Arresten van het EHRM rond kinderbeschermingsmaatregelen, ter lering voor ouders:

Uittreksel uit (deels citaten uit)

Kroniek van het personen- en familierecht

Door Prof.dr. Caroline Forder

In: Nederlands JuristenBlad 14-10-2016 - Afl.35, vanaf pag. 2572 

 

Kinderbeschermingsinstanties en jeugdrechters zijn gehouden tot naleving van de criteria die uit de rechtspraak van het EHRM (Europees Hof v.d. Rechten v.d. Mens) voortvloeien.

Dit zou belangrijk moeten zijn omdat jeugdrechters niet als rechters vastzitten aan de hand van een vast omlijnd toetsingsmodel ((Bron: R. Feiner, ‘Wie toetst de rechten van broers en zussen op samenplaatsing?’, NJB 2015/2172, afl.43, p.3014-3019, p.3018 m.n.)).

 

Dus jeugdrechters werken met vrije motivering, maar er is wel het nodige bepaalt door het EHRM.

Er worden meerdere uitspraken behandeld uit de jurisprudentie van het EHRM in ‘Kroniek van het personen- en familierecht’ door bijzonder hoogleraar C.J. Forder (VUA).

 

Prof.dr. Ido Wijers noemt dat uit EVRM artikel 8 volgt dat de rechter bij het nemen van een kinderbeschermingsmaatregel steeds dient na te gaan: a. of er voldoende {diagnostisch gemeten} aanleiding is voor de ingreep; {Een chirurgische operatie laat men ook niet over aan sociaal werksters}; en b. of er {diagnostisch} onderzoek is gedaan naar de impact van het ingrijpen op het gezin; en c. of er onderzoek is gedaan naar {diagnostischer of therapeutischer} alternatieven. In proportionaliteit en professionaliteit.

 

Kinderbeschermingsrecht: onderbouwing van beslissingen:

 

In de zaak Kocherov en Sergeyeva, Rusland in EHRM 29 maart 2016, appl.nr.16899/13, verlangt het EHRM van de kinderbeschermingsinstanties dat zij “concreet bewijs” ter onderbouwing van de stellingen aanleveren.  Er waren wel factoren bij de ouders die zouden kunnen leiden tot voortzetting van uithuisplaatsing, maar bij verbetering van een ouder heeft de kinderbescherming niet valide met meting hard kunnen maken dat er een voortduring was van ‘ernstige bedreiging’, temeer daar er toezicht bij ouder aanwezig was.

 

Beperking in omgang behoeven recent en ònàfhankelijk advies, zo oordeelde het EHRM in de zaak Cincimino/Italië, 28 april 2016, appl.nr.68884/13.

Moeder kreeg depressie en na diagnose, ook een mate van narcisme, werd haar gezag na 1 jaar beëindigd.  De omgang met kind werd eerst beperkt en na twee jaren beëindigd.  Tien jaren na het begin verzocht moeder om haar kind te mogen bezoeken, maar haar verzoek werd afgewezen, ondanks dat moeder een recent nieuw diagnostisch onderzoek had voorgelegd (Mensen kunnen zich ontwikkelen en veranderen).   De kinderbeschermingsinstanties beriepen zich op de oude rapportages.   Het EHRM vond dit een schending van artikel 8 EVRM.   De rechter had een recent en onafhankelijk psychiátrisch advies moeten gelasten over de vraag of de eerdere stoornis bij verzoekster persisteerde en zo ja, of door de stoornis de moeder nog steeds een zodanige ‘bedreiging’ vormde voor de opgroeiende dat volledig uitsluiten van omgang tussen moeder en inmiddels twaalfjarig kind gerechtvaardigd was (R.o. 73).   Daarbij behoort de nieuwe adviseur niet betrokken te zijn geweest bij de eerdere diagnoses. Zo blijkt dat ECLI:NL:HR:2010:BO1245 niet in de haak te zijn geweest. 

 

Gelijkwaardigheid der partijen in juridisch proces:

 

Partijen in een kinderbeschermingsprocedure (instanties en beide ouders zijn juridisch partij!) zijn niet gelijkwaardig.  De instanties werken veelal clichématig op een herhaalspoor.  Ze zijn ‘professioneel’ in tegenstelling tot de ouders die veelal niet de juiste voorlichting (informed consent; FJR2015/51) verkregen, zowel pedagogisch als procedureel.

 

In de zaak N.P./Moldova, EHRM 6 oktober 2010, appl.nr. 58455/13, houdt het EHRM rekening met deze ongelijke positie. Er werd teveel uitgegaan van de stukken van de instanties en naar alternatieven van de ouders werd nauwelijks of niet gekeken. De beslissing van gezagsbeëindiging werd gestoeld op suggesties omdat het halve waarheden betrof zonder naar meer te zoeken wat positief was en een goed alternatief kon vormen voor het kindbelang (R.o. 75-77).  -  Let wel dat bij omgangszaken er minimaal 3 juridische partijen kunnen zijn:  de vader, de moeder, alsmede de kinderbescherming of/en jeugdzorginstantie; en ook dient het kind, psychologisch verantwoord, niet vergeten te worden.

 

Bij uithuisplaatsing van broertjes en zusjes bij elkaar:

 

Bij beslissingen tot uithuisplaatsing van meerdere kinderen in een gezin toetst de jeugdrechter niet of het proportioneel en gerechtvaardigd is om de uithuisgeplaatste broers en zusters niet samen te plaatsen, en dit nalaten is een verdragsschending, zo betoogde Feiner in dit blad NJB 2015/2172, afl.43, p.3014-3019.  Ook artikel 3 [en 24] IVRK speelt hier mee.   De rechter behoort gemotiveerd zich te vergewissen dat er op zorgvuldige wijze is afgewogen of er relevante en adequate redenen (uitleg op ontwikkelingspsychologische uitwerking) zijn om de broers en zusters niet samen te plaatsen.   Geen geld of gebrek aan plaats mag geen [slap] excuus zijn.

Materieelrechtelijk volgt uit de genoemde verdragsbepalingen dat slechts kindgerìchte afwegingen kunnen rechtvaardigen dat uithuisgeplaatsten gescheiden opgroeien. Organisatorische problemen of gebrek aan plaats zijn geen relevante redenen. Beide regels worden toegepast in de overweging van het EHRM in zaak Vujica/Kroatië, 8 oktober 2015, appl.nr.56163/12, par.98.  De overweging is ook van toepassing in de context van kinderbescherming.

 

In de zaak van Soares de Melo/Portugal, EHRM 16 februari 2016, appl.nr.72850/12, par.114, overwoog het EHRM dat de uithuisplaatsing van zeven broers en zusters over drie verschillende instellingen niet slechts het uiteenvallen van het gezin, maar tevens van de ‘fratrie’(broeder- en zusterschap) had veroorzaakt, één en ander in strijd met de hogere belangen van de kinderen. In dit verband is het opmerkelijk dat de Nederlandse taal geen woord kent voor de familieband tussen broers en zusters, een band die zoals Feiner opmerkt “de langst mogelijke relatie [is] die mensen met elkaar kunnen aangaan.”

 

Recht op een advocaat in kinderbeschermingszaken:

 

De verantwoordelijkheid van de mogelijkheid van rechtsbijstand van een advocaat voor ouders in geding met de ‘jeugdzorg’ [van de overheid] ligt bij de staat volgens het EVRM.  Sommige rechters weten dit en kunnen de zitting schorsen totdat het gezin een (passend) advocaat heeft.  

 

Het EHRM heeft zijn eisen betreffende juridische bijstand opgeschroefd.   In bovengenoemde zaak Soares de Melo/Portugal  laakt het EHRM het feit dat klaagster in eerste en tweede aanleg niet was bijgestaan door een advocaat. In geding was de uithuisplaatsing van klaagsters tien kinderen, de jongste zeven met oog op adoptie.   Er was geen sprake van kindermishandeling; de problemen hadden overwegend te maken met armoede.  De autoriteiten hadden klaagster op geen enkele manier geholpen. (EVRM6)

 

Gelet op de complexiteit van de procedure en de vèrstrekkende gevolgen daarvan had het voor de hand gelegen om klaagster enige procedurele waarborgen – toevoeging van een advocaat – aan te bieden, oordeelde het EHRM, onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraak in Assunção Chaves/Portugal, EHRM 31 januari 2012, appl.nr.61226/08, par.82-84.  Bij de derde rechterlijke instantie had klaagster wel een advocaat, wat het EHRM aanleiding gaf op te merken dat zij daardoor veel beter in staat was geweest on deel te nemen aan de procedure dan in de lagere rechterlijke instanties. -{Leer er uit dat ouders niet alles aan hun advocaat moeten overlaten maar zèlf dienen te begríjpen waar het om gaat en hoe dat uitwerkt!}-.             Een dergelijke juridische procedurele waarborg dient er voor te zorgen dat klaagster [dus de ouders] exact zou kunnen begrijpen wat er speelde, maar eveneens dat ze in staat was om in de procedure te participeren, aldus het EHRM, 16 februari 2016, appl.nr.72850/14, par.116-117.

 

Plaatsing gesloten jeugdzorg zonder machtiging, en seksueel risico:

 

De inspectie ontdekte dat er kinderen zonder rechterlijke machtiging gesloten waren geplaatst, met een of meer vrijheidsbenemende maatregelen, op ‘vrijwillige drang-basis’.   Dit blijkt nu niet te mogen, ook al zouden deze kinderen in een aparte groep of paviljoen zitten.   Het zou enkel kort op een noodsituatie kunnen voorkomen, alsnog met twijfel of het mag.   De Jeugdwet 6.3 gaat er over. Hierbij werd gelet op artikel 5 lid 1 EVRM.   De instelling heeft alsnog de plicht tot het verstrekken van ‘verantwoorde hulp’ (Jw 4.1.1).

 

Tevens bleek dat in vier van de 25 onderzochte instellingen de inspectie met een ‘onvoldoende’- of ‘matig’-oordeel kwam t.a.v. mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag in die jeugdzorg.  Bij een aanzienlijk deel van die instellingen oordeelde de inspectie dat er verbeteringen nodig waren op de volgende punten:   het systematisch spreken met de pupillen over omgangsvormen, intimiteit en seksualiteit; de seksuele ontwikkeling van de kinderen als vast onderdeel van de ‘hulp’; periodiek evaluatie van risico’s op seksueel grensoverschrijdend gedrag met gebruik van risico-taxatie-instrument (domme afvinklijstjes); structurele scholing van medewerkers; goed evalueren van incidenten (of onder tafel vegen).

 

Belang kind gaat voor moeder:

 

In zake van een verwekker die bezwaar gaf aan erkenning van andere, opvoedende man, blijkt dat geen schending van artikel 8 EVRM op te leveren.

De nationale rechters oordeelden in dat geval dat het kind belàng had bij het vaststellen van een juridische band met de biologische afkomst, de verwekker, en dat dit belang niet mocht wijken voor het belang van de moeder, haar partner en het kind bij een ongestoord gezinsleven.  Het is niet strijdig!   EHRM, Mandet/Frankrijk, 14 januari 2016, 30955/12, par.56-60.

(Hierbij o.a. uitspraak:  Erkenning, vernietiging, vervangende toestemming:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:851 :

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is een dochter geboren in 2010. De moeder heeft een nieuwe relatie. De advocaat van de man heeft bij brief van 17 september 2013 de moeder verzocht binnen een week te berichten of zij bereid is mee te werken aan erkenning van de dochter door de man, met aankondiging dat, bij gebreke daarvan, de rechter zal worden verzocht de man vervangende toestemming tot erkenning te geven. De dochter is op 26 september 2013 met toestemming van de moeder erkend door de nieuwe partner van de moeder.
De man heeft vervolgens de Rechtbank verzocht de erkenning door de nieuwe partner van de moeder te vernietigen. Voorts heeft hij verzocht hem op de voet van art. 1:204 lid 3 BW vervangende toestemming tot erkenning van de dochter te verlenen. De Rechtbank heeft de verzochte vervangende toestemming verleend, met last tot doorhaling van de vermelding in de registers van de burgerlijke stand van de erkenning van de dochter door de nieuwe partner van de moeder.
De moeder stelt hoger beroep in. Het Hof heeft de bestreden beschikking vernietigd en de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken. Het Hof heeft daarbij geoordeeld dat de man niet tijdig om vervangende toestemming tot erkenning heeft verzocht.

Rechtsvraag:

Is de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot verlening van vervangende toestemming tot erkenning van zijn dochter?

Beslissing:

De Hoge Raad beslist dat de erkenning door de nieuwe partner van de moeder een voorwaardelijk karakter had, aangezien de man met een brief van een advocaat aan de moeder om toestemming tot erkenning heeft verzocht en binnen drie maanden na deze brief het inleidende verzoekschrift heeft ingediend (zie hierover uitgebreid: ECLI:NL:HR:2015:3196, NJ 2015/455). Het Hof had daarom moeten beoordelen of aan de man op grond van art. 1:204 lid 3 BW vervangende toestemming tot erkenning kon worden verleend, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het Hof. ).

= Het kind heeft dus toekomstige belangen t.a.v. ‘afkomst kennen’.

 

Verder:

De Kroniek door C. Forder gaat ook in op ‘gevangenschap’ van de (in eerste instantie jonge) vrouw door middel van in Nederland gesloten religieus huwelijk (BW1:68 de nodige [ECLI]rechtszaken en EHRM 2-11-2010, Serife Yigit/Turkiye, 3976/06, par.84). De details kunt u daar lezen.

 

En de Kroniek gaat ook in op het wetsvoorstel omgang na partnerdoding. Dit betrof tussen 2003 en 2013 ongeveer 260 kinderen. Ook hier wordt literatuur en EHRM 19-06-2003, Nekvedavicius/Duitsland, EHRM 17-05-2011, 9732/19, etc. genoemd, met accent op de psyche en diagnostiek van de opgroeiende.

Ook werd er getwijfeld aan de bescherming van persoonsgegevens.

 

“Kinderrechters zouden doordrongen moeten raken van jet proportionaliteitsbeginsel en zouden de concrete regels daarvoor die het EHRM in zijn rechtspraak heeft vastgelegd in hun rechtspraak moeten toepassen.”, aldus Forder.

 

En wat te denken van het kinderrecht op vrije toegang tot de jeugd-gezondheidszorg (IVRK 24 lid 1: hoogste mate van gezondheidszorg en daarbij horende diagnostiek) waar de regering de gemeenten een bezuiniging oplegt, en er anno 2016 escalerend lange wachtlijsten ontstaan en diagnostisch en therapeutisch specialisten failliet gaan, aan hen de subsidie wordt opgeheven, of door de bureaucratie aan formulieren en afknijpende contracten hun kundigheid ten dienste van de jeugd verlaten?!

 

Moet de gezondheidszorg {wat méér is dan sociale zorg voor jeugd}  in handen van sociaal werkers qua opleiding worden gelegd (strijdig met artikel 24 lid 1 IVRK)?

Hoe vaak weigert of bagatelliseert de 'jeugdzorg' de vraag of een onafhankelijk diagnostisch rapport van de ouders?!   Al te vaak, terwijl de jeugdzorgwerker geen specialist is in orthopedagogische of medische zin. De smoes is dat er een 'professional' of zelfs 'gedragswetenschapper'(niet te verwarren met een echte gedragsdeskundige) in het team zat, maar die zag en onderzocht het cliëntsysteem niet zelf, wat bij echte deskundigen behoort bij de beroepscode.

Ook kunt ge leren van de precedente uitspraken op deze site. Daarmee kan men eigen verweer sturen en motiveren.