 jaren gewend waren aan de pleegsetting (Weterings). Zelfs na vijf jaren is een gefaseerde terugplaatsing nog mogelijk, al dient men wel te letten op deskundige begeleiding met bijvoorbeeld VIB, en natuurlijk de voorbereiding van juiste voorlichting in de jaren ervoor en tijdens de terugplaatsfasen. Er is nog steeds veel te leren uit de adoptiewetenschappen!

“Deskundig” is niet het jeugzorgwerkersniveau (SKJ)!

Bij bezoekregelingen is het van belang dat deze niet zo kort duren opdat het kind na het wennen niet het gevoel krijgt bestraft te worden met afscheid nemen. Vooraf heeft het pleegkind nogal eens het verbod gekregen over bepaalde zaken niet te spreken, waardoor het zich niet spontaan kan acteren bij diens ouders. Regelmatig is de begeleidend ‘waarnemer’ slechts de gezinsvoogd, en geen orthopedagoog. Deze kan vreemde verslagen maken waarin de ouders en kind niet juist, niet orthopedagogisch, worden verslagen, wat invloed heeft op het meten ten gevolge van IVRK artikel 25.}

 

Samengevat

is het van belang om hechtingsaspecten vanaf het eerste moment na uithuisplaatsing – door echte deskundigen – mee te nemen bij het plan van aanpak van een bezoek- en omgangsregeling. Mits {de hoe te meten} veiligheid gewaarborgd is en {deskundige} begeleiding van ouders en pleegouders wordt geboden, lijkt er niet snel té veel contact te zijn. {Hoe wordt trouwens aan de ouders deskundig en duidelijk voorgelicht wat de ‘veiligheids-eisen’ zijn? Wordt dit concreet en meetbaar op schrift gesteld, opdat ook de rechter kan meten?} Mits de begeleiding goed is gaat er ook een therapeutische werking vanuit op de relatie tussen ouder en kind.

 

Dat de praktijk {van ‘jeugdzorg’} helaas vaak anders is komt uitgebreider in het volgende hoofdstuk aan de orde.

Eerst wordt er in de volgende paragraaf gekeken naar hechting in relatie tot het perspectief voor een pleegkind.

 

{{{{{{{{[Wordt verder aan gewerkt; de theorie blijkt niet gelijk de praktijk onder ondeskundige 'jeugdzorg']}}}}}}}}

De oorspronkelijke publicatie is dus ter goeder trouw. Helaas is het deels gebaseerd op Weteringspublicaties.

______________

[1] : Men mag zich afvragen daar waar hier beweerd wordt dat er een onveilige gehechtheid zou zijn  deze ook echt bestaat, hetwelk door het diagnostisch onderzoek moet worden vastgesteld; specialistenwerk! Niet door de gezinsvoogd of pleegouder! In FJR 2010/92 (http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/fjr-2012-95-over-hechting/ onderaan) schreef een rechter reeds over diens twijfels over de gezinsvoogdij- c.q. jeugdbeschermingsrapportages en dit werd bevestigd door het onderzoek “Is de zorg gegrond” door de Kinderombudsman in 2013.