Groots onderzoek van Joseph Doyle 

 

over gevolgen in het kind bij

 

Uithuisplaatsen           –          digitaal vertaald:

 

 

“Kinderen van wie de familie wordt onderzocht vanwege 'misbruik of verwaarlozing' zijn waarschijnlijk beter af in het leven als ze blijven bij hun familie/gezin dan als ze in pleegzorg gaan, volgens een baanbrekende studie.[1]

De bevindingen intensiveren een stevig debat in het welzijn van kinderen: de vraag of kinderen beter worden geserveerd met hun familie of van hen weg.


Kinderen die met hun gezinnen verbleven hadden minder kans op jeugdige delinquenten en tienermoeders en meer kans op banen als jonge volwassenen houden geworden, zegt de studie van Joseph Doyle, een hoogleraar economie aan de MIT Sloan School of Management, die het sociaal beleid bestudeert.


"De omvang van de effecten verbaasde me, omdat alle kinderen komen uit moeilijke gezinnen," zegt Doyle. De National Science Foundation het onderzoek gefinancierd.


Doyle zegt dat zijn onderzoek, waarvan ten minste 15.000 kinderen gevolgd 1990-2002, is de grootste studie
om te kijken naar de effecten van pleegzorg. Hij studeerde kinderen in Illinois als gevolg van een database daar dat misbruik onderzoeken links naar andere overheidsarchieven.

Om de resultaten te wijten aan familie-achtergrond te vermijden, gescreend hij extreme gevallen van mishandeling of verwaarlozing en bestudeerde kinderen wiens gevallen kan in beide richtingen zijn gegaan.”

 

  Verder: http://usatoday30.usatoday.com/news/nation/2007-07-02-foster-study_N.htm#Close

 

Zelfde uitkomst: http://www.kidscounsel.org/Study%20Impact%20of%20Foster%20Care%20on%20Child%20Dev.pdf .

 

Dit zouden jeugdrechters mee moeten wegen ten

 

behoeve van de veilige ontwikkeling van het kind:

 

Rechters 'beschikken'  òp geloof over het gevaarlijke, risicovolle Uithuisplaatsen –

 

Iets wat ouders in diskrediet brengt is het pseudowetenschappelijke stuk en meer van haar publicaties zoals : http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/beleid/ : ‘ouders zijn per definitie clichématig slechte opvoeders, en het kind is beter af in pleegzorg, liefst zo snel mogelijk’, lijkt die ‘wetenschap’ te zeggen.  

 

De bloedband zou niet veel waard zijn.....

 

Men mag zich dan wel afvragen waarop pléégouders, dus zonder bloedband, het béter zouden doen dan de ouders?

 

Is dit de reden dat ouders niet eens voor een UHP een interactieonderzoek (VIB) krijgen met hun kind?

 

En is dit de reden dat beweerd wordt naar de rechter (cliché uit BW1:255) dat er een ernstige (niet uitgelegde) bedreiging zou bestaan èn de ouders voor de door de sociaal werker alias jeugdbeschermer beschikte ‘zorg’ hulpmijdend zouden zijn, en de ouders niet voldoende snel leerzaam zouden zijn (zonder dit te betrachten en aan te tonen door de jeugdbescherming).

 

Dit onderzoek is één van vele wetenschappelijke onderzoeken (met diagnostieke grond) die vinden dat het kind beter af is thuis met passende hulp. Zo vond prof.dr. Jo Hermanns dit ook in diens onderzoek in Zeeland. En de schadende gevolgen van dwangzorg laten zich ook zien in bijvoorbeeld een meta-onderzoek van arts en professor Ursula Gresser (2016).

 

Veelal wordt er dwangzorg opgelegd zonder een diagnostische nulmeting, juist iets wat wel aangeraden werd door wetenschappers in de orthopedagogie en psychologie. Uithuisplaatsen is schadelijk! Zeker als er geen concrete gronden zijn en er dus ook geen concrete eisen zijn waaraan de ouders kunnen werken (BW1:262 lid 1 t.o.v. BW1:255 lid 1).

 

Volgen we eerst even de wetgeving, en

                                                                  lezen daaronder verder: 

 

Deel BW1 op http://peterprinsen.nl/HERZIENINGOTS-2011.htm  (scroll):

 

> De wetsgrond om kinderen onder toezicht van jeugdbescherming te nemen:

 

BW1:255 = De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een stichting indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of de zorg voor zijn ouder(s), die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.

 

Dit artikel uit het eerste Burgerlijk Wetboek nodigt uit tot speculatie en insinuatie, als er niet gevraagd wordt om bewijs en onderbouwende uitleg hoe de gevraagde hulp dan wel zou werken in het kind.

 

> De jeugdbescherming kan bovenstaande doen zonder onderzoek vooraf op basis van

BW1: Artikel 257: lid 1:

“De kinderrechter kan de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een stichting indien een èrnstig vermóéden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een ácute en èrnstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.”

 

> Deze (spoed-eisende) voorlopige OTS vraagt de jeugdbescherming in de praktijk per fax aan zonder acht te slaan op de inhoud van

Rv 800 lid 3:

“De beschikkingen tot voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige en tot machtiging van de gecertificeerde instelling… om een minderjarige uit huis te plaatsen, …. kunnen alleen dan aanstonds worden gegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. ...”

Er behoort sprake te zijn van spoed en ernstig gevaar.

 

De uitleg hierover zal geen ouder ooit inhoudelijk te horen krijgen (in tegenspraak met  EVRM 6, het recht op alle informatie in juridische procedure, bevestigd door o.a. het McMichael-arrest EHRM dd. 24-2-1995)**.

                                                                                                                       (**  en **** zijn belangrijke noten onder) 
Sommige rechters 'voelen' iets dat niet klopt:

Alles wat de niet-medische rechter in z'n beschikking zet, gebruikt de jeugdbescherming (of Samen Veilig Thuis) in vervolg als ‘bewijs’, hoe suggestief ook verkregen. In FJR 2010/92**** spreekt een rechter daarover:

 

…Het tweede knelpunt heeft betrekking op de uit te brengen rapportage. Aan het hof en uiteraard ook aan ouders dient te worden gerapporteerd. Rapportage van het Bureau Jeugdzorg is in het algemeen niet eenvoudig te lezen. Voor de jaarlijks uit te brengen rapportage schijnt ‘protocol’ te zijn, dat grote delen van het rapport van de raad letterlijk worden overgenomen en daarvoor, daartussen of daarachter worden de eigen bevindingen van het Bureau Jeugdzorg opgenomen.

Het indicatiebesluit en het plan van aanpak zijn in de praktijk grotendeels gelijkluidend en het is soms heel moeilijk te lezen of bepaalde doeleinden nog behaald moeten worden of inmiddels al zijn gerealiseerd.

Het komt verder nogal eens voor, dat de rapportage van Bureau Jeugdzorg soms tientallen pagina's lang is en een waar zoekplaatje.

Een behoorlijk geschreven verweerschrift van Bureau Jeugdzorg/G.I.  is dan noodzakelijk om een goed beeld te krijgen van de situatie.

Bepaalde bevindingen van raad of bureau, die in het verleden door cliënten met succes zijn aangevochten, blijven regelmatig in de volgende rapportage weer terugkomen.…

Ouders stellen de vraag wat zij moeten doen om de kinderen weer terug thuis te krijgen en krijgen daarop geen antwoord of worden min of meer met een kluitje in het riet gestuurd.

 

De jeugdbescherming, de gezinsvoogd, geeft in tegenspraak tot BW1:262 lid 1 en 3 veelal de ouders geen inhoudelijke en concrete uitleg wat te doen voor terugplaatsing, en hoe de vorderingen te meten zijn!

Dus deze rechter merkt als één der weinigen het plak- en knipwerk en schemeren met oude, aangevuld met iets aan nieuwere, beweringen  op.****

 

 

De gezinsvoogdij krijgt automatisch gelijk als deze

 

het de jeugdrechter moeilijk maakt door dìkke,

 

aangedikte, verwàrrende jeugdzorgrapportages

 

voor te leggen.

 

Ook de kinderombudsman vond - bescheiden - vele fouten in die rapporten, maar na zijn rapport http://www.dekinderombudsman.nl/ul/cms/fck-uploaded/2013.KOM008Isdezorggegrond.pdf   is er niets mee gedaan; wel iets: men was verontwaardigd en ging over op de orde van de dag, de gewone negatie-stand.

 

Maar ouders kunnen met motiverende bijlagen/producties naar de rechter het kindbelang (IVRK 24) aantonen om concretere en inhoudelijker uitleg te krijgen, en te vragen om echte diagnose en Video-interactie-begeleiding (tussen kind en ouder(s)) om te laten aantonen dat ze wel leerzaam zijn, of beter pedagogisch onderlegd zijn dan de beweringen van de jeugdbescherming.

 

Alhoewel juristen door de jeugdzorglobby zijn beïnvloed om te geloven dat diagnostiek door een leuke specialist belastender zou zijn dan een heel dwangzorg-traject, moet nu wel het tegendeel bewezen zijn.

 

Echt diagnostisch onderzoek belast het kind veel minder dan een dwangzorg-traject met vreemde, (medisch/orthopedagogisch) òndeskundige mensen:

 http://usatoday30.usatoday.com/news/nation/2007-07-02-foster-study_N.htm#Close .

 

Vaak moeten ouders het bij de rechter doen zònder dossierstukken, waar ze wel recht op hebben naar EVRM artikel 6.**    Een beroep op de Wbp, artikel 35 e.v., wordt erg regelmatig niet of slechts deels beloond, of uitgesteld tot na enige rechtszaken. 

Zo is er geen valide weging van inbreng der partijen.  Zo wordt de aanvraag van de laag-opgeleide 'professional' een automatisme, waar dat - aangetoond - te vaak schade kan toebrengen aan het weg te plaatsen kind, zonder dat er eerst diagnostisch gewerkt wordt met voorlichting naar de ouders.

_________________________________________________________________________________________ 

------------------------------------------------------------------------------------

**:

Naast het McMichael-arrest zijn er meer uitspraken (arresten) van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens:

Uit het aan te raden boek ‘De Rotterdamse Babyroof’, 2016, S. Romano, ISBN: 978-90-825273-0-8, genoemd in http://jeugdzorg-darkhorse-plus.blogspot.nl/2016/06/de-waarheid-waarheidsvinding-en.html van arts drs. N. Mul, met bestelmethode:

 

Recht op tegenspraak: 

 

Partijen (dat zijn bij jeugdzorgzaken de ouders en de jeugdbescherming/kinderbescherming) moeten voldoende de gelegenheid hebben kennis te nemen van feiten en ingebrachte stukken (dus ook de stukken in dossiers). Partijen moeten zich ook voldoende uit kunnen laten over naar voren gebrachte feiten en ingebrachte stukken. {Dit betekent ook dat de jeugdbescherming/G.I. geen dosierstukken mogen achterhouden of geld vragen naar de ouders voor copie van de stukken die in een juridisch OTS-zaak gebruikt zijn voor opeenvolgende beslissingen. Zelfs niet de € 5,- uit de Wbp.}

 

“(...) De rechter moet er op toezien dat het schriftelijk (en eventueel mondeling) debat voldoende tot wasdom is gekomen om als basis te dienen voor een evenwichtige rechterlijke uitspraak.

 

Essentieel daarbij is dat partijen voldoende gelegenheid hebben gehad kennis te nemen van en zich uit te laten over de – al dan niet door de wederpartij – naar voren gebrachte feiten en de in het geding gebrachte (bewijs)stukken.

 

In de zaak Ruiz-Mateos verwoordt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het als volgt: 'The right to an adversarial trial means the opportunity for the parties to have knowledge of and comment on the observations filed or evidence adduced by the other party.' (EHRM 23 juni 1993 , Ruiz-Mateos, serie A, vol 262, S 63.) .

 

En in het Feldbrugge-arrest oordeelde het Europees Hof reeds dat artikel 6 EVRM geschonden was nu de betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld om zich uit te laten over twee rapporten van medisch deskundigen, welke van essentiële betekenis waren en de grondslag vormde, de gerechtelijke beslissing in de beroepsprocedure.

 

Een soortgelijk oordeel velde het Hof in de zaak McMichael, waar de ouders zich verwerende tegen de ondertoezichtstelling, de beëindiging van omgang met en het vrijgeven voor adoptie van hun kind, in de procedure bij de 'Children's hearing' (een op dit gebied speciaal in Engeland ingestelde, niet-rechterlijke instantie) geen inzage hadden gekregen in rapporten van sociaal werkers en psychiaters.

 

De overweging uit het Ruiz Mateos-arrest is inmiddels in vele uitspraken van het Europees Hof herhaald; gesproken kan worden van gevestigde rechtspraak.”

 

Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, P. Smits, p. 115-116, 2008, in het vermelde boek.

 

“Van groot belang voor het bewijsrecht zijn de grondbeginselen van het burgerlijk procesrecht, zoals te vinden in artikel 6 EVRM (en art. 19 e.v. wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv).

 

De rechter heeft onder meer de plicht om beide partijen te horen en aan partijen gelijke kansen te gegeven in de procedure (equality of arms). (En de jeugdrechter in familie- en jeugdzorgzaken heeft die plicht eveneens door de uitspraak van het CRvB: LJN BD1113)***. Partijen hebben het recht op het ontvangen en zelf verstrekken van informatie en het recht voldoende gelegenheid te krijgen om op ontvangen informatie te reageren. Partijen moeten in een civiel geding in voldoende mate en op gepaste wijze de gelegenheid krijgen om hun zaak te presenteren – inclusief bewijs – zonder dat de ene partij een beduidend slechtere positie heeft dan de andere partij.”

 

Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, W. thoe Schwartzenberg, p. 11, 2013.

 

De rol van het bewijsrecht:

. . . . . . . . .’    =    {Zie verder in dat aan te raden boek}

 

 ---------------------------------------------------------------

***:     http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2008:BD1113 :

Rechtsmachtsverdeling tussen kinderrechter als civiele rechter en kinderrechter als bestuursrechter,   
=  ECLI:NL:CRVB:2008:BD1113  (voorheen 'LJN BD1113' door CRvB):

 

  • Tegen een besluit waarbij door een (Bureau/G.I.) Jeugdzorg een bepaalde vorm van jeugdzorg wordt geïndiceerd, kan – na bezwaar bij ‘Jeugdbescherming’ – beroep worden ingesteld bij de kinderrechter (als bestuursrechter) en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
  • Als een dergelijk (indicatie)besluit feitelijk een onderdeel is van de civielrechtelijke procedure tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige, kan echter geen beroep worden ingesteld maar dient de kinderrechter (als civiele rechter) de rechtmatigheid van dat besluit te toetsen in het kader van de procedure tot (bestuurlijke beslissing tot) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
  • Soms wordt tegen een (indicatie)besluit dat feitelijk een onderdeel is van de civielrechtelijke procedure tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing toch bezwaar gemaakt. (Bureau/G.I.) Jeugdzorg verklaart dat bezwaar dan terecht niet-ontvankelijk {wel nuttig te doen, want ziet}: -- Daarentegen: Als tegen dat 'besluit op bezwaar' beroep wordt ingesteld, dan is de kinderrechter (als bestuursrechter) bevoegd daarvan kennis te nemen en staat tegen de uitspraak op dat beroep hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Meten voor jeugdrechters .

 ----------------------------------------------------------------

****:

Wat een rechter zag:

Rond het (bij vraag naar diagnostiek) ‘doorverwijs- en terugplaats-beleid’ van BJZ herkent  raadsheer mr. P. A. J. Th. van Teeffelen van het Gerechts­hof te ’s Hertogen­bosch (juris­tenblad FJR, okt. 2010/92, p. 248) knelpunten.  Hij somt 3 knelpunten op in de BJZ-inzet, die door de opbouw der stukken voor een rechtsgeleerde al een waar zoekplaatje oplevert, laat staan voor ouders:

 

         BJZ = na de invoering van de Jeugdwet in 2015 is BJZ anders gaan heten:

'Samen Veilig Thuis' of 'Jeugdbescherming', enz., per regio wat anders.

 

1. “We vroegen ons af of er ook geen lessen uit het verleden te trekken vallen. …

 

Het wordt lastig, indien adequate beantwoording [van BJZ op diens verantwoordingsplicht] uitblijft en het wordt dubbel lastig, indien het hof niet kan instemmen met de lijn, die het bureau in het verleden heeft uitgezet, omdat het hof die bij een afweging van alle belangen niet voldoende redelijk vindt. In de praktijk is het dan voor het hof niet eenvoudig om het beleid van Bureau Jeugdzorg een beetje bij (c.q. om) te buigen, laat staan dat dit voor cliënten in een rechtstreeks contact met Bureau Jeugdzorg een gemakkelijk haalbare zaak is. …

 

Om te beginnen met het eerste knelpunt, kinderen worden met een machtiging uit huis geplaatst en vervolgens gebeurt er bij de ouders lange tijd niets. Ouders stellen de vraag wat zij moeten doen om de kinderen weer terug thuis te krijgen en krijgen daarop geen antwoord of worden min of meer met een kluitje in het riet gestuurd.

 

Als ouders via derden zelf hulpverlening organiseren [als daaraan al wordt meegewerkt], duurt het erg lang voordat Bureau Jeugdzorg een beslissing tot terugplaatsing overweegt, laat staan voordat die genomen is. Zeker als het kind 'goed zit', is er weinig animo tot terugplaatsing.

 

Uiteraard krijgen we als hof regelmatig die situatie ter beoordeling en een fatsoenlijk antwoord op de vraag naar de inspanningen die worden gedaan om het kind terug te plaatsen bij de ouders krijgen we lang niet altijd. Toch is het met name bij jonge kinderen de bedoeling van de wetgever dat terugkeer naar huis binnen het kader van de ondertoezichtstelling echt serieus genomen wordt. In deze situatie (dus niet voor, maar na de uithuisplaatsing) merken we weinig van het effect van de landelijk ingevoerde Delta-methode.”       {Ouders zien hun [valide] inbreng niet terug in Plan van Aanpak of Indicatiebesluit.}

2. “Het tweede knelpunt heeft betrekking op de uit te brengen rapportage. Aan het hof en uiteraard ook aan ouders dient te worden gerapporteerd. Rapportage van het Bureau Jeugdzorg is in het algemeen niet eenvoudig te lezen. Voor de jaarlijks uit te brengen rapportage schijnt ‘protocol’ te zijn, dat grote  delen van het rapport van de raad letterlijk worden overgenomen en daarvoor, daartussen of daarachter worden de eigen bevindingen van het Bureau Jeugdzorg opgenomen. Het indicatiebesluit en het plan van aanpak zijn in de praktijk grotendeels gelijkluidend en het is soms heel moeilijk te lezen of bepaalde doeleinden nog behaald moeten worden of inmiddels al zijn gerealiseerd. Het komt verder nogal eens voor, dat de rapportage van Bureau Jeugdzorg soms tientallen pagina's lang is en een waar zoekplaatje. Een behoorlijk geschreven verweerschrift van Bureau Jeugdzorg is dan noodzakelijk om een goed beeld te krijgen van de situatie.

 

Bepaalde bevindingen van raad of bureau, die in het verleden door cliënten met succes zijn aangevochten, blijven regelmatig in de volgende rapportage weer terugkomen.… Ouders stellen de vraag wat zij moeten doen om de kinderen weer terug thuis te krijgen en krijgen daarop geen antwoord of worden min of meer met een kluitje in het riet gestuurd.

3. “… Voor cliënten lijkt het in een aantal situaties dan ook een gevecht tegen windmolens in plaats van dat de hulp wordt verleend, waar het allemaal om begonnen is.

 

Het derde knelpunt heeft betrekking op de verantwoordingsplicht van Bureau Jeugdzorg. Het bureau heeft er jegens het hof nogal eens zichtbaar moeite mee zich te verantwoorden. Dat kan gemakkelijk leiden tot irritaties over en weer. Voor het hof is het de kunst om hoffelijk te blijven, ook al heb je soms grote problemen met de wijze waarop door het bureau in het verleden is gewerkt. Doordat er soms in een jaar weinig structureel aan een bepaalde zaak is gewerkt, ontstaat in het vraaggesprek nogal eens een pijnlijke situatie. Het bureau wil dan nogal eens een houding aannemen van: ‘wij weten het beter en u begrijpt niets van ons vak.’...

 

[Bij BJZ] is er weinig animo tot terugplaatsing. Uiteraard krijgen we als hof regelmatig die situatie ter beoordeling en een fatsoenlijk antwoord op onze vraag naar de inspanningen die worden gedaan om het kind terug te plaatsen bij de ouders krijgen we lang niet altijd. Ouders stellen de vraag wat zij moeten doen om de kinderen weer terug thuis te krijgen en krijgen daarop geen antwoord of worden min of meer met een kluitje in het riet gestuurd. …

 

Onwillekeurig rijst dan de vraag nogal eens: ‘is het bureau er voor de cliënten of zijn de cliënten er voor het bureau?’. (Citaten).

 

Naast een enkele rechter zien ook Ombudsmannen en Kinderombudsmannen dat er wat schort met 'waarheidsvinding', dat diagnostischer dient te zijn.