Waarheidsvinding in de Jeugdzorg

Dat moet zijn Vermijden van onwaarheid in de Jeugdbeschermingsketen

25 juni 2018 aan de Tweede Kamer:

Geachte volksvertegenwoordigers,

 

Het actieplan dat de minister heeft voorgeschoteld negeerde echte wetenschap en de praktische knelpunten die advocaten, deskundigen en betrokken ouders inbrachten bij het onderliggende onderzoek van het LOC.

 

Uw commissie kreeg meer signalen dat de basis van het Actieplan Verbetering Feitenonderzoek in de Jeugdbeschermingsketen een wel heel slappe en de praktijk ontwijkende reactie is geweest op een motie over waarheidsvinding in de jeugdzorg en het beëdigen van gezinsvoogden en raadsonderzoekers ter zitting.

 

Voor een existentiële groep ouders  blijkt dat het feitenonderzoek reeds bij de beschermingstafels en AMHK (Veilig Thuis) mis gaat.

 

Niet alleen wordt er eerst gezocht naar een te laaggekwalificeerde inzet, waardoor er escalatie plaatsvindt, tegen het wetenschappelijk advies in de oratie van prof. R.J. van der Gaag[1], doch de escalatie wordt te vaak toegeschreven met insinuaties aan het falen der ouders. Daarna zien we dat de pleegsettingen er in 72% ook niets van bakken bij gebrek aan open diagnostische nulmeting.

 

Waar geen open diagnostische nulmeting werd gedaan, vervuilt het gedrag door escalatie verdere diagnostiek, waardoor ouders hun onschuld en het onterechte aan de kinderbeschermingsmaatregel niet kunnen bewijzen middels open en echt onderzoek.

 

Het verlengen van uithuisplaatsingen, die de laatste jaren in aantal extreem toenemen d.m.v. BW1:265b en 266, blijkt uit wetenschap ernstige bedreigende aspecten te kennen, die haaks staan op het voorkomen of opheffen ven de ‘bedreiging’ die in BW1:255 werd genoemd of beweerd door de ‘jeugdzorg’.

 

We missen substantieel in het Actieplan Verbeterd Feitenonderzoek van de minister de wetenschap die wel is verstrekt en uitgelegd - tezamen met knelpunten - aan het LOC tijdens hun onderzoek. Dit is mondeling en schriftelijk gedaan. We zagen er niets van terug. En dat kan te veel kinderen schade berokkenen!

 

Wetenschappelijke gronden:

Een groot en later geverifieerd wetenschappelijk onderzoek door Joseph J. Doyle jr,[2] in Zeeland’s onderzoek door prof. Jo Hermanns bevestigd, toont aan dat kinderen met dezelfde problematiek die met diagnostisch-passende hulpverlening thuis mochten blijven beter af waren dan die kinderen die werden weggezet in pleegsettingen. "De omvang van de effecten verbaasde me, omdat alle kinderen komen uit moeilijke gezinnen," zegt Doyle. Kinderen die thuis mochten blijven, hebben als tieners véél minder kans om zwanger te worden, ze zullen veel minder waarschijnlijk eindigen in het (jeugd)strafrecht, en veel meer kans hebben om een baan te houden gedurende ten minste drie maanden dan vergelijkbaar mishandeld kinderen die in een pleeggezin, uithuis, werden geplaatst. Depressies en suïcide-denken komen bij de thuisgroep naderhand minder voor dan de wegplaatsgroep, wat we in Nederland doen met BW1:265b, het uithuisplaatsen.[3]

 

Arts internist prof.dr.med. Ursula Gresser[4]  waarschuwde na het publiceren van haar onderzoek in 2015 zelfs rechters!  Na deze publicatie”, zo zegt professor Gresser, “kunnen rechters niet meer zich verschuilen door dit kindbelang te negeren. De rechter die nu nog contactbeschadigend handelt, handelt willens en wetens kind-beschadigend, een vorm van institutionele kindermishandeling.”

Dàt doen ook politici die dit negeren in te brengen in het jeugdzorgbeleid, dat op drang en dwang gericht is.

 

Het afbreken van contact met ouders maakt kinderen ziek, zo bewees Gresser, zelfs na de  volwassenheid, en dit duurt veel langer dan bij rouw na overlijden van de ouder(s). Het afbreken van frequent contact met ouder(s) betekent het pleegplaatsen zonder valide diagnostische nulmeting of het aanwijzen van éénouder-ouderschap na scheiding zonder die nulmeting.
De gebruikte (wetenschappelijke, diagnostische) onderzoeken keken naar de gevolgen op de gezondheid van kinderen na de scheiding. Gevolgen met ziekte, psychische pathogenie, schoolverzuim, etc.. Ziektes die ook na hun 18e kunnen voortbestaan. Dezelfde resultaten m.b.t. de gevolgen van het ontnemen van de kind-ouderband als die o.a. Joseph Doyle vond.

 

De politiek kan denken dat indiceren met lager opgeleiden, de jeugdzorgwerkers, goedkoper is. Rekenkundig is dat een denkfout![5]   Een misverstand is dat echt en ópen diagnosticeren duur is.   Kinderpsychiatrie is specialistisch zorg en specialistische zorg heet in de p.r. ‘duur’ te zijn, is de redenering. Feitelijk kost een kind een jaar in zorg in de jeugd-GGZ gemiddeld € 4.000 (inclusief de heel dure zorgvormen), terwijl een kind wat één jaar in de jeugdzorg in zorg is, € 24.000 kost.   Gemiddeld duurt de gezondheidszorg ca. 460 dagen incl. behandeling en voorlichting, tegenover de jeugdzorg met ruim 4 jaar.

De echte keuze is € 6.000 of een ton (100.000)….

Hierbij zijn de gevolgkòsten uit de bevindingen van Gresser, Hermanns en Doyle niet meeberekend. Jeugdigen die in aanraking kwamen met ‘jeugdzorg’ geraken extreem veel vaker in uitkeringen en zorgkosten na hun 18e.* 

 

Feitenonderzoek moet betekenen dat er geen onwaarheden is de jeugdzorgrapportages meer zullen staan. De rechtsvinding dient verifieerbaar te zijn. Rechters[6] zijn immers geen orthopedagogen die de beweringen vanuit de ‘jeugdzorg’ kunnen doorzien. De Kinderombudsman Dullaert schreef diens vermoeden van “perverse prikkels” in diens rapport “Is de zorg gegrond?”.[7]

 

Ouders zien dat er te veel beweringen tussen enige feiten in staan, en dat feiten maar half zijn weergegeven. Het spreekwoord gaat op: een halve waarheid is erger dan een hele leugen.

 

Het gebrek aan het gesanctioneerd mijden van onwaarheden in jeugdzorgrapportages en beweringen naar rechters geeft het kind diens recht op IVRK artikel 24 lid 1 niet.

24.1 De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op het genot van de gróótst mógelijke mate van gezondheid en op voorzieningen voor de behandeling van ziekte en het herstel van [psychologische/pedagogische] gezondheid. De Staten die partij zijn, streven ernaar te waarborgen dat geen enkel kind zijn of haar recht op tóégàng tot deze voorzieningen voor [psychische/(ortho)pedagogische] gezondheidszorg wordt onthouden.

De jeugdzorg die zo vaag en afschermend werkt, zich met hand en tand verdedigt tegen bewijzen vanuit het gezin, en dis al decennia doet, al die tijd belovend zich te professionaliseren, komt in aanmerking voor lid 3 van het IVRK art. 24.

24.3 De Staten die partij zijn, nemen alle doeltreffende en passende maatregelen teneinde traditionele gebruiken die schadelijk zijn voor de [psychische/pedagogische] gezondheid van kinderen af te schaffen.

Jeugdzorg die ook dwangzorg onder hun beheer heeft werkt wetenschappelijk gezien als een schadelijke traditie.

 

Er bestaat een verantwoorder alternatief op het ministeriële actieplan, op: https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/rechtsvinding-onwaarheden-in-jz  (scrol).

 

De Kamervragen zouden de genoemde wetenschap mee moeten nemen om discussies over de jeugdbeschermings-ingang te bewaken op het kinderrechtenniveau van artikel 24.

 

We hopen dat onze volksvertegenwoordiging ook het genoemde kinderrecht laat prevaleren boven de werkgelegenheidsbescherming.

 

Hoogachtend,

Met vriendelijke groet,     Tj.W. Strubbe

Noten ter onderbouwing:

[5]  Brief aan alle B&W’s en de VNG op: https://jeugdbescherming.jimdo.com/ .

[7]  Blz. 93 derde streepje: https://www.dekinderombudsman.nl/92/ouders-professionals/publicaties/rapport-is-de-zorg-gegrond/?id=325 . Dullaert vond onwaarheden door onduidelijke vermenging van beweringen, feiten en suggesties in die jeugdzorgrapportages.

 

 *: