Brief aan Tweede Kamer - inhoudelijk onbeantwoord

 

Er zit een juridisch GAT in de

 

wetgeving rond jeugdzorgzaken:

 

 

Geachte volksvertegenwoordiger,                                              –- 22 juli 2015 -–

 

Het kinderrecht op second opinion voordat er een belastend ‘hulptraject’ wordt ingezet onder een zware kinderbeschermingsmaatregel is niet gewaarborgd door een omissie tussen artikel 810a en 803 uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

 

Wat wil het geval?:

 

Op rechtszaken met betrekking tot OTS, Uithuisplaatsen, verlengingen machtiging UHP en Ontheffingen (=Beëindiging ouderlijk gezag) mogen naar Rv[1] 803 geen deskundigen of te beëdigen getuigen van de zijde der ouders de rechtszaal in, tenzij de wederpartij, zijnde de kinder-/jeugdbescherming als spil, er onverhoopt in zou toestemmen.

 

Deze kinder- en jeugdbescherming is niet van het diagnostieke kennisniveau om integraal te wegen. Wetenschappers gaven reeds het advies om ‘zwaargewichten’ in deze ingang te zetten die het cliëntsysteem zien en onderzoeken. De jeugdbescherming is meer ter coördinatie, al toont deze in de praktijk op eigen niveau te werken en beschikken.

 

Ouders, die niet helderziend en voorspellend zijn,  kunnen slechts vòòraf schriftelijke verklaringen van deskundigen en getuigen inbrengen naar Rv[2] 810a lid 1, en die kunnen ook nog geweerd worden door een rechter die geen medische kennis heeft en afgaat op de mogelijk partijdige jeugdbescherming.  (Een rechtszaak is niet nodig indien de kinderbescherming/gezinsvoogdij geen juridische partij zou zijn). 

 

Zo kan de gezinsvoogd herhaaldelijk in (verlengings)verzoeken het ‘vermoeden’ uiten of beweren dat de ouder lijdt aan een psychische aandoening of het kind lijdt aan bijvoorbeeld hechtingsstoornis[3] op de zitting achter gesloten deuren.  De ouders kunnen geen weerwoord daarop láten geven door een diagnostisch specialist ter zitting.  Vragen, naar aanleiding van deze ‘suggesties’ of dit beweren ter zitting door de gezinsvoogdij, naar een valide diagnostisch rapport en de onderzoeksvragen[4], waar de ouders niets van af weten, worden afgedaan met “wij zijn deskundig”.  De niet-medisch-opgeleide rechter gelooft dat gewoonlijk, soms met enig gevoel van ongenoegen.[5]  Onder andere de Kinderombudsman vond ook “fouten” in de inbreng van de gezinsvoogdij waarop de rechter acteert.

 

De ouders moesten maar vooraf met inbreng van deskundigen- of getuigen-rapport de te verwàchten suggesties en beweringen tegenspreken.

 

Zo wordt een second opinion op niveau geweerd in de weging tot al dan niet (verlenging) mUHP.

 

En een passender behandeltraject wordt zo voor het kind langdurig uitgesteld.

 

Ook het kind heeft recht op het niveau van WGBO (en IVRK 24), maar dat wordt door het duren van de kostbare rechtsprocedures welhaast onmogelijk gemaakt; zeker wanneer de ‘gezinsvoogd als spil’ geen andere inzichten wil aannemen van echte deskundigen, en in de rechtszaal het niet te weerleggen laatste woord heeft (– de ouders heten geen professional te zijn).

 

De zorgbewakende ouders (naar BW1:247) moeten het doen met vooruitlopen van bewijs tegen wat de ‘jeugdzorg’ op de zitting (onverwacht) gaat beweren.

 

Het komt zelfs voor dat ouders diagnostische rapporten (van beëdigde specialisten) inleveren bij de gezinsvoogdij, maar dat deze verdwijnen en niet als tegenwicht ingebracht worden ter zitting. Een bekende case is die van Khan Yörükseven[6].

 

Rv 803 ziet er op toe dat de privacy gewaarborgd wordt, ook al willen de ouders, door jeugd­zorgervaringen wijs geworden, een mate van deskundige openbaarheid.  Doch Rv 803 strijdt met het kinderrecht op hoogwaardig wegen tot het besluiten over kind’s plaats tot opgroeien en psychisch ontwikkelen (bij het ervaren van pleegzorg), en zo diens belang bovenmatig beperkt.

 

Deskundigen hebben hun beroepsethiek en bewaren de privacy zelf meer dan het jeugdzorgniveau. De gezinsvoogden ter zitting zijn niet beëdigd.

 

Waar kind en/of ouders aan het belang van het kind willen doen op niveau van (eigenlijk diagnostisch bedoelde) waarheidsvinding en ‘belang van het kind’ (BW1:247 en gezinsband) wordt het – ook (psycho)medische – kind-belang te veel ingeperkt wegens beweringen en wens vanuit het niveau van de gezinsvoogdij, onder het mom van privacy, dat nu niet gewaarborgd is in de jeugdhulp, waar niet-medische ambtenaren deze diagnoses wel mogen opvragen.

 

Een discrepantie.

 

We kennen het onderzoeksrapport van de Kinderombudsman (‘Is de zorg gegrond’;[7] eind 2013) waarin weer eens erkend wordt dat in rapportages van de gezinsvoogdij, waar ook de kinderbescherming op af moet gaan, vele fouten staan die tot verkeerde weeg-argumenten en derhalve tot verkeerde besluiten kunnen leiden, die over het hoofd van een levend kind gaan.  Ook de bevindingen van mr. Pieter van Vollenhoven’s Onderzoeksraad voor de Veiligheid:  de ‘jeugdzorg’ blijkt te onbekwaam om een deskundige in te schakelen door diagnostiek. Of de bevindingen van Susan L. Smith, Donaldson Adoption Institute, ‘Keeping the Promise’, 2010, dat vond dat de reguliere jeugdzorg te onbekwaam was om tot valide diagnose te komen.

 

 

Fouten, die leiden tot zwaar belastende beslissingen, met (schadelijk) gevolg voor het zich ontwikkelende, ontvankelijke kind.

 

Ouders zouden zelfstandig recht moeten krijgen een hoogwaardiger second opinion ter zitting in te kunnen brengen, direct als weerwoord, om beweringen en bespelen door de jeugdbescherming, die leiden tot een kindbelastende maatregel, in evenwichtiger perspectief te kunnen zetten. De behoefte aan waarheidsvinding, dat ouder is dan het strafrecht. Het recht op second opinion, waar het kind een hulptraject dient te krijgen op echte, gemeten feiten (ópen diagnostiek, valide, integraal, hoogwaardig naar IVRK art. 24 lid 1).

 

De rechter zou moeten kunnen afgaan op echte feiten en inzicht van hoogopgeleide deskundigen en getuigen die in het belang zijn voor een optimaal handelen ten aanzien van het psychisch ontwikkelings­belang van het kind, dat zich niet veilig voelt in een vreemde pleegsetting of onder de dwang van een jeugdzorgwerker, qua opleiding slechts een sociaal werker.

(De gedragswetenschapper of de vertrouwensarts in de jeugdbescherming ziet veelal het cliëntsysteem nìèt, en gaat buiten diens beroepsethiek om af op de informatie die de jeugdzorgwerker wil en kan doorgeven.  Daar volgt geen diagnose uit!  Ook gebruikt de jeugdbescherming externe deskundigen die het cliëntsysteem niet zagen, laat staan onderzochten, en eveneens moesten afgaan op de informatie4 die de jeugdbescherming aanreikte.)

 

Eerdere signalen van de Nationale ombudsman en vele wetenschappers tonen eveneens aan dat de ingang tot deze dwangzorg bewaakt zou moeten worden door ‘zwaargewichten’ die (naar hun beroepscode) het cliëntsysteem zelf moeten zien en onderzóéken;[8] er is een diagnostisch advies nodig ter eventuele bevestiging van vermoedens vanuit de ‘jeugdzorg’ (en voor een gewichtiger advies aan hulptraject). 

 

 

Het is wetenschappelijk te onderbouwen:

 

Wetenschappers stelden ook dat een kind met dezelfde ‘jeugdzorg’-problematiek beter af is thuis met passende hulp (BW1:262-nieuwe wetgeving)[9] dan weggezet in een pleegsetting, bovenal als daarop nog eens overplaatsingen volgen, en deze pleegplaatsing geen netwerkplaatsing (bij voor het kind bekende familie of bekenden) betreft.   Overplaatsen komt onder de gezinsvoogdij zeer regelmatig voor in de praktijk, en is belastend voor een opgroeiende (i.t.t. terugplaatsen; prof.dr. Jo Hermanns). Het volgt ook uit de bevindingen van prof.dr. U. Gresser, 2015.

 

 

Dit geldt ook bij Omgangskwesties:

 

(Ook bij omgangssabotagezaken, die ‘jeugdzorg’ benoemt onder het misleidende woord ‘vechtscheidingen’, gaat het mis omdat er geen diagnose wordt toegelaten waarin beide ouders met kind gediagnosticeerd worden, nádat urgent de beide ouders goed en op niveau voorgelicht werden wat en hoe ze hun kind kunnen aandoen door niet op pedagogische kennis te handelen in signalen over de andere ouder; daartoe blijkt het niveau van ‘jeugdzorg’ niet is staat.  Regelmatig is de ‘vader’ die geen omgang krijgt, opkomend voor het kind op diens behoefte beide ouders, diens afkomst, durend te ‘kennen’, voor diens latere belang, in diens identiteitsfase; ‘vader’ ‘strijdt’ dan niet voor zichzelf of tegen de ‘moeder’.  Een ouder die niet meewerkt aan een hoogwaardig deskundigentraject ten gunste van het kind en diens kind-familiebanden, zou een tijdelijke ontheffing moeten krijgen, als stok achter de deur. Daar is de Omgangs-OTS-gezinsvoogd niet doorverwijzend in, naar een specialist die dit enthousiasmerend en positief doet.  Op zittingen krijgt men dan beweringen, halve of eenzijdige pseudodiagnoses, en beschuldigingen die de zaak vertroebelen, aangevuld met beweringen van de gezinsvoogdij. Daar zou de specialist die het geheel onderzocht en beide ouders lerend informeerde ook toegelaten dienen te worden.) 

 

 

Wat te doen met onwaarheden?:

 

Fair-play moet ook in de rechtszaal kunnen, daar waar de juridische beslissingen ‘achter gesloten deuren’ genomen worden over het ervaringstraject dat het kind zal opdoen, en waar ouders ondanks BW1:247 geen acuut professioneel weerwoord of bewijs kunnen geven zonder toelating van beëdigde deskundigen of getuigen  (die de beweringen en bagatellisaties vanuit de jeugdbescherming doorzien en tegen kunnen spreken mèt uitleg.  Oud-advocaat Peter Prinsen en Nationaal ombudsman Brenninkmeijer hebben geschreven over de 'noodzaak van vinden van onwaarheden', en het woord 'waarheid' een stropop achtten, waar ouders te vaak in trappen als afleiding van waar het om gaat.).

 

Een kind dat niet thuis mag opgroeien, naar diens belevenis, krijgt veelal problemen, zo bleek uit (wetenschappelijk) onderzoek. (De jeugdzorgwerkers met lage opleiding en zelfs de niet-medische rechters kunnen niet orthopedagogisch denken vanuit hoe een kind al dit dwingend handelen beleeft en verwerkt in diens psychische ontwikkeling.  En al snel moet men dan denken aan geestelijke 'institutionele kindermishandeling'.)

 

Hoe voelt een opgegroeide zich na diens onderzoek naar de gronden van ‘jeugdzorg’, als deze achteraf onheus bleken te zijn?

 

En hoe voelt het gemis niet bij de eigen ouders te hebben mogen opgroeien? (Wat is er geleerd vanuit de adoptiewetenschappen, die dit alles bevestigen?)

 

Daarom moet uithuisplaatsen, naast OTS, veel beter en hoogwaardiger bewaakt worden. Daartoe moet de mogelijkheid geschapen worden om ter zitting evenwicht te brengen in wat het lager-opgeleide niveau van kinder- en jeugdbescherming inbrengt en beweert. Een cursus van een maand aan een jeugdzorgwerker maakt nog geen diagnosticerend deskundige.

 

Hoe zien de Kamerleden toe op dit draaimoment (ter zitting) ten aanzien van het second-opinion-belang van het kind, dat tegen de ‘fouten’ (Kinderombudsman) moet worden behoedt? 

 

Aanbevolen wordt om onder Rv 803 toegang tot de rechtszaal toe te staan, waar de deskundige en getuige van de zijde der ouders zich wel willen laten beëdigen (i.t.t. de gezinsvoogdij die niet beëdigd werkt), zonder invloed van de jeugdzorgpartij.

 

Met vriendelijke groet,                           (Niet inhoudelijk op gereageerd).

 

 ----------------------------

 

NOTEN:


[1] Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 803, lid 1:  In verband met de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van belanghebbenden, geschiedt de behandeling met gesloten deuren.     Lid 2: De rechter kan evenwel op verzoek van een belanghebbende bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk openbaar is, indien zwaarwegende belangen bij openbaarheid daartoe aanleiding geven en de belangen als bedoeld in het eerste lid zich daartegen niet verzetten. {Waar de gezinsvoogdij de rechter wil ‘bespelen’, zal er geen toestemming komen}.

[2] Rv 810a, lid 1: In zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd zaken als bedoeld in het tweede lid alsmede die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen, beslist de rechter pas nadat een ouder, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

[3] FJR 2012/95:  (Vier oorzaken, en dus diagnose nodig).

[5] FJR 2010/92, pagina 248–249, door rechter/raadsheer mr. P.A.J.Th. van Teeffelen van het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch. 

[9] BW1:262-nieuw: lid 1: De stichting houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouders of ouder hulp en steun worden geboden opdat de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige, bedoeld in artikel 255, vijfde lid, binnen de duur van de ondertoezichtstelling worden weggenomen. De inspanningen van de stichting zijn erop gericht de ouders of de ouder zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen te laten dragen.   Lid 3: De stichting bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige.   Alsmede BW1:262a.  Vergelijkende vindplaats: http://peterprinsen.nl/HERZIENINGOTS-2011.htm