Bezoekregelingen zijn vaak niet

 

diagnostisch bepaald en schadelijk !

 

     Hieronder verschillende uitleg en tips, dus scroll!

 

Inleiding

 

Zowel bij uithuisgeplaatste kinderen (onder OTS) als bij gescheiden ouders (omgangssaboterende ouder) komt het nogal eens voor dat de bezoeken, de zo belangrijke contacten met de (eerste) ouders en familie, om organisatorische redenen of op onderbuikgevoel ingeperkt worden.

 

Menigmaal wordt er geen rekening gehouden met de behoeften van het kind.

Het kind heeft niet alleen een belangrijke latere behoefte diens ouders (duurzaam en onbelast) te kennen voor een goede ontwikkeling in de identiteitsfase, doch ook, zo blijkt uit de wetenschap, is het blijvend kennen , en dus blijvend contact, zeer belangrijk tegen de ziekteverschijnselen die zich ontwikkelen door het weggehouden worden.

 

 

Dit grijpt in in de hormoonhuishouding van het kind en in het psychisch welbevinden.

 

Er kunnen diverse lichamelijke en psychische klachten ontstaan die zowel (gezins)voogden als pleegzorgers niet kunnen onderkennen. Vaak hebben ze hier geen weet van, en zijn ook niet medisch bevoegd dit te ‘diagnosticeren’ en daarop beleid te maken.

 

In het in wetenschappelijk artikel van professor medicus Ursula Gresser in het vakblad Neue Zeitschrift für Gamilienrecht 21/2015,  getiteld  “Mach Kontaktabbruch zu den leiblichen Eltern Kinder krank? Eine Analyse wissenschaftlicher Literatur”,   legt ze uit wat wetenschappelijk in recente internationale onderzoeken is gevonden.

 

Het afbreken van regelmatig contact met ouders (of een ouder) maakt kinderen ziek. Deze klachten kunnen zich zelfs voortzetten tot ver in de volwassenheid. Ziekten als pathogene heimwee, depressie, loyaliteitsconflict- en minderwaardigheidssyndroom (PAS, oudervervreemding), maar ook fysieke klachten, komen te regelmatig voort uit het gebrek aan contact.

 

 

“Na deze publicatie”, zo zegt Gresser, “kunnen rechters (en het Jugendamt, de gezinsvoogdij) zich niet meer verschuilen door dit kinderbelang te negeren”.

 

Kinderen weghouden bij hun ouders door jeugdzorgbeslissingen of rechterlijke vonnissen wekt heimwee en andere verschijnselen op in het kind:

 

Het Cortisol-gehalte, een stresshormoon, blijkt in pleegsettingen langdurig te hoog, en dit is fysiek schadelijk.

 

Dat bewees reeds in 2002 Mary Dozier ook al. (Vanaf ca. dia 22 op https://issuu.com/tjwstrubbe/docs/gehechtheid__diagnostiek_en_jeugdzo).

 

Er treedt disregulatie op, te onderkennen op gedragsniveau, (schijngedrag, wrevel, vage ongenoegens, minderwaardigheidscomplex, depressie, agressiviteit, suïcideneigingen, etc.) op emotioneel niveau, en op fysiologisch niveau (bijv. neuro-endocrine disregulatie, neurotransmitters, stresshormoon).

 

Normaal daalt het Cortisol-gehalte van ’s ochtends [ca. 0,3], ’s middags [ca. 0,2] tot bedtijd [ca. 0,05]. Bij pleegkinderen werden zeer afwijkende, zelfs oplopende gehaltes gemeten, meer dan drie maal de standaarddeviatie. Dat is niet gezond.

 

Gresser vertelt dat dit een druk geeft die er, eerst nog buiten het zicht van de opvoeders en pleegzorg waaraan het kind afhankelijk is, naar buiten komt, vaak pathogeen, ziekteverwekkend.

(Vaak wordt een teken van ongenoegen en wrevel rond het bezoektijdstip genoemd als reden om de bezoekfrequentie te verminderen, groter schade veroorzakend).

 

Links over de publicatie: http://www.3sat.de/page/?source=/nano/medizin/187842/index.html of http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wertenschap-kind-oudercontact-schaden-is-schadelijk/ .

  

In de adoptiewetenschappen is ook bekend dat kinderen die hun ouders moeten missen later grote problemen kunnen ondervinden van het ‘niet-kennen’. Zoektochten zijn regelmatig frustrerend, en verwachtingen die onbeantwoord blijven drukken de psyche. En daarbij is de FIOM, eens goed voor begeleiding en voorlichting, voor ouderszoekenden wegbezuinigd. Dit fundamenteel zoeken naar de ‘roots’ kan pathogeen werken.

 

Er wordt aanbevolen om zo mogelijk de ouders te laten ‘kennen’, contact te houden met de biologische ouders. Ook wordt aanbevolen om de bezoekfrequentie hoog te houden en voldoende lang om uit het wen-uurtje verder elkaar te ‘kennen’. Een dagdeel als minimum.

 

Bij kinderen die van hun ouder of ouders gescheiden zijn ligt het percentage op ca. 12 tot 20%. Met deze wetenschap kan beter beleid gemaakt worden.

 

Bij de juridische afweging mogen rechters ook bedenken dat het door pleegzorg aldus geschade kind eens zal onderzoeken waarom het niet thuis mocht wonen.

 

De opgegroeide kan de matige onderbouwing, zonder open en valide diagnostiek, en de beschuldigende redenen waarom de ouders naar wet kennelijk niet goed genoeg zouden zijn, als een diskwalificatie van diens ouders en van zichzelf ervaren.

 

Zelfs eerder al. De opgroeiende zal zich in de pleegsettingèn, want vaak wordt een kind keer op keer overgeplaatst tegen het advies van prof. Femmie Juffer (Research Memorandum nr. 6-2010, hoofdstuk 4) in, gaan afvragen ‘waarom het niet thuis mag wonen’, en krijgt redenen te horen over diens ouders. Er is daarover ook een aanvulling verschenen in FJR 2012/95+.

 

De praktijk leert dat deze ouders worden weggezet alsof ze het kind niet goed zouden opvoeden, het niet kunnen, psychisch ziek zijn, en deze pseudodiagnoses zullen later als ernstige leugens ervaren worden.

 

Maar ook tijdens de pleegzorg kan het kind gepest worden omdat het niet thuis woont. Pesten is een van de onderschat grote contra-indicaties om tot uithuisplaatsen te komen!

 

Beter is de ‘bedreiging’ weg te plaatsen, en de ouders de ‘hulp en steun’ te leveren (naar BW1:262 lid 1 om naar lid 3 toe te werken), wat gunstiger is voor het kind en diens psychische ontwikkeling en verwerking.

 

In de praktijk zouden de ouders urgent de juiste en kwalitatief hoogwaardige voorlichting en begeleiding moeten ontvangen van een enthousiasmerende specialist (BIG).

 

Waar zelfs de jeugdzorgwetenschapper Tonny Weterings (bekend van vele dubieuze de jeugdzorg en rechters beïnvloedende publicaties, http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/beleid/) vermeldt dat een kind veelal pas na 5 jaren gewend is in een pleegsetting, is de juridische praktijk dat de ouders niet de wettelijke steun en voorlichting krijgen en er al snel intern in de G.I., zonder open diagnostisch onderzoek (ook geen valide interactie-onderzoek), een beleid gevoerd wordt tot niet meer terugplaatsen, of althans de evt. terugplaatsing te ontmoedigen.

 

Vele beweringen vanuit de ‘jeugdzorg’ zijn niet valide, niet medisch verantwoord.

 

Rechters zijn geen medici, en geloven de ‘professional’ die door het overheidsbeleid daartoe is aangesteld, al is dat beleid onderhevig aan bezuinigingen en te groot personeelsverloop om enige deskundigheid op lager niveau in stand te houden.

 

‘Jeugdzorg’ zelf is niet hoogwaardig deskundig, want dat zijn medisch beëdigde specialisten die naar hun beroepscode zelf op ópen onderzoeksvragen van ook de ouders (metend) diagnosticeren en tot een meest optimaal hulptraject zouden moeten komen.

 

Daar lijkt de ‘jeugdzorg’ allergisch voor te zijn; is het mogelijk dat ze angst hebben door de mand te vallen?

 

Zo komt als reden van niet-terugplaatsen dat het kind een ‘hechtingsstoornis’ zou hebben waardoor het niet bij de ouders kan wonen. Zonder gespecialiseerd diagnostisch rapport. Daarover is in het maandblad FJR (Familie & JeugdRecht) 2012/95 (http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/fjr-2012-95-over-hechting/) geschreven dat er echt moet worden gediagnosticeerd (liefst als nulmeting voor de OTS) omdat er diverse oorzaken zijn voor enige mate van onveilige gehechtheid.

 

In het algemeen worden - in jeugdzorgland - de bezoekregelingen zonder valide diagnostische reden ‘afgeknepen’. Eerst per week, dan per twee weken of per maand, dan telkens minder. Organisatorische redenen en de neiging prejudisierend naar ontheffing te werken, zonder diagnose, lijken de oorzaak en de leidraad; niet de fundamentele behoefte van het kind als centraal stellend inclusief de als noodzaak aangetoonde kind-ouderbanden.

 

Men zou zich mogen afvragen of 12 uurtjes per jaar, telkens een wen-uurtje bezoek dat wordt beëindigd (voor het kind als straf) door haastig afscheid moeten nemen zonder aan de verwerking en het wennen van  het kind te denken, wel voor een geestelijke gezondheid kan zorgen.De gezinsvoogd heeft haast.

 

 

Met het kind in ontwikkeling wordt op jeugdzorgniveau te weinig integraal rekening gehouden.

 

Het is derhalve terecht dat ouders procederen tegen de G.I. om in de eerste jaren Uithuisplaatsing al te werken aan het niet terugkeren.
Veel zien we dat de ouders geen juiste voorlichting krijgen op zeer begrijpelijke en concrete schaal wat verbeterd moet worden, en hóé ze dat moeten doen. (Wanneer ouders vragen, concreet doorvragen naar juist meten, 'diagnostische waarheidsvinding', dan wordt dat door de gezinsvoogd, die geen valide waarnemer is, geen orthopedagoog-generalist (BIG), neergeschreven alsof ouders 'tegenwerkend' zouden zijn. Dit is een algemeen maar zeer vreemd verschijnsel onder gezinsvoogden.)

 

Wat moeten de ouders onder OTS leren, met welke cursus, of bij welke enthousiasmerende specialist? Dit moet voldoende concreet en meetbaar zijn!

Daar mogen ouders op doorvragen. Informed consent. (FJR 2015/51).

 

 

Eigenlijk zouden gezinsvoogden geen ontheffing mogen inzetten vooraleer zeer meetbaar duidelijk is dat deze hulp en steun (BW1:262 lid 1 ten dienste van lid 3 en IVRK artikel 24 lid 1) heeft plaatsgevonden, zwart op wit.

Het is de taak van de jeugdrechters (ook naar LJN BD1113 van CRvB) om ook bestuursrechtelijk te meten of de rapportage vanuit de G.I. naar de rechters valide is.   Ontdaan van de vele fouten die de Kinderombudsman (http://www.dekinderombudsman.nl/92/ouders-professionals/publicaties/rapport-is-de-zorg-gegrond/?id=325) en ook rechters (FJR 2010/92) vonden.

Rechters zouden dus beter moeten meten waar de ouders overvallen zijn door beschuldigende insinuaties, zonder deugdelijke meting op diagnostisch niveau. Rechters willen vaak niet echt meten.

 

Het kan dat de rechters met een productie ingelicht worden door gespecialiseerde advocaten, maar het zou hun eer te na zijn om niet zelf als rechter op de hoogte te zijn van hoe te meten.

 

                   _____________________________________________________________________________  

Bij een te korte of te weinig frequente

 

contact-/bezoekregeling:

 

Ouders staan vaak voor een te slechte bezoekregeling – vanuit het kind bekeken (wat ouders vaak vergeten in hun motivatie) – waardoor het kind diens ouder(s) te weinig en te kort ziet om latere belangen veilig te stellen, het ‘kennen’ van diens afkomst en familie, dat nijpt in de identiteitsfase en vaak doorspeelt in de volwassenheid, ook ten aanzien van de eigen relationele vaardigheden.

 

Hier uitleg, die hard nodig is wanneer ouders eigenlijk niet concreet weten waarom een goede bezoekregeling voor het kind hard nodig is (niet denkend vanuit het kind), en een voorbeeldbrief:

 

Bezoekfrequentie en duur:

 

U als ouder wenst uiteraard zo snel mogelijk al na de eerste OTS+UHP-zitting - of daarop reeds - een bezoekregeling die geen contra-indicaties geeft in de psyche van het kind, en mogelijkheden tot terugplaatsing open laat, het kind in het ‘kennen’ van diens ouders niet beschadigend.

 

U wil vaker, regelmatiger qua frequentie;
maar ook wat langer dan het gemiddelde van een anderhalf uurtje, waarin het kind ook moet wennen.
Als het gewend is en dan snel daarna weer afscheid moet nemen, voelt het zich gestraft. Wat een teleurstelling voor het kind dat het na zo lang diens ouder(s) niet gezien te hebben (en voor een kind duurt enige weken al lang naar diens tijdsbelevenis) en hoe vertaalt het kind deze ‘straf’ naar het zelfbeeld? Dat wordt zo negatief beïnvloed.

 

Een dagdeel is dan beter voor het 'kennen' en de gehechtheid.

 

En de frequentie moet toch echt door een orthopedagoog-generalist met ontwikkelingspsychologische en gehechtheid-kennis beoordeeld worden.

Dus dient in aanvang de regeling optimaal te zijn om alle uitkomsten van OTS open te houden.

 

OTS moet zin hebben:

 

Nog steeds is het advies van prof. Van der Gaag actueel: diagnosticeer open vooraf aan een dwangtraject. Zo’n nulmeting is eveneens belangrijk bij het meten in de voortgang van de OTS, zeker voor jeugdrechters met compassie.  Zo’n rechter moet ook bedenken dat het pleegkind redenen te horen krijgt waarom het niet thuis mag wonen, en daarin zit dan een beschuldiging over diens ouders verstopt, dat daarenboven inwerkt op de psyche van het kind.
Die ouders met slechte bezoeksituaties kunnen schriftelijk en gemotiveerd vragen dat een orthopedagoog-generalist (liefst zelf gevonden), niet een pedagoog of gezinsvoogd (en we zien zelfs een onbevoegde pleegouder), de begeleiding of waarneming doet tijdens de bezoeken omdat de verslagen van de niet-medisch-opgeleide pedagogen of gezinsvoogden nogal wat vooringenomenheid tonen, de ‘fouten’ die de Kinderombudsman en anderen reeds gemeld hebben als knelpunt.

 

Deskundige verslaglegging, waar dat nodig is, dient manipulerende beïnvloeding van in feite sociaal werksters (gezinsvoogden) als speculatieve en beschuldigende dwangzorg te voorkomen.
Dat zal wel wat meer kosten op korte termijn, doch is ook voor het kind (op langer termijn, een heel leven) gezonder, wegens de sfeer en het meer spontaan kunnen zijn. Kinderen worden vooraf geïnstrueerd om over bepaalde onderwerpen niet te spreken, en dat drukt op het gemoed van het kind; wat daarop weer resulteert dat de gezinsvoogd de spanning ziet en de bezoekfrequentie wil verslechteren (hetwelk zeer ondeskundig ìs).
Desnoods moeten ouders zelf via de rechter deze bezoekregelingen optimaliseren ten behoeve van de ontwikkeling van het kind. Natuurlijk komt het belasten van bezoeken bij een gescheiden ouder, als negatief, vaak voor. Er zijn omgangssaboterende ouders, die het kind inzetten als wapen en de bezoeken van de andere ouder belasten, door dit via een omgangshuis zo kort en weinig mogelijk te laten verlopen. Dat is schadelijk voor het ontvankelijke kind dat dit als een signaal oppikt in diens ontwikkeling en wereldbeeldvorming.

 

Vreemd prejudiciëren door gezinsvoogden:

 

Het is – opmerkelijk – vreemd dat, waar nog niet vast staat dat het kind op diagnostische reden niet thuisgeplaatst meer zal worden, de contacten zo onthechtend laag worden gesteld door klaarblijkelijk gemakzuchtige gezinsvoogden dat deze besluiten van de gezinsvoogdij voor de kind-ouderband in de psyche van het kind schadelijk is, 'onthechtend', of beter gezegd, het leidt tot het ontwikkelen van een secundaire onveilige gehechtheid (Ger de Lange; noot in FJR 2012/95).
Het is, voordat een rechter daarover beslist heeft, prejudiciërend.
Met sociaalwerk-vooroordelen en zonder degelijk (diagnostisch) meten de terugplaatsing saboteren, is een vorm van kindermishandeling en heeft nadelige gevolgen voor de psychische ontwikkeling, ook later. De kans daartoe is 85%, en dat is groot genoeg om optimaal in te zetten, niet minimaal.
Eveneens behoort de gezinsvoogdij naar inspanningsverplichting naar BW1:262 te werken aan de eisen (n.a.v. BW1:255) waaraan de ouders moeten voldoen, en dus concreet en bewijsbaar de ouders die nodige steun en voorlichting ("informed consent") te geven opdat de ouders ten minste weten hoe het kind mag terugkomen en daaraan te werken.

Omdat de gezinsvoogd daarin vaak inspanningsverzuim pleegt, adviseer ik ouders niet af te wachten, maar zelf actief deskundig te worden op de vereiste gebieden, zèlf een specialist te contacteren voor tips (zonder toestemming uiteraard van tegenwerkende gezinsvoogden en ‘andere ouder’), en... die eisen concreet op papier te krijgen.

Men dient immers te meten, en te kúnnen meten, want anders is het bedoelen van de wet, BW1:255, 1:265a en Rv800 lid 3, te vaag.

 

Waar de gezinsvoogden die eisen niet concreet verstrekken, is de grond van de OTS dubieus! (Ouders mogen de ‘zorg’ bewaken volgens BW1:247).
In http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/909-zorgen-gemeten/  is dat duidelijk en wetenschappelijk bevonden een knelpunt in de praktijk te zijn.
Dat kan men gebruiken als bijlage naar de rechter. Daarbij staat over de ‘drang’ van de gezinsvoogd, haar eisen, ook wat in http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wat-rechters-niet-willen-weten-meten/ .

 

 

VOORBEELDBRIEF, DIE U MOET AANVULLEN UIT BOVENSTAANDE PUNTEN:

Brief om meer contact met uw ‘uithuisgeplaatste’ kind te vragen:

Uw naam en adres -
Aan (naam van de gezinsvoogd, naam instelling)
Adres
Betreft: zaaknummer t.b.v. naam en geboortedatum van uw kind


Uw woonplaats, datum

Geachte heer of mevrouw (naam gezinsvoogd),

Met deze brief vraag ik u officieel om mijn uithuisgeplaatste
zoon/dochter (naam kind) vaker te mogen ontmoeten. Dat wil zeggen dat het kind mij/ons regelmatiger en lang er ervaren tot het behouden van de kind-ouderband, een later belang van het kind. Wij zien elkaar nu één keer per maand (bijvoorbeeld), en slechts een uur, en dat is te weinig om normaal met elkaar te kunnen omgaan. Ik ben wegens wetenschappelijke inzichten (die u als ouder kent) bang dat (naam kind) langzamerhand van diens ouder(s) zal vervreemden, ‘onthechten’, en dat is natuurlijk niet goed voor een kind. Die kennis veronderstel ik bij uw instelling.

Ik vraag dit ook omdat ik nog nooit een argument heb gehoord waarom wij elkaar niet bijvoorbeeld
vier keer per maand zouden kunnen ontmoeten, voor een dagdeel. Ik verzoek u mij binnen enkele weken te antwoorden.

In het antwoord verwacht ik concrete toestemming, een weigering met argumenten (Awb3:46), of de concrete en te meten voorwaarden waaraan voldaan moet worden om toestemming te krijgen.

Met vriendelijke groet,
. . . .
In kopie aan de praktijkleider van
(naam gezinsvoogd)

 

---------------------------------------------------------------------------------------

Blijf dus niet afwachten.

Werk zwart op wit, opdat de gezinsvoogdij concreter haar werk dient te doen.

 

Het kind, dat volgens het OTS-mandaat aan de G.I. "in de knel zit", dient integraal centraal te staan, inclusief diens latere belangen in relationele sfeer en vermogens.

 

Hierna volgen nog enige tips!

 

 

Wat kan men doen na scheiding, bij een bezoekafspraak

met je kind, waar de andere ouder, mogelijk onwetend,*

aan omgangsfrustratie doet?:

 

                                                                            TIP
Lezen we het ingezonden bericht (Facebookreactie via Caroline B.), waarbij wel letten op de juiste begrippen en bijvoeglijknaamwoorden:


Als je je kind niet mee krijgt voor de omgangsregeling....’

 

Dit is mijn verhaal:
Ik kreeg mijn zoon niet mee voor de omgang regeling en wil graag mijn ervaring delen met jullie.

Vrijdags kwam ik bij het adres van mijn ex, die uiteraard ook een ouder is van het kind, om mijn zoon (5 jaar oud) op te halen voor de omgang regeling. Ik kreeg hem niet mee van mijn ex.

Hierop heb ik 112 gebeld, en medegedeeld dat mijn zoon gegijzeld werd. De politie is werkafschuivend, en bagatelliseert dan graag. Daarom moet men rustig en assertief zijn en blijven….  Op mijn 112-oproep ontstond een discussie met de mevrouw van 112 en werd me eerst te verstaan gegeven dat ik de politie niet voor mijn karretje moest spannen.

 
Toen ik mededeelde dat dit artikel 279 Strafrecht (Sr) betrof en dit een misdrijf is, en dat  mijn zoon en ik nu slachtoffer zijn, en dat de Politie hulp moet verschaffen aan hen die dat behoeven, stuurde ze toch een politieauto (maar wel zonder sirene, zei ze nog).

Dit duurde zo’n 20 minuten en de Politie arriveerde. De agent liep op mij af en zei dat het hier een civiele zaak betreft en dat ze niets konden doen. Dat is welhaast een standaard afschuifsmoes om ouders te intimideren, maar daarop blijft men rustig omdat u het volgende weet en doet:

Ik attendeerde de agent op artikel 279 Sr.. En dat hier een maximale gevangenisstraf op staat van negen jaar omdat mijn zoon beneden de 12 jaren oud is, en tevens dat de agent hulp moet verschaffen aan hen die dat behoeven, alsmede dat hij en zijn collega op het moment getuige waren van een misdrijf zoals omschreven in artikel 279 Sr..
Ik vroeg hem vriendelijk om in te grijpen, en dat ik anders genoodzaakt was om aangifte te doen tegen mijn ex (als dader) en tegen hem en zijn collega (als medeplichtige en zijnde misbruik maken van gezag). {Handig als men de politiewet ook kent}.

Dit volgens het Wetboek van Strafrecht artikel 48.
Ik vroeg hem alvast het adres van het dichtstbijzijnde politiebureau te verstrekken om meteen aangifte te kunnen doen. Ik attendeerde hem tevens dat de Politie verplicht is om de aangifte in ontvangst te nemen op grond van artikel 163 lid 6 en artikel 165 lid 1 Sv.
Hierop moesten de 2 agenten even in conclaaf en contact opnemen met het bureau.

Na een vijftal minuten liep één van de twee agenten naar mijn ex (die aan de overkant van de weg stond) en zei iets tegen haar; wat weet ik niet.

Hierop ging mijn ex mijn zoon halen en ik nam hem mee.
Ik heb verder geen aangifte gedaan… en ben ten aller tijde rusting gebleven.

Zondag, na een geweldig weekend heb ik mijn zoon conform het vonnis op tijd terug gebracht.

 

       Tip:
Breng wel je vonnis mee, en de artikelen uit het wetboek van Sr en Sv.

  Heb dus alles zwart op wit bij u.

  Dit is een heel mooi voorbeeld! Netjes met alle onderbouwing op papier.
  Rustig.
  Geen emoties tonen.

  Zelfbeheersing en zelfreflectie.
  En geluidsopname in geheim (en dit is niet strafbaar omdat u het voor uzelf gebruikt, waar uzelf op te horen bent)  is dan handig voor een eventuele negatiever ingestelde politieagent.

En wanneer de ouders netjes rustig zich representeren in netjes overleggen en communiceren met de politie, dan is dat ook een levensvoorbeeld voor het kind, dus niet schadelijk.

___ 

 

*: om de onwetendheid te doorbreken en bewust te maken van de escalerende kracht van de jeugdbescherming en gezinsvoogdij is het handig zonder verwijt dit stuk   https://www.dropbox.com/s/e2exwdaacp7dnma/Wat%20ondervinden%20kinderen%20%2B%2B%202016.pdf?dl=0  af te drukken (openbaar) en te geven. (Bij dergelijke Dropbox-linken hoeft men niet in te loggen, dus klik naast een evt. inlogscherm!)