Het gevoel van de opgroeienden die hun

 

ouders missen              – Tips en uitleg – 

 

 

 

“Ik kan niemand vertrouwen. Alle mensen die mij dierbaar zijn, zullen mij op een gegeven moment verlaten. Uiteindelijk zal ik het toch allemaal alleen moeten doen”  =

 

Eenzaamheid. + Durende angst; een kinderleven lang, en ook later…. 

 

Pijnlijk, hoe een opgroeiende daarmee moet leven.

 

Dàn kan het zijn dat dit het gevolg is:

 

Kinderen, die niet bij hun ‘eerste ouder(s)’ mochten opgroeien.

 

Dat mocht niet door pleegzorg, door adoptie, door cultuur of beleidsfouten, door omgangssabotage na scheiding, en soms, dat komt wel eens voor, door een strafrechtelijk veroordeelde ouder.

 

Ontwikkelingspsycholoog en opvoed-ondersteuner Rini van Dijkhuizen, die veel situaties heeft gezien met kinderen die niet bij hun ouders mochten opgroeien, geeft wat tips:

 

 

-* Wees altijd liefdevol naar de oorspronkelijke ouders, wat er ook is gebeurd. Een kind blijft diep van binnen altijd loyaal aan deze ouders. Wees ervan bewust dat je het kind van iemand anders opvoedt of ziet opvoeden, in de wetenschap dat het kind een groot hart heeft waar vier ouders in gesloten kunnen worden.

 

-* Bedenk dat het ‘afgestaan-zijn’, het uithuisgeplaatst-zijn, geplaatst bij maar één ouder van de twee, een traumatische ervaring is. {:Dat stelt dus ook deze psychologe}! Dit kan alleen de opgroeiende zelf verwerken, in z’n eigen tempo, met uiteraard wel attente, deskundige begeleiding, op z’n tijd. Ik heb in mijn opleiding de volgende zin eens gehoord: “Wie zijn kinderen de pijn onthoudt, ontneemt, bagatelliseert door afleiding of ‘Het komt wel goed’, doet die kinderen wezenlijk tekort.” Dit betekent dat elk kind recht heeft op z’n eigen verwerking van pijn en op de kans om daarmee te leren omgaan. {Dit betekent niet dat het contact met die andere ouder(s) weghouden van het kind gerechtvaardigd is. Er bestaat gespecialiseerde kennis, die ouders mogen opdoen naast de hulpverleners}.

 

-* Achter veel gedrag bij deze kinderen die niet bij hun eigen ouders vermochten op te groeien zit diep van binnen een angst, angst om ‘weer weggedaan’ te worden. Het kind kan dan de opvoeder(s) gaan ‘pleasen’ (overdreven zorgzaam zijn naar hen), of geen interessetonen in z’n afkomst, of juist heel erg gaan uittesten of de opvoeder bij hem blijft, ook als het kind ‘vervelend’ doet. En ANGST te moeten kiezen tussen twee ouders of ouderparen (loyaliteitsconflict). Het mooiste is uiteindelijk als zo’n kind (als weggeplaatst van thuis) kan zeggen: “Ik heb vier ouders.”{Daar is het hart groot genoeg voor, dus}.

 

-* Een kind, hoe jong ook, is wijs en weet op gevoelsniveau wat het wel of niet aankan. Kijk en luister goed naar het kind. {Het kind kan uiteraard nog niet in diens toekomstige belangen kijken, en dat is weer specialistische kennis waar de opvoeders en ouders over moeten beschikken}.

 

-* Doe als opvoeder wat in jouw situatie goed voelt {met daarbij die kennis}. Bedenk voor alles: Doe ik dit voor mijzelf of doe ik het voor het kind?!

 

-* Denk niet voor een ander, dus óók niet voor het kind. Vraag, met een open houding, wat het wil. Denk vanuit het kindbelang, dus gebruik ook je kennis.

 

-* Maak een hoekje of doos met daarin foto’s, ook liefst recente, van het oorspronkelijke gezin en omgeving of land, dingen van ‘thuis’, een vlag of bedenk wat je maar kan bedenken met elkaar.

 

-* Hang niet alles op aan het weggeplaatst-zijn: laat het kind ook gewoon opgroeiende mogen zijn, met alles erop en eraan. En vooral nogmaals:

 

-* Wees altijd liefdevol naar de oorspronkelijke ouders, wat er ook is gebeurd. Een kind blijft diep van binnen altijd loyaal aan deze ouders. Wees ervan bewust dat je het kind van iemand anders opvoedt of ziet opvoeden, in de wetenschap dat het kind een groot hart heeft waar vier ouders in gesloten kunnen worden.

 

Kinderen met dit extra rugzakje aan zijn gevoelig voor ‘micro-agressie’, onbewust lastige of vooroordelende vragen van anderen  (http://www.fsw.leidenuniv.nl/pedagogiek/agp-d/adoc/over/uitgelicht-uit-literatuur.html ; – 

http://media.leidenuniv.nl/legacy/ken-je-je-echte-ouders-ook.pdf ).  

 

Ook kinderen na scheiding kunnen blootgesteld worden aan micro-agressie:

 

 

Kinderen in de verwarrende tijd na scheiding kunnen wat te verduren krijgen door ‘omgangssabotage’ en 'signalen'  –

 

 

Ook bij omgangsfrustratie na scheiding kunnen kinderen heel gevoelig worden:

 

Bij het zoeken naar contact tussen kind en ouder(s) spelen belangen een grote rol.

 

 In het juridische jeugdzorgland bij omgangssabotage (‘vechtscheiding’ door één ouder) moet men primair het belang van het kind goed verwoorden.

 

 Dit geldt overigens ook bij UitHuisPlaatsingen!

 

 Dus, ouders en gezinsvoogden, blijf vanuit het kinderrecht-op-ouders  denken, het belang van het kind en niet van jou of een ander, als ouder of jeugdzorgwerker. (Uiteraard is het bij strafrechtelijke zaken wat anders, al kan het kindbelang op het kennen van die ouder toch belangrijk zijn, en dan dient men creatief te zijn.)

 

 Deze insteek, het kind centraal in denken, kan bewust laten zien dat het niet om ego maar om de ontwikkeling van het kind, onder zijn natuurlijke banden opgroeiend,  gaat.

 

Eens kan de opgroeiende gaan zoeken…

 

 Het later problemen krijgen omdat het één zijner ouders niet kende, en dan met uiteraard onjuiste verwachtingen en angsten over die weer te kennen ouder kampt.

 

 Dit niet-kennen, zoeken en vinden geeft veel spanningen, die het gevoel voor eigenwaarde aantasten.

 

 Het is dus te hopen dat de angst daartoe niet te groot is geworden wat nu niet bepaald een juiste kindertaak is deze op te lossen, een angst die de 'jeugdzorg' met hun beslissingen het kind heeft opgelegd. (De ambulante FIOM was deskundig in dit helpen zoeken met voorlichting, maar de bezuinigingsdrift van de overheid erkende deze zorg later niet).

 

We leren van adoptiewetenschappen:

 

 Kijk maar naar de 'roots'-reizen van geadopteerden, die in het land van herkomst mogelijk hun eerste ouders ontdekken en ontmoeten, en dan met innerlijke problemen komen te zitten, omdat zij èn die ouders NIET zijn meegegroeid in de gezins-interactie-ontwikkeling tijdens het opgroeien.

 

 De interactie binnen het gezin leert het opgroeiende kind (geestelijk) intieme en sociale vermogens. (We zien inter-generatieve overdracht van scheiden door grootouders, dan scheiding door ouders, en straks scheiden door de opgegroeide. De specialistische kennis in die gespleten gezinspsychologie neemt elk kind mee. En is dat wat een ouder het kind toewenst?)

 

 Daar hebben ouders die lang hun kind niet mochten zien èn die kinderen, die maar moeten wennen in een uurtje bezoek (wat natuurlijk niet kan en voor teleurstelling en angst zorgt), heel erg veel last van. Eigenlijk ontbreekt urgent deskundiger begeleiding van 'zorg' aan ouders verstrekt onder de omgangs-OTS. Ouders die daartoe verzoeken richten aan de gezinsvoogd treffen voor 97% dovemansoren.

 

 Het te laat weer in contact komen met de ouder veroorzaakt veel heftige gevoelens, die niet zomaar floep over zijn. Gevoel van teleurstelling, het niet herkennen van de verwachting, de onmacht, het niet goed zijn om te kennen, zo ad hoc, boosheid over het gat in normale opvoeding en opgroeien, en nog veel en veel meer.

 

 Voor geadopteerden was de ambulante FIOM.nl een goede voorbereiding op ‘het weer ontmoeten van eigen ouders’, maar daarop is helaas bezuinigd; het is niet in zicht van de politiek geweest ondanks wetenschappers die hebben geprotesteerd.

 

 Zo ook blijft de jeugdbescherming met hun gezinsvoogden experimenteren met lange processen, waar scheidende ouders die het kind als wapen en brievenpost gebruiken, terwijl ze urgent de ouders dienen door te sturen naar een (psycho-medisch) specialist die als mediator en als voorlichter werkt aan het belang van de ontvankelijke opgroeiende om beide ouders onbezwaard te ‘kennen’. 

 

Naar de rechter:

 

Wanneer ouders dit gebruiken naar de rechter om voor het belang van hun kinderen op te komen (niet het ‘recht van de ouder’; doch EVRM 8 en IVRK 24 lid 1), laten ze zien dat ze meer weten dan de niet-uitleggende gezinsvoogdij (vaak niet eens onder ede ter zitting), die aanmoddert en laat escaleren door de lange trajecten.

 

 Deze jeugdbeschermers vragen zelfs verlenging OTS aan omdat ze niet binnen drie maanden de juiste voorlichting aan de liefhebbende ouders hebben laten verstrekken, en dan tot een keuze hebben laten komen. Er is dan sprake van inspanningsverzuim, maar weinig ouders die dat herkennen als wettelijk bezwarend.

 

Ouders moeten mentaal na een scheiding kiezen wat in hun houding prevaleert.

 

 Zijn dat de eigen gevoelens, de ongenoegens jegens de ex, die het kind non-verbaal ervaart, zeker als ook in de organisatie de omgang wordt gesaboteerd?

 

 Of is dat die ouderschappelijke houding, opdat het kind vrij over twee ouders beschikt?

 

Natuurlijk zijn strafrechtelijke bezwaren over een ouder die omgangsregeling belemmerend.

 

 Het mag niet op voorhand vaststaan dat er dan helemaal geen omgang zou mogen. Dat is aan een specialist, een orthopedagoog na interactieonderzoek, om de meest optimale regeling te adviseren aan de ouders.

 

 De ouders moeten met hun houding naar het kind, hun representatie naar het kind in woord en gedrag, het kind geenszins belasten met enig signaal over ‘de andere ouder’. Het kind moet ook niet als boodschapper of postbezorger gebruikt worden door een ouder; ook het uithoren van het kind over ‘de andere ouder’ geeft grote innerlijke conflicten.

 

 Uit de adoptiewetenschappen leren we dat kinderen zeer gevoelig zijn hoe gesproken wordt over ‘die andere ouder(s)’. Daar worden adoptieouders geleerd met respect te spreken over die andere ouder(s), en hen niet te verzwijgen als het ter sprake komt.

 

 Nieuwsgierigheid voor eigen emotie is geen goede raadgever.

 

 Positiviteit is constructief. Dat bouwt geen psychische muren. Verwijten wel, en dat is erg onhandig om mee te bouwen (aan zaken die tot onbelastende omgang dienen).

 

 Het is nogal ongelukkig dat jeugdrechters zo weinig medische kennis hebben en derhalve te veel vertrouwen op de jeugdbescherming.

 Daarmee overtreden ze (of laten overtreden door de jeugdbeschermers) enige wetten:

http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wat-rechters-niet-willen-weten-meten/

 

 


Kinderen voelen het gemis van eigen ouders:


Het psychisch gemis van eigen ouders bij pleeg- en adoptiekinderen blijkt goed vergelijkbaar, ook al zien pleegkinderen hun biologische ouders een paar uurtjes per eeuwigdurend kinderjaar. (Dan stelt een uurtje per heel lange maand niets voor, temeer daar het kind en de ouders moeten wennen. Het afscheid moeten nemen van de gezinsvoogd werkt in het kind dan ook nog eens als straf. Het tijdsbeleven van een kind is anders dan die van een zich druk voelende gezinsvoogd die niet delegeert naar deskundiger.)

 

Pleegouders hebben niet de verplichte deskundige voorbereidingscursus als die van aspirant-adoptiefouders gevolgd.

Hier vertelt een adoptiefouder hoe zich te representeren naar het kind over diens onuitgesproken gevoel naar diens eerste ouders:   https://www.youtube.com/watch?v=ED-L0BPHMM0 (maar 2 minuutjes, en toch duidelijk).

Dat weten de meeste pleegouders, die niet een paar jaar adoptieproces hebben doorlopen, geenszins.

Het gemis aan eigen ouders kan ook tot een mate van onveilige gehechtheid leiden, ook al groeien kinderen op in één pleeggezinssetting:   http://mens-en-samenleving.infonu.nl/pedagogiek/29913-onveilige-hechting-en-veilige-gehechtheid-kind-volwassene.html .

Er zijn gespecialiseerde therapieën, maar pleegkinderen komen daar bijna nooit mee in aanraking terwijl pleegkinderen hoger scoren op gedesorganiseerde onveilige gehechtheid dan adoptiekinderen.* Die worden genoemd in FJR 2012/95 met oorzaken van hechtingsstoornis .

 

De vergelijkbaarheid tussen adoptie- en pleegkinderen blijke uit het advies van prof. R.A.C. Hoksbergen, 2000:  Plan voor doelgroepingang IBAP .

 

Omdat pleegzorg zo risicovol is, is het bedroevend ongelukkig dat jeugdrechters te slap en onnozel afwegen en meten. Meten!

In andere artikelen op deze site wordt het duidelijk hoe rechters eigenlijk zouden kunnen meten en welke schade pleegzorg en gemis het kind ernstiger kan schaden dan de in BW1:255 genoemde bedreiging, indien die bedreiging al waar zou zijn.

Vaak blijkt dat er geen machtiging uithuisplaatsing had mogen worden aangevraagd omdat het kind beter af is thuis met passender hulpverlening dan weggezet in een (reeks) pleegsettingen (Joseph. J. Doyle jr., 2007, maar ook vervolgd in groter onderzoek).

*: