Precedente uitspraken:

 

Precedente uitspraken van rechters zijn handig om uw rechtszaak als extraatje te onderbouwen.

 

Ook kan men van dergelijke uitspraken leren waar een rechter op let, èn u kan leren van 'foutjes' van andere ouders, die gij dan niet vergeet:

 

Uitspraken met  LJN-nummers zijn nog gewoon te Googlen: "LJN AS6020 rechter" tùssen aanhalingstekens als voorbeeld.

In het  sub-hoofdstuk  vindt ge arresten van het Europees Hof v.d. Rechten v.d. Mens (EHRM) aangaande 'jeugdzorg'-zaken incl. kinderbeschermingszaken en enig wetenschappelijk advies.

 

Hieronder staat een bloemlezing van andere uitspraken waar nu ECLI in voorkomt en het jaartal en 't nummer na ''LJN'':

 

Uitspraken t.g.v. Jeugd in gezin  onder OTS:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHDHA%3A2015%3A818 : “In het kader van de ondertoezichtstelling verleent de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen in een jeugdbeschermingsinstelling en benoemt tevens een Bijzonder Curator (B.C.).  Een van beide minderjarigen heeft verklaard gedurende lange tijd seksueel te zijn misbruikt door haar halfbroer. Het hof beslist dat een verdere uithuisplaatsing van de beide minderjarigen niet noodzakelijk is nu in de thuissituatie niet langer sprake is van een voor de minderjarigen onveilige situatie en de ondertoezichtstelling voldoende mogelijkheden biedt voor een passende hulpverlening aan ouders en minderjarigen.” .

– Zorg wel dat uw B.C. kennis heeft van de ontwikkelingspsychologie opdat deze niet de (gezins)voogd napraat, en dus geen rekening houdt met de psychische belangen van het kind in ontwikkeling. Refereer naar IVRK artikel 24 lid 1, en zo nodig naar artikel 25 bij verlengingszaken.

 

Nader (deskundiger) onderzoek vlgs Rv810a:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2014:2632 :

Ook het Hof achtte op Rv 810a nader onderzoek op schrift niet nodig. De Hoge Raad oordeelde echter: “Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen, respectievelijk dat de kwaliteit en de wijze van totstandkoming van het raadsrapport geen aanleiding geven tot een nader onderzoek, heeft het miskend dat noch het een noch het ander de afwijzing van een verzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv rechtvaardigt.

Voor zover het hof heeft geoordeeld dat een nader onderzoek, zoals door de moeder verzocht, niet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden, is dit oordeel ònbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat de moeder voor het hof heeft aangevoerd dat het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming de beslissing over de ondertoezichtstelling niet kan dragen, en daarbij rapporten van door haar geraadpleegde deskundigen heeft overgelegd waarin bevindingen uit het raadsrapport gemotiveerd in twijfel worden getrokken.

De Hoge Raad beslist en vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dd..”

 

Schriftelijke Aanwijzing…..

De werkelijke S.A. met rechten en plichten wordt beschreven in BW1:263 t/m 265.

Scroll naar BW1:253 op http://jeugdbescherming.jimdo.com/wetten-en-regelgeving/bw-awb-rv-regels/ .

In o.a. de rechterlijke uitspraak http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:5660 (Verzoek tot vervallen-verklaring S.A. door ouders) wordt duidelijk eerst gekeken of de ouder(s) binnen twee weken actief zijn geworden naar de rechter te gaan: “Nu het verzoek binnen twee weken na toezending of uitreiking van genoemde beslissing aan de verzoek(st)er (G.I.) ter griffie van deze rechtbank is ingediend, is verzoek(st)er ontvankelijk in zijn/haar verzoek. De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing vervallen dient te worden verklaard.”

- De orthopedagogische hulpverlening was al in gang gezet zodat de S.A. overbodig was. Dit had de G.I. (Jeugdbescherming, gezinsvoogdij-instelling, Gecertificeerde Instelling) eerst moeten nagaan.

We leren uit deze beschikking ook dat de ‘andere ouder’ negeren niet slim is in het kindbelang. Maar we weten al dat ‘jeugdzorg’ gevaarlijker is voor een kind dan de meeste ‘andere ouders’.

"De schriftelijke aanwijzing moet voldoen aan de volgende bestuursrechtelijke eisen:

- de eisen van zorgvuldigheid (inclusief geen misbruik van bevoegdheid), o.a. horen belanghebbenden voordat beslissing genomen wordt;

- het beginsel van een evenredige belangenafweging (art. 3:2 t/m 3:4 Awb);

- een deugdelijke motivatieplicht (Awb 3:46);

- de aanwijzing moet voldoende concreet zijn geformuleerd (het verlenen van medewerking door een ouder aan niet nader gespecificeerde contacten is onvoldoende concreet)."

De kinderrechter toetst voorgaande punten ambtshalve (LJN BD1113 van de CRvB), maar overweegt daaromtrent pas iets in de beschikking als aan één van de vereisten niet is voldaan! NB: attendeer de rechter hierop!

 

Een andere beschikking over een door een moeder bestreden S.A.:

http://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/civiel-recht/personen-en-familierecht/bodemzaak/ecli-nl-rbnne-2013-5087 :

Moeder wil geen S.A. omdat ze heeft aangegeven mee te werken aan de omgangsregeling.

“De kinderrechter overweegt dat in de jurisprudentie is uitgemaakt dat een aanwijzing over de omgang niet in strijd mag komen met een rechterlijke beslissing. Doorgaans betrof het daarbij zaken waarbij de omgang met een ouder werd beperkt. In deze zaak is sprake van het omgekeerde: aan de vader wordt een iets ruimere regeling toegekend dan destijds in de beschikking voorlopige voorzieningen is bepaald.  De kinderrechter overweegt dat een voorlopige voorziening naar zijn aard een beperkte geldigheidsduur heeft omdat deze immers nadien opzij wordt gezet door beslissingen in de echtscheidingszaak.”

– In deze zaak is de beslissing op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken steeds aangehouden door tegenwerking en mag de gezinsvoogd een betere regeling voor het kind zelf treffen. De S.A. blijft in stand.

Inzet van GI moet aangetoond worden; terugplaatsen niet op lange baan schuiven; valide hulp aan ouders & opvoeders verstrekken; in kort geding na hoger beroep:

 

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ARBLIM%3A2016%3A6869 :

- Omgangsregeling moet tot mogelijke verbetering echt bezien worden bij vraag daartoe. Zeker waar terugplaatsen tot de mogelijkheden behoort en tegendeel niet bewezen is op diagnostieke wijze. Verkorte termijn UHP, en verplichte inzet van G.I. tot BW1:262, waar deskundige mediation voortvarend nodig verstrekt moet worden. Een uitspraak waar goed gewogen wordt!

 

Omtrent PGB (Jeugdwet–Bestuursrecht):

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ARBNNE%3A2016%3A4048 en

  +

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ARBNNE%3A2016%3A4047 :

Ondeskundig afgewezen PGB-verzoek ten gunste van begeleiding/hulpverlening onder de Jeugdwet is alsnog als voorziening toegekend.  Motivatiegebrek van of namens het college van B&W {Jw12.3 en o.a. Bezwaarprocedure Awb 8:81.1}.

 

Uithuisplaatsen wegens armoede mag niet:

http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-160938 (vertaal met www.translate.google.com)

of 

https://strasbourgobservers.com/2016/03/17/ecthr-condemns-the-punishment-of-women-living-in-poverty-and-the-rescuing-of-their-children/#more-3185 :

Digitaal vertaald uittreksel: “De aanvrager is een moslim Kaapverdische nationaliteit, levend in Portugal. In 2012 zes van haar tien kinderen, dan in de leeftijd tussen zeven maanden en zes jaar, in de zorg werden genomen met het oog op de aanneming ervan. De aanvrager werd onmiddellijk beroofd van ouderlijke verantwoordelijkheid en ontkende alle contact met hen. De reden? Haar armoede. Volgens de Portugese rechter heeft verzoekster niet de kinderen met adequate materiële leefomstandigheden en verwaarloosd hen. Ze was werkloos en overleefde met een kleine kinderbijslag, terwijl de vader was vaak afwezig bij de familie thuis. De jeugdzorg-autoriteiten waren van mening dat de aanvrager niet in staat is het uitvoeren van haar rol als moeder was en merkte op dat ze hardnekkig weigerde te steriliseren, een jeugdzorgvoorwaarde in een "overeenkomst" bedongen ondergaan. De rechtbanken oordeelden enkel op basis van rapporten sociale diensten ‘en geen deskundige onafhankelijke beoordeling van het ouderschapscapaciteiten van de aanvrager’ of van de (diagnostieke) emotionele toestand van haar kinderen. Geen bewijs van mishandeling of misbruik werd ooit gevonden. Eerder bleek dat de banden van genegenheid tussen de aanvrager en haar kinderen bijzonder sterk waren.
Het Hof in Straatsburg EHRM vond voor de aanvrager dit een schending van haar recht op een gezinsleven op grond van artikel 8. (Natuurlijk voor de kinderen een schending van IVRK 24 lid 1). Het Hof was van mening dat de uithuisplaatsing en de beroving van ouderlijk gezag en contactrechten niet noodzakelijk waren in een democratische samenleving.”

    |

   Op deze site (scrol) staan meer EHRM-arresten over jeugdzorg.

Kinderen mogen niet uit gezin geplaatst worden vanwege armoede (Bron: Kinderrechtencollectief):
Het Europese Hof oordeelt in een zaak dat uithuisplaatsing, in dit geval op grond van armoede, ingrijpt op het recht op eerbiediging van het gezinsleven, zoals vastgelegd in artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Het oordeel van het Europese Hof bevat een aantal waardevolle inzichten:
- Het Hof benadrukt dat niet alleen de sociale diensten (jeugdzorg, jeugdbescherming, jeugdhulp, etc.)  verantwoordelijk zijn, maar dat ook de Staat in zulke gevallen speciale aandacht moet hebben voor kwetsbare gezinnen, en moet voorzien in basisbehoeften en aanvullende financiële steun aan het gezin {wat goedkoper is in deze bezuinigingstijd dan de kosten van het uithuisplaatsen en pleegzorg, nog afgezien van de gevolgkosten en schade daardoor}.
- Het Hof geeft aan dat in vergelijkbare zaken slechte leefomstandigheden nooit de enige grond mochten zijn voor een uithuisplaatsing. In deze zaak waren er geen signalen van emotionele verwaarlozing, geweld of seksueel misbruik, en al helemaal niet bewezen d.m.v. diagnostiek, dat vooraf moet gaan aan een ingrijpend zware maatregel.
- Het Hof oordeelt dat zowel de uithuisplaatsing als de ontzetting uit de ouderlijke macht en het verbieden van contact een schending is van het recht op eerbiediging van het gezinsleven in artikel 8 EVRM, omdat het niet noodzakelijke maatregelen zijn in een democratische samenleving. En natuurlijk is het ook een schendig van IVRK 24 lid 1, maar dat valt buiten het EHRM.

De G.I. mag niet zomaar een omgangs-OTS vragen:

Hof:   http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:199 :

Ontbreken omgangsregeling ònvoldoende basis voor ondertoezichtstelling. Er moeten bewijzen komen, geen beweringen, ook niet vanuit de ‘jeugdzorg’. Diagnostisch meten.

Ook moet de vader wel gezaghebbend zijn om als ‘belanghebbende’ (Rv 798 lid 1) via de G.I. te verzoeken voor omgang (onder OTS, naar BW1:255 lid 1).

“Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling (OTS) betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. De rechter die de maatregel uitspreekt zal in zijn beschikking niet alleen moeten vermelden dat deze beide gronden aanwezig zijn, maar (onder meer) ook moeten aangeven op grond van welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat het kind zodanig opgroeit dat het in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd.

“Het niet meewerken door de [verzorgende] ouder aan de omgang tussen het kind en de andere ouder kàn meebrengen dat het kind in zijn ontwikkeling èrnstig wordt bedreigd, maar daarvan is niet per definitie sprake. Het ìngrijpende karakter van de ondertoezichtstelling brengt mee een ernstige bedreiging als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW eerst aan te nemen wanneer in de actuele situatie van het kind concrete, niet mis te verstane, aanwijzingen voor die bedreiging aan de dag treden. De enkele mogelijkheid van bedreiging biedt onvoldoende basis voor de toepassing van de maatregel van ondertoezichtstelling.”

 

Afgewezen verzoek beëindiging ouderlijk gezag over puber (BW1:266; vroeger: ontheffing):

Tip:

Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het goed gaat met de minderjarige en dat het van belang is dat zij in het pleeggezin blijft wonen. Zij woont al vijf jaar bij de pleegouders, is daar gehecht en krijgt de opvoeding, structuur en aandacht die zij nodig heeft. Voorts heeft zij een goede band met de moeder, gaat bij haar logeren en heeft de wens geuit wellicht op haar 18de weer bij de moeder te gaan wonen. Naar het oordeel van het hof is het noodzakelijk voor de voortzetting van de gezonde en evenwichtige ontwikkeling van de minderjarige dat er een einde komt aan het loyaliteitsconflict waarvan onweersproken is dat de minderjarige daar thans in zit. Er dient dan ook duidelijkheid te komen over haar verblijfplaats in het pleeggezin tot haar meerderjarigheid en de minderjarige dient niet belast te worden met keuzes daaromtrent. Ter zitting is gebleken dat de moeder zeer veel waarde hecht aan het gezag over de minderjarige en bereid is om, ter behoud daarvan, de minderjarige in het pleeggezin te laten wonen. De moeder heeft ter zitting haar onvoorwaardelijke toestemming verleend aan de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige en verklaard af te zien van verdere procedures daartegen. Ook de minderjarige, thans 16½ jaar oud, heeft te kennen gegeven het van belang te achten dat de moeder belast blijft met het gezag over haar. Vast staat voorts dat de moeder en de pleegouders een positieve relatie hebben en goed samenwerken. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat de raad eerder in 2009 na afronding van een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel geen verzoek heeft ingediend tot ontheffing van de moeder uit het gezag, alsmede dat de raad, na de afwijzing door de rechtbank op 29 december 2010 van een dergelijk op aandringen van de gecertificeerde instelling (BJZ) door de officier van justitie ingediend verzoek, al die jaren klaarblijkelijk geen aanleiding heeft gezien voor het indienen van een hernieuwd verzoek. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht het hof in dit specifieke geval de maatregel van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing gezien vanuit het perspectief van de minderjarige de meest passende. Het hof zal het inleidend verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige alsnog afwijzen.

 

Beroep van de G.I. (gezinsvoogd) in hoger beroep is afgewezen: kind mag thuis blijven:

Tip:

De G.I. is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking afwijzing UHP. Het hof heeft geoordeeld dat de minderjarige nimmer (diagnostisch) onderzocht is of geobserveerd, en heeft er aldus nimmer een samenhangend en constructief onderzoek specifiek op het kind plaatsgevonden. Het kind is ‘gediagnostiseerd’ met een .......(pathogeen etiket van gezinsvoogd) maar uit de stukken in het dossier blijkt niet op grond van welk onderzoek de ......(etiket) tot deze diagnose is gekomen, dus van welk beroepsnivaeu: SKJ is slap en niet medisch, niet orthopedagogisch; BIG en evt. NIP is kwalitatief medischer).

Tevens is het hof van oordeel dat de veiligheid op dit moment niet zodanig in het geding is dat een UHP op dit moment noodzakelijk is. (Ouders heb dus een veiligheidsplan)!

UHP is een ultimum remedium: ‘laatste redmiddel’, en is schadelijk voor het kind.

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat het inleidend verzoek van de G.I. tot machtiging van de UHP moet worden afgewezen. – TIP (een advies):

Zorg voor een veiligheidsplan en toon aan dat uw thuissituatie voldoende veilig is. Stel een familiegroepsplan op waarin uw netwerk u kan ondersteunen, en communiceert met uw gezinsvoogd.
Zorg bijv. dat er 1 persoon de regie krijgt, die fungeert als contactpersoon met de G.I.

(Wij weten ook dat elke zaak anders is en niet alle tips en trucs werken. Het zijn enkel adviezen die wij geven en in deze zaak wel geholpen hebben.)

 

Beëindiging ouderlijk gezag (Ontheffing) afgewezen:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHAMS%3A2016%3A3907 :

“Onvoldoende zorgvuldig handelen Raad, gronden gezagsbeëindigende maatregel onvoldoende door de Raad onderbouwd”

Bewijs, zwart op wit werkend, dat de G.I. en RvdK aan inspanningsverzuim (BW1:262 lid 1 en 3) hebben gedaan, geen voorlichting hebben verstrekt om de vermeende ‘bedreiging’ (uit BW1:255) te doen opheffen, geen cursus aan ouders hebben aangeboden, de 'bedreiging' niet hebben aangepakt met therapie of hulpverlening doch met weghouden en zwijgen of roddelen, de ‘andere ouder’ escalerende (onjuiste) informatie hebben verstrekt (http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/misleidende-gezinsvoogden/), daarmee de vage, slecht bewijzende onderbouwing vanuit de RvdK/G.I. onderuithalend, en zet dit in de context van het toekomstige belang van het kind beide ouders onbelast in vredige sfeer te mogen blijven kennen (http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/schadelijke-beknotte-bezoekregelingen/).

De rechter: “Alle voorgaande omstandigheden in aanmerking genomen, is voor het hof niet duidelijk geworden hoe de Raad heeft kunnen concluderen dat terugplaatsing niet op een voor de kinderen aanvaardbare termijn mogelijk is. Uit de stukken blijken weliswaar zorgen over de ontwikkeling van de kinderen nu zij veel wisselingen van hun verblijfplaats - ook tussen verschillende landen - hebben meegemaakt, de moeder/vader moeite heeft met het bieden van structuur en toezicht {wat kan komen door verkeerde hulp van de G.I., maar ook door ouderlijke laksheid} en vooral de kinderen met ernstige problematiek kampen {veelal door de laksheid van de gezinsvoogd}  maar dat voldaan is aan de gronden voor een gezagsbeëindiging, is door de raad onvoldoende onderbouwd.”

Zorg dus dat u als ouders niet afwacht maar zelf kennis en deskundigheid opdoet!!! Na scheiding: de 'ex' is weg, maar voor het kind blijven de ouders, liefst gezamenlijk in vredige sfeer, waartoe specialistische kennis van node is, die men niet verkrijgt van de gezinsvoogdij! Volg dus cursussen en tips van orthopedagogen buiten de G.I. om.

 

Voldoen aan ‘tweejaarstermijn’ (naar Weterings) onvoldoende om gezag te beëindigen:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ARBLIM%3A2016%3A9526 :

De ouder(s) verzetten zich niet tegen het uithuisgeplaatst-zijn, doch ervaren het beëindigen van ouderlijk gezag als een straf en verbreken van een band.

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel BW1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW1) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn (zie ook BW1:255 lid 1), of

b. de ouder het gezag misbruikt.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 1:266 lid 1 BW blijkens het woordje “kan” een discre­tionaire bevoegdheid voor de rechter behelst. Hoewel op zichzelf sprake is van een situatie waarin beëindiging van het ouderlijk gezag passend zou zijn {onterecht doch als standaard in de juridische wereld aanvaard}, nu niet langer aan het doel van de ondertoezichtstelling wordt gewerkt en daarmee ook een ‘duidelijke situatie voor de minderjarige’ {alsof de opgroeiende een jurist is} zou worden gecreëerd, ziet de rechtbank aanleiding om daartoe in dit specifieke geval niet toe over te gaan. De rechtbank acht daarbij het belang van de minderjarige leidend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zowel de Raad als de GI geen concrete bezwaren hebben tegen de wijze waarop de moeder het gezag uitoefent over de minderjarige.

 

De rechter spreekt vaak over "minderjarige", maar we zetten in plaats van de naam van het kind het woord KIND, omdat dit makkelijker leest dan hoe de rechter het schrijft:

 

Het ontbreken van eenduidig en doortastend beleid bij een langdurige uithuisplaatsing door (gezins)voogdij heeft geleid tot verslechterde verhoudingen en een loyaliteitsconflict:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2016:8694 :

KIND is al jaren met OTS uithuisgeplaatst. “Dat doet bij de rechtbank de vraag rijzen waarom er thans wederom een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing aan de rechtbank wordt voorgelegd en het toekomstperspectief van KIND , tot grote frustratie van alle betrokken partijen, nog immer onduidelijk is.

Achtergrond van de gewijzigde artikelen (o.a. 1:255 en 1:266 BW) is immers, dat indien blijkt dat ouders, binnen een voor de ontwikkeling van de minderjarige ‘aanvaardbare termijn’ {waarbij de ouders zèlf actief moeten zìjn om aan vage eisen vanuit de ‘jeugdzorg’ te voldoen, waaronder die eisen laten concretiseren}, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kind niet op zich kunnen nemen, de maatregel tot gezagsbeëindiging dient te worden overwogen, waarbij het gezag zo mogelijk wordt overgedragen aan de feitelijke opvoeders zoals de pleegouders.

… Bij de eerste verlenging van een ondertoezichtstelling, en zeker na een periode van twee jaar, móét {juridisch} overwogen worden of het kind nog langer in ‘onzekerheid’ mag blijven over zijn toekomstige opvoedingssituatie (Kamerstukken II, 2008/2009, 32 015, nr. 3, blz. 10) {De Kamer gaat er vanuit dat het kind juridisch onderlegd dit ziet als onzekerheid}.

Als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort {dus wanneer de ouders daaraan niet hebben gewerkt, al deed de gezinsvoogd niets}, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing die ‘onzekerheid’ over het opvoedingsperspectief voortduren.” Er zijn rechtszaken geweest waaruit blijkt dat er ‘psychologisch’, dus diagnostisch, moest worden onderzocht; de gezinsvoogdij heeft daaraan niet voldaan.  De gezinsvoogd heeft het zelfs voor elkaar gekregen dat ouders en pleegouders niet deskundig zijn voorgelicht en begeleid om loyaliteitsconflict in het kind te voorkomen.

“Los van de vraag of door de G.I. wel of niet (met voldoende inzet en voortvarendheid) aan de opdracht van het hof is voldaan, constateert de rechtbank dat sinds het hof de opdracht gaf, inmiddels alweer bijna twee jaar zijn verstreken. … Hierbij is gelet op de goede hechting van KIND  in het huidige pleeggezin, KIND’s positieve ontwikkeling daar, het feit dat het daar reeds langer dan zeven jaar verblijft en is ingegroeid, de onaanvaardbaar lange termijn waarbinnen geen duidelijkheid is gegeven, en op het hiervoor aangehaalde {dubieus-deskundig} advies van Timon SGJ Pleegzorg. Om al die redenen lijkt het de rechtbank overigens óók niet denkbaar dat de uitkomst van een KSCD-onderzoek zou zijn, dat werken aan een thuisplaatsing bij de moeder en stiefvader in het belang van KIND moet worden geacht. … De rechtbank zal, nu de ondertoezichtstelling, gelet op het vorenstaande, niet langer de geëigende weg is, de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] , in haar belang, verlengen, maar slechts voor de duur van een half jaar. Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). Voor het overige zal het verzoek pro forma worden aangehouden.” –  Tip:  Dus het niet-werken aan snel en deskundig onderzoek en juiste voorlichting voor de ouders heeft geleid tot {vermeende} problematiek en loyaliteitsconflict bij KIND.

– Hier heeft de moeder geweigerd een handtekening te zetten voor KSCD-onderzoek zònder voor een hoogwaardiger alternatief te hebben gezorgd, zodat er waarschijnlijk bij de ketenpartner KSCD (of Lindenhout, NIFP, etc.) van de G.I. geen advies uit zal komen tot een terugplaatsingstraject.

We kunnen hieruit leren dat ouders ZELF urgent moeten zorgen en blijven zorgen voor concretie van de eisen om aan terugplaatsing te gaan voldoen. Zíj moeten dus doorvragen op schrift wat de ‘zorgen’ zijn, hoe daaraan gewerkt moet worden, en hoe de verbetering daartoe te meten zal zijn, want ondanks BW1:262 lid 1 zal de G.I. nogal eens in inspanningsverzuim niet werken aan lid 3.   Ook hadden de ouders de vinger aan de pols moeten houden wat de onderzoeksvragen betreft die naar de onderzoeker gaan ter diagnostisch onderzoek.

Al is dat de taak der gezinsvoogdij, de ouders hebben de plicht naar BW1:247 zèlf ook actief die ‘zorg’ te bewaken en er aan te werken; waarbij opgemerkt dat dit hen niet verweten mag worden als ‘tegenwerken’ van de gezinsvoogdij!

Daarom moeten de ouders ook alles op schrift kunnen bewijzen!

 

Hof acht uithuisplaatsing onrechtmatig.

De moeder stelt dat er geen gronden zijn voor een uithuisplaatsing en voert daartoe het bewijs aan (zwart op wit). De moeder toont dat ze openstaat voor hulpverlening (mogelijk zelf beter hulp wenst) en wil graag met die hulpverlening in de thuissituatie voor de minderjarige zorgen:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHDHA%3A2016%3A2383 :

“Het hof: stelt vast dat de bij bestreden beschikking verleende verlenging van de machtiging uithuisplaatsing onrechtmatig is geweest;”.

Naast het verzoek van de ouder om UHP ongedaan te krijgen, is deze zo slim om rekening te houden met voortzetting UHP en de daarbij passende bezoekregeling optimaler krijgen.

 

Geen gesloten jeugdzorg. Van de overheid mag een actieve houding worden verwacht gelet op het ingrijpende karakter van de maatregel; t.a.v. hier machtiging gesloten jeugdhulp:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2016%3A8713  :

De maatregel gaat er af na enige weken om de opgegroeide voor te bereiden. De ouders zijn actief op cursus gegaan om beter hun ouderschap te kunnen representeren (en dat helpt ook).

 

Het ontbreken van eenduidig en doortastend beleid bij een langdurige UHP heeft geleid tot verslechterde familiäle verhoudingen en een loyaliteitsconflict:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ARBROT%3A2016%3A8694 :

Waar begin 2015 rechterlijk werd bepaald dat er deskundig onderzoek moet komen en anno eind 2016 dat nog niet van de grond is gekomen, acht de rechter dit schadelijk:

“Tot op heden is het toekomstperspectief echter onduidelijk gebleven.

De rechtbank betreurt het dat het ontbreken van eenduidig en doortastend beleid kennelijk heeft geleid tot de huidige situatie waarin de verhoudingen tussen alle betrokkenen inmiddels op scherp zijn komen te staan terwijl dat eerder niet of veel minder het geval was. Zowel de verhouding tussen de moeder (inclusief de stiefvader) en de pleegouders, als die tussen de moeder en de vader, als die tussen de moeder en de G.I. lijken te zijn verslechterd.

De onzekerheid en onduidelijkheid over KIND’s perspectief en de verslechterde verhoudingen hebben een negatieve weerslag op KIND. KIND verkeert inmiddels in een loyaliteitsconflict. …”    Tip:

Ouders dienen wel, willen ze het kind terug, zich motiverend in te zetten en niet ongenuanceerd voorgesteld onderzoek te weigeren, waar ze zèlf de mogelijkheid kunnen aannemen om dit onderzoek bij een deskundige te laten plaatsvinden, inclusief onderzoeksvragen. Neem dan ook begrijpend kennis van de wet, zoals BW1:255 e.v..

Een diagnostisch onderzoek moet binnen drie maanden te doen zijn, rekening houdend met het feit dat UHP schadelijk werkt in het kind (Gresser, 2016). De overheid is daartoe naar IVRK 24 lid 1 aansprakelijk. 

 

Verzoek beëindiging gezag afgewezen bij Hof.  Negatieve doorwerking daarvan op de kinderen:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2016%3A9065 :  

Het hof constateert dat de extra ballast waarmee KINDEREN spijtig genoeg sinds hun uithuisplaatsing zijn geconfronteerd grotendeels buiten de invloedssfeer van de moeder ligt. Welbeschouwd is juist de moeder de voornaamste, zo niet enige continue hechtingspersoon in het leven van de kinderen tot nu toe.
Ook al wonen KINDEREN al jaren niet meer bij de moeder, toch biedt zij de kinderen duidelijk de nodige houvast en steun. Met name sinds het aantreden van de huidige (gezins)voogd in januari 2015 oefent de moeder haar gezag ook feitelijk nog, althans weer (meer) uit.

De wijze waarop de (gezins)voogd en de moeder samen het gezag over de kinderen invullen, stemt beiden tot tevredenheid. Over en weer hebben zij veel aan elkaar om tot het voor de kinderen meest optimale resultaat te komen. Zo heeft de (gezins)voogd ter zitting aangegeven dat zij ingeval van een conflict met KIND1 wel eens samen met hem naar de moeder gaat voor een driegesprek. Met behulp van de moeder lukt het de (gezins)voogd dan om KIND1 weer in het gareel te krijgen.   Tip:

Ouders dienen, zo kunnen we leren, wel preventief deskundig te worden over hechting, want de gezinsvoogd gebruikt ‘hechting’ als een smoes, zonder kennis: http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/fjr-2012-95-over-hechting/ .

Ook dienen ouder kennis te hebben waarmee de rechter valselijk geïnformeerd is: http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/beleid/ zodat het lijkt dat ‘pleegzorg’ c.q. het uithuisgeplaatst-zijn goed zou zijn voor het kind, wat wetenschappelijk wordt tegengesproken door o.a. arts U. Gresser (http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wertenschap-kind-oudercontact-schaden-is-schadelijk/). Ouders zouden preventief veel meer moeten lezen, om weerwoorden paraat te hebben.

 

De rechter heeft het verzoek tot verlenging van de OTS afgewezen gezien het enkel monitoren van de omgang tussen ouders geen grond is voor een OTS   (omgangssabotage en verlengen OTS):

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHAMS%3A2016%3A4086 : 

Léés deze beschikking waarin het hof nogmaals enige uitleg geeft aan welke voorwaarden een omgangs-OTS moet voldoen. Advocaten kunnen deze uitspraak gebruiken bij een omgangs-OTS en hebben het ook gebruikt in deze zaak die hierboven beschreven staat.

Het blijkt dat de RvdK naast meningenonderzoek graag onderzoeks-OTS verlengt, dus denk niet dat het om echt het onderzoeken gaat! Immers: Wanneer het de RvdK als overheidsorgaan serieus was het contact met vader te verbeteren, (de eventuele voorlichtingsnalatigheid van de G.I. te verhelpen,) en de mogelijke loyaliteitsproblematiek te verhelpen, dan had de overheid in de eerste maanden na scheiding of ander rechterlijk of ‘jeugdhulp’-contact reeds deskundige voorlichting kunnen geven aan beide ouders en een diagnose t.a.v. het kind.

Ten aanzien van omgangssabotage en mogelijke loyaliteitsconflicten  is dit geen goede uitspraak, daar diagnostiek ontbreekt als eis. Dan kan men beter kijken naar https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2005:AS6020 .

 

Ongegronde uithuisplaatsing onrechtmatig:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:2383 :

Leer ook van deze uitspraak van het Hof, waaronder:

“10. Naar het oordeel van het hof had op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting door de rechtbank niet geconcludeerd mogen worden dat de gronden voor een uithuisplaatsing aanwezig zijn. Het hof overweegt daartoe als volgt. De noodzaak voor de machtiging uithuisplaatsing is ontleend aan de stellingen van de gecertificeerde instelling, terwijl die stellingen niet concreet zijn onderbouwd en daaraan geen deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt. Uit psychodiagnostisch onderzoek van de moeder is bovendien gebleken dat – anders dan de gecertificeerde instelling vermoedde – niet is voldaan aan de DSM-criteria voor een persoonlijkheidsstoornis, noch aan de criteria voor een autismespectrumstoornis. De gecertificeerde instelling zet daartegenover weliswaar observaties van diverse personen, maar die zijn geen van allen gekwalificeerd om een diagnose te stellen. … 12. De raad constateert in zijn rapport 7 januari 2016 dat de gezinsvoogd en de pleegzorgmedewerker onvoldoende bij machte lijken te zijn om hun stelligheid los te laten en zodoende de moeder een eerlijke kans te geven om te laten zien of zij uiteindelijk opvoedingsverantwoordelijkheid zal kunnen dragen. Daardoor ligt het gevaar van een tunnelvisie en daarmee een selffulfilling prophecy op de loer, aldus de raad. Het hof acht het onbegrijpelijk dat de raad op dit standpunt uit januari jl. is teruggekomen, uitsluitend op basis van het feit dat de medewerkers van de gecertificeerde instelling de moeder niet alleen met de minderjarige hebben gelaten. Het vorenstaande acht het hof een flinterdunne, ondoorzichtige en onduidelijke motivering van de zijde van de raad. Met name in zaken waarin diep ingegrepen wordt in het family-life mag ook van de raad worden verlangd dat hij zijn visie met betrekking tot de belanghebbenden deugdelijk en inzichtelijk motiveert. Het kan niet zo zijn dat eerst gekomen wordt tot de conclusie dat er sprake zou zijn van tunnelvisie en vervolgens zonder grondige motivering daarvan wordt afgestapt.

13. Het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, brengt het hof tot de conclusie dat de gronden voor de uithuisplaatsing onvoldoende blijken uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, zodat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing zonder nader deugdelijk, wetenschappelijk onderzoek naar de (persoonlijkheid, opvoedingsvaardigheden en leerbaarheid van de) moeder, indien nodig in samenhang met onderzoek naar haar wijze van benadering van de minderjarige, naar het oordeel van het hof onrechtmatig is geweest. … … Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat de door de gecertificeerde instelling naar voren gebrachte contra-indicaties niet uit enig diagnostisch onderzoek blijken, maar slechts berusten op vermoedens van de gecertificeerde instelling. Het hof zal om die reden de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarin de contactregeling is vastgesteld en bepalen dat er eens per week een begeleid contact voor de duur van twee uren dient plaats te vinden.

Let wel op de motivatie en onderbouw het belang van goede omgangsregeling waar het onderzoek – diagnostisch – nog loopt of moet gaan lopen en er dus geen prejudicie mag zijn.

 

Rechtbank wijst het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het gezag (voorheen ‘ontheffing’) af:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ARBOVE%3A2016%3A4870 :

Hier erkent de rechter internationaal recht en weegt belangen!: “In het licht van de bepalingen uit internationale verdragen heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden dat een gezagsbeëindigende maatregel slechts dient te worden uitgesproken indien deze noodzakelijk en proportioneel is. Een dergelijke maatregel kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouder(s). Hoewel KIND1  en KIND2 al gescheiden zijn van hun ouders, blijkt niet dat de beëindiging van het gezag van vader noodzakelijk is in het belang van KIND1  en KIND2 of één van beiden. Vaststaand feit is dat de discussie van gezagsbeëindiging al eerder is gevoerd en toen niet tot een verzoek van de Raad heeft geleid waaruit kan worden afgeleid dat het kennelijk in die tijd niet in het belang van de kinderen was het gezag te beëindigen. Zoals ter zitting besproken, is er geen sprake van een wijziging van omstandigheden en is uitsluitend de wetswijziging aanleiding voor het indienen van het verzoek terwijl uit het onderzoek niet is gebleken of er mogelijkheden zijn voor een vrijwillige plaatsing van KIND1 en KIND2  buiten het kader van de ondertoezichtstelling.  KIND1 heeft bovendien expliciet aangegeven in haar brief aan de kinderrechter en dat vervolgens in het gesprek met de kinderrechter bevestigd dat het gezag dat haar vader op dit moment heeft, haar een “thuisgevoel” geeft. KIND2 zal niets merken van een eventuele beëindiging van het gezag: hij is, gelet op diens ontwikkeling [IQ], in het geheel niet in het onderzoek betrokken. Ten aanzien van beide kinderen gèldt dat de vader altijd bereikbaar is voor de jeugdbeschermer en dat hij zijn toestemming geeft voor alle noodzakelijke maatregelen die dienen te worden genomen. De samenwerking van vader met alle partijen is goed te noemen. … Het beoogde doel van de gezagsbeëindigende maatregel kan derhalve tevens door een minder vergaande maatregel worden bereikt, zodat het verzoek van de raad moet worden afgewezen.”

 

Indicatiebesluiten/PvA e.d. onder de jeugdwetten. Rechtsmachtverdeling tussen de kinderrechter als civiele rechter en de kinderrechter als bestuursrechter. Hoger beroep tegen uitspraken van de 'kinderrechter als bestuursrechter' moet worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep ("LJN BD1113"):

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2008:BD1113 :

  • Tegen een besluit waarbij door een (Bureau/G.I.) Jeugdzorg een bepaalde vorm van jeugdzorg wordt geïndiceerd, kan – na bezwaar bij ‘Jeugdbescherming’ – beroep worden ingesteld bij de kinderrechter (als bestuursrechter) en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
  • Als een dergelijk (indicatie)besluit feitelijk een onderdeel is van de civielrechtelijke procedure tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige, kan echter geen beroep worden ingesteld maar dient de kinderrechter (als civiele rechter) de rechtmatigheid van dat besluit te toetsen in het kader van de procedure tot (bestuurlijke beslissing tot) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
  • Soms wordt tegen een (indicatie)besluit dat feitelijk een onderdeel is van de civielrechtelijke procedure tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing toch bezwaar gemaakt. (Bureau/G.I.) Jeugdzorg verklaart dat bezwaar dan – terecht – niet-ontvankelijk (Wel doen! Immers}: Daarentegen: Als tegen dat ‘besluit op bezwaar’ beroep wordt ingesteld, dan is de kinderrechter (als bestuursrechter) bevoegd daarvan kennis te nemen en staat tegen de uitspraak op dat beroep hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. (Met dank aan arts Nico Mul). --- Op https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ACRVB%3A2017%3A1477 staat een bevestiging van deze uitspraak, regels waaraan gemeente en jeugdbescherming zich moeten houden.

Tussenbeschikking verzoek verlenging uithuisplaatsing t.o.v. termijnen. Ouders zijn toegelaten tot het bewijs van hun stelling dat de bestreden beschikking niet is uitgesproken vóór de afloop van de termijn van de machtiging uithuisplaatsing door middel van een getuigenverhoor:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2014:2700 :

O.a.: “Het hof, alvorens verder te beslissen, laat de ouders toe tot het bewijs van hun stelling dat de bestreden beschikking, uitgesproken door de kinderrechter in de rechtbank R., niet is uitgesproken vóór de afloop van de termijn van de machtiging uithuisplaatsing, door middel van [bijv.] een getuigenverhoor;…”

– Zie ook de Nieuwsbrieven van st.KOG: http://www.stichtingkog.info/posts/nieuwsbrief-najaar-2016-1427/.

 

Ondertoezichtstelling. Ouder zonder gezag geen [directe] belanghebbende. Ontbreken omgangsregeling onvoldoende basis voor ondertoezichtstelling:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2016:199 :

O.a.: “Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op dit moment niet is gebleken van gronden die een ondertoezichtstelling van KIND rechtvaardigen. In zoverre slagen de grieven 1 en 2. Gelet hierop heeft de moeder geen belang meer bij een bespreking van grief 3 {Wel handig een alternatief te stellen die afgewezen kan worden}. Het hof zal de bestreden beschikking [OTS] vernietigen en het inleidende verzoek van de raad alsnog afwijzen.”

Daarentegen: OTS toegestaan bij omgangssabotage:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2016:1869 :

O.a.: “Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de kinderen, zelfs afgezien van de problematiek ten aanzien van de contactregeling, ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Deze ontwikkelingsbedreiging uit zich bijvoorbeeld en met name in de wijze waarop de moeder met de kinderen omgaat in haar positiebepaling naar de vader toe. …” – Hierbij zou https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2005:AS6020 (Gezagswijziging als uiterste middel om omgang te bewerkstelligen) een dwingender mogelijkheid zijn bij onwillige ouder(s), dat als tijdelijke maatregel de ogen kan openen aan de omgangssaboterende ouder.

 

Machtiging uithuisplaatsing. Alle zeilen moeten worden bijgezet om op korte termijn duidelijkheid te krijgen over het toekomstperspectief van de minderjarige:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2016:5632 :

Vergelijk http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/beleid/ wat de drogreden daartoe is.

“…Daarbij tekent het hof aan dat het gelet op de jonge leeftijd van KIND noodzakelijk is dat op korte termijn duidelijkheid komt omtrent zijn toekomstperspectief en dat daartoe thans alle zeilen worden bijgezet {waar de ouders dat beter zelf kunnen doen dan afwachten!}. Ook de ouders hebben daar recht op. Het hof onderschrijft op dit punt het standpunt van de moeder dat primair {beter: diagnostisch} onderzocht moet worden of een kind bij zijn ouders of andere naaste familie kan opgroeien. Een onderzoek naar de mogelijkheid van een dergelijke netwerkplaatsing dient zich, anders dan de GI van plan is, naar het oordeel van het hof mede uit te strekken tot de vraag of KIND bij opa zou kunnen opgroeien. …” – Vanuit de adoptiewetenschap is netwerkplaatsing beter dan een wegplaatsing naar vreemden van het kind, met de mogelijkheid de ouders te ‘kennen’. Ouders moeten wel zèlf zich geïnteresseerd tonen in ontwikkelingspsychologie dat bij de leeftijdsfase hoort.

 

Vervallenverklaring Schriftelijke Aanwijzing (S.A.),  opschorting omgang, uithuisplaatsing,  onzorgvuldige voorbereiding, schending hoor en wederhoor, omgang in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:4942 :

Met verwijzings-links naar gebruikte wetten! Leer van deze uitspraak om niet de beschreven fouten te maken. “…Het hof overweegt hierbij dat het in het belang van KIND wordt geacht dat gezinsvoogdij-JBRA de mogelijkheden tot contactherstel tussen KIND en de moeder blíjft onderzoeken {en beter is als ouder dat op hoger kwaliteitsniveau te willen}, temeer nu sinds … 2014 bijna anderhalf jaar is verstreken. In de tussentijd kan de moeder hiertoe zelf het initiatief nemen door KIND bijvoorbeeld af en toe een kaartje te sturen.” En bij te leren.

 

Gesloten jeugdhulp met instemming ouders. De Stichting [Jeugd-teams, een jeugdzorgverlendende stichting] is niet-ontvankelijk in verzoek:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2015:1659 :

“In artikel 6.1.8 van de Jeugdwet is geregeld wie een dergelijk verzoek g-UHP kan doen. In zaken waarin de gezaghebbende ouders instemmen met plaatsing van de jeugdige in een gesloten accommodatie, wordt het verzoek ingediend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft.

Vast staat dat de moeder van KIND instemt met de plaatsing van KIND in een gesloten accommodatie. Niet is in geschil dat KIND haar woonplaats heeft in de gemeente X.

In dit geval is het verzoek niet ingediend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente X, maar door de stichting [residentiële hulpverlener]. Ter zitting is deze stichting het antwoord op de vraag waarop zij haar bevoegdheid tot indiening van het verzoek heeft gebaseerd schuldig gebleven. Niet is gebleken dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente X haar bevoegdheid tot indiening van een verzoek heeft gemandateerd aan de stichting. … Dit leidt ertoe dat de stichting in haar verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.”   

 

Blijvend verlengen van OTS+UHP. Negeren wat Hof heeft bepaald:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2014:8694 : 

"Incidentele vordering tot aanhouding bodemprocedure in afwachting van arbitrage in Londen tussen de twee gedaagden. Een dergelijk incident is niet in de wet voorzien, maar wel mogelijk.  Art. 209 Rv laat aan de rechter over of op het incident eerst en vooraf wordt beslist. Over wanneer in een geval als dit iedere beslissing in de procedure moet worden aangehouden, geeft het Nederlandse recht geen regels. De EEX-Vo is niet van toepassing. Vooral de eisen van een goede procesorde, waaronder begrepen de eisen van een doelmatige en voortvarende rechtspleging, bepalen of er voldoende grond bestaat voor een aanhouding. In dit geval leidt dit tot een afwijzing van het verzoek tot aanhouding." -{Dat gefaseerde terugplaatsing wegens inspanningsverzuim van de gezinsvoogd niet wordt overwogen, komt door het niet noemen en onderbouwen door de ouder, tegenover het cliché dat is gaan heersen in dit jeugdzorgveld: Weteringscliché ingeburgerd }.

– Uitgebreidere uitleg ook in de Nieuwsbrieven van st. KOG op bijv.: http://www.stichtingkog.info/posts/nieuwsbrief-najaar-2016-1427/ met link naar PDF op  http://www.stichtingkog.info/media/KOGniewsbrief-8_corr3_20161211.pdf m.n. blz. 6 en 7.

 

Recht op second opinion; recht op goed-gemotiveerd deskundigenonderzoek.

Basis van artikel 810a lid 2 Rv  over deskundigeninbreng moet gegrond gebaseerd/gemotiveerd worden:

In https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2014:2632 :

Rv 810a: lid 1.  In zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd zaken als bedoeld in het tweede lid alsmede die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen, beslist de rechter pas nadat een ouder, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

2.  In zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

3.  In de in het tweede lid genoemde zaken wordt het aan de in dat lid bedoelde deskundige toekomende bedrag overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels door de rechter vastgesteld en ten laste van ’s Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaald. Van de ouder kan een bijdrage worden gevraagd overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

De moeder had voor het Hof al betoogd dat uit het rapport van de raad voor de kinderbescherming niet logisch volgt dat er een OTS moet komen. Bovendien heeft de moeder rapporten van deskundigen overgelegd waarin bevindingen van de raad in twijfel zijn getrokken. - In FJR van november 2015 staat iets belangwekkends: “Deskundigen-onderzoek in familiezaken” - De inhoud komt neer op: uit de uitspraak van de Hoge Raad van 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, volgt dat feitenrechters niet te gemakkelijk en slechts op goede gronden voorbij kunnen gaan aan een verzoek tot contra-expertise van een ouder krachtens artikel 810a lid 2 Rv. In deze zaak zijn kinderen onder toezicht gesteld, gebaseerd op het onderzoeksrapport van de raad voor de kinderbescherming. In hoger beroep heeft de moeder verzocht om benoeming van een deskundige door de rechter. Dit verzoek werd afgewezen, maar de Hoge Raad vond dat het Hof niet de goede argumenten gebruikte. De Hoge Raad schrijft: “Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind. … De beschikking van het Hof werd vernietigd: dat wordt wel benoeming van een deskundige door de rechter dus.” – Deze kan de ouder reeds voorstellen ter zitting.

Men moet dus wel 2 x in hoger beroep, met alle tijdsverloop over de rug van het ontvankelijke kind om eindelijk tot een deskundigenonderzoek te komen. Mogelijk kan men met deze precedente uitspraak noemen deze tijd inkorten, mede omdat prof.dr. Van der Gaag bevond dat een valide nulmeting belangrijk is voor een kind. Reeds bij het Plan van Aanpak, het Hulpverleningsplan, moeten ouders (BW1:247+ IVRK 24.1) er op toezien dat het plan còncreet, zonder vaagheden, vorm krijgt!

 

Omgangs-OTS. Appèl tegen niet-vervanging gecertificeerde instelling/gezinsvoogd. Geen bijzonder curator benoemd bij scheidingszaak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:2060 :

Al wenst moeder een Bijzonder Curator (i.p.v. een echte deskundige), deze wens wordt niet gehonoreerd. Alhoewel mediation veelal niet goed werkt bij vechtscheidingen wenste moeder dat vader daaraan meewerkte. Gezinsvoogd smoest dat er onderzoek moet komen waarom KIND weerstand heeft tot moeder. Duidelijk is dat zowel de rechtszaak aanspannende moeder als de gezinsvoogd niet slim genoeg zijn om een echte deskundige voor voorlichting en onderzoek in te schakelen, al dan niet met vervangende toestemming of S.A.,  en wordt OTS verlengd. Vader wenst echt diagnostisch onderzoek. Dat is niet aan een B.C., doch aan een orthopedagoog-generalist waarvoor moeder toestemming zou moeten geven, of de gezinsvoogd moet dat regelen (beter dat ouders beiden dat regelen), en zo de sfeer voor haar kind gijzelt.

 

Uithuisplaatsing en vertrek naar het buitenland. Nederlandse rechter bevoegd. Overbrenging minderjarige naar Nederland door jeugdbeschermer:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:2092 :   o.a.:

“Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met artikel 353 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten, indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte vooruit zou lopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden. … Voor zover het hof van oordeel is dat het onvoldoende geïnformeerd is, verzoekt de moeder om een deskundige te benoemen ex artikel 810a lid 2 Rv. Het hof is van oordeel dat het reeds voldoende is geïnformeerd, zodat het beroep op alle onderdelen faalt.” –

Moeder lijkt (communicatief en qua kennis en tactiek) te weinig inzicht te tonen om de omgang met vader niet te belasten.  Er was reeds een OTS met het LdH als gezinsvoogdij, waardoor het verhuizen te laat kwam.  Verhuizen naar buitenland heeft enkel zin als niemand weet naar welk land men onaangekondigd verhuisd is, met uitschrijving bij de gemeente hier. De Nederlandse politie zoekt actief in België (en Duitsland). 

 

Wraking van rechter:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:3633

Procesrecht. Personen- en familierecht, verzoek herstel ouderlijk gezag. Wrakingsverzoek door hof buiten behandeling gelaten omdat het niet is ingediend door advocaat. Gewraakte raadsheer neemt deel aan die beslissing; artikel 39 lid 1 Rv. Doorbreking rechtsmiddelenverbod, art. 39 lid 5 Rv. Artikel 6 EVRM. Aan de indiener had gelegenheid behoren te worden geboden het verzuim te herstellen (artikelen 281 en 362 Rv). Samenhang met 15/03873.” –  en

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2015:2425 :

“Het feit dat de gewraakte rechter zelf (mede) beslist of het wrakingsverzoek voldoet aan de eisen die de wet aan een wrakingsverzoek stelt, lijkt mij echter niet verenigbaar met de eisen die art. 6 lid 1 EVRM aan een eerlijke procedure stelt. Ook al is er in dit geval geen reden om een subjectief gebrek aan onpartijdigheid (m.a.w. vooringenomenheid) van de betrokken raadsheer-plaatsvervanger aan te nemen, dan blijft de vraag of er objectieve gronden zijn om te twijfelen aan zijn onpartijdigheid (d.w.z.: of er een schijn is van onvoldoende onpartijdigheid). Die gronden zijn aanwezig. De gewraakte rechter is immers betrokken bij de beslissing of het wrakingsverzoek aan de wettelijke vereisten voldoet. Om deze reden slaagt middel III en kan de bestreden beslissing niet in stand blijven. (Middel III herhaalt de klacht dat de betrokken kamer van het hof het Wrakingsprotocol niet heeft gevolgd en ten onrechte over het wrakingsverzoek heeft beslist in een samenstelling waarvan de gewraakte raadsheer-plaatsvervanger deel uitmaakt.)”  – Wed dus niet op één paard, maar zet meerdere alternatieven op een rij.

 

OTS in hoger beroep afgewezen wegens inzet ouders zèlf en http://familiegroepsplan.nl/ :

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2015:5022 :

Ouders, bagatelliseer nimmer de vermeende ‘zorgen’ van jeugdzorgwerkers, maar zorg zèlf actief voor hooggekwalificeerd diagnòstisch onderzoek, ook al is het voor uiteindelijk slechts tips in opvoeding! Uiteraard bent u reeds rechtsbijstandverzekerd, want ‘jeugdzorg’ bestaat!!!

“Het hof is”, met het onderkennen van de zorgen om de kinderen in ‘vechtscheidingssfeer’,  “echter van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de huidige situatie zo is dat de ontwikkelingsbedreigingen niet in het vrijwillige kader kunnen worden weggenomen. Het hof acht een ondertoezichtstelling op dit moment daarom niet (meer) noodzakelijk. Het hof overweegt voorts dat voldoende is gebleken dat de ‘andere ouder’ momenteel wel hulp accepteert; die ouder(s) hebben onbestreden gesteld dat de beide ouders samenwerken met ‘Wij [vestigingsnaam]’ en met de overige hulpverlenende instanties en dat zij thans een open en transparante houding aannemen ten opzichte van de hulpverlening.” – Wees dus tactisch! Heb liever uw kind lief dan te strijden tegen een partner die weg is, waar de beide ouders blijven bestaan voor de kinderen. Zoek de meest hooggekwalificeerde ondersteuning, voorlichting in pedagogische houding, en evt. diagnostiek!  “Zorgen maken” is nog geen feit om in te grijpen (BW1:255 tegenover BW1:247 lid 1 en 3 enz.), zeker nu de ouders zo slim zijn als ouders samen te werken.

De beste manier om uw kind na scheiding kwijt te raken met UHP is beschreven in  https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2014:5121 (oude wetgeving: http://peterprinsen.nl/HERZIENINGOTS-2011.htm).

 

 In Nieuwsbrieven van stichting Kind-Ouders-Grootouders (KOG) komen ook precedente uitspraken voor (http://www.stichtingkog.info/media/KOGniewsbrief_20160713.pdf) naast vragen zoals enige vorm van ‘waarheidsvinding’:  

 

Vervallenverklaring van S.A. in hoger beroep; bezoekregeling:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2016:912 :

Op 24 februari 2016 verklaart de Rechtbank in ’s-Hertogenbosch een schriftelijke aanwijzing van William Schrikker geheel vervallen: Ter beoordeling staat de vraag of er redenen zijn de schriftelijke aanwijzing van de GI van 22 december 2015 geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. De kinderrechter overweegt in dit verband allereerst ...  . Vervolgens dient beoordeeld te worden of de aanwijzing  – welke beschouwd wordt als een besluit in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb; Jw 12.3.5)  – zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. Op de voet van het bepaalde in artikel 4:8, lid 1 aanhef en onder a, van de Awb heeft de GI de moeder in de gelegenheid gesteld haar zienswijze in te dienen op het voor-nemen een schriftelijke aanwijzing tot beperking van de omgangsregeling met de minderjarige te  geven. Van die gelegenheid heeft de moeder gebruik gemaakt middels het benaderen van een gemachtigde,  die op .. december 2015 per e-mail aan de GI de bezwaren tegen de voorgestelde inperking van de bezoekregeling heeft kenbaar gemaakt.  In de daarop volgende aanwijzing van … december 2015 wordt weliswaar gewag gemaakt van het standpunt van de moeder dienaangaande, maar uit de aanwijzing blijkt niet dat de bezwaren mee zijn gewogen in de besluitvorming. Met name wordt niet gemotiveerd waarom het positieve verslag van Rubicon over het verloop van de begeleide bezoeken en de leerbaarheid van de moeder geen aanknopingspunten vormen voor de GI om het voornemen tot inperking van de  bezoekregeling te wijzigen. Ter zitting heeft de GI  nog een voor de moeder nieuw element ter  onderbouwing van de aanwijzing aangevoerd {als een altijd te verwachten overval}: de minderjarige zou een ontwikkelingsachterstand hebben, die noopt tot verlaging van de frequentie van de bezoekregeling, omdat de bezoeken te belastend zijn voor het jonge kind {wat geen valide motief is, diagnostisch gezien}. Voorts blijkt uit de memorie van toelichting op het bepaalde in artikel 1:263 BW, dat de bevoegdheid tot het geven van een schriftelijke aanwijzing bij het uitvoeren van de toezichthoudende taak door de gecertificeerde instelling regelt, dat pas tot het geven van een aanwijzing dient te worden  overgegaan als de gewenste medewerking niet door overleg en overreding kan worden bereikt {een ouder mag op basis van BW1:247 en IVRK 24.1 een hogergekwalificeerd diagnostisch alternatief eisen ter optimalisatie van het hulptraject voor het kind}.  Noch uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting is de kinderrechter gebleken dat er overleg heeft plaatsgevonden. De standpunten van partijen lopen dienaangaande uiteen, zodat dit niet feitelijk is vast te stellen. Bovendien neemt de kinderrechter in aanmerking dat naar zegge van de GI ter zitting partijen in  staat zijn om tot onderlinge afspraken te komen. Op grond van het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat  de schriftelijke aanwijzing onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd, zodat zij het verzoek van de moeder zal inwilligen en tot vervallenverklaring ervan zal besluiten.

     Tegen een Schriftelijke Aanwijzing is geen hoger beroep mogelijk, maar soms toch wel:  Op 10 maart 2016 heeft het Hof in ’s-Hertogenbosch de volgende beschikking gegeven: Ontvankelijkheid: 3.8. Ingevolge artikel 1:264 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van 12 jaar of  ouder een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen  verklaren.  3.8.1. Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen beschikkingen ingevolge – voor zover thans van belang – artikel 1:264 BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.  3.8.2. Volgens vaste rechtspraak is doorbreking van een appelverbod mogelijk, indien erover wordt geklaagd dat de eerste rechter met zijn beslissing buiten het toepassingsgebied van het desbetreffende artikel is getreden, het artikel ten onrechte dan wel met verzuim van vormen heeft toegepast of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten.  3.8.3. Het hof stelt vast dat de ouder in dit hoger beroep kan worden ontvangen, omdat zij heeft geklaagd dat de eerste rechter  met zijn beslissing buiten het toepassingsgebied van artikel 1:264 BW is getreden.

In FJR, Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht, van februari 2016 staat een artikel ‘Beëindiging van het gezag’. Citaat: “Zonder strikte noodzaak mag immers niet worden ingegrepen in de autonomie van het gezin. Dit betekent dat àlles uit de kast moet worden gehaald om ouders in staat te stellen hun kinderen te verzorgen en op te voeden.” Ook voorlichting door een deskundige (BW1:262, lid 1 om lid 3 te dienen). De praktijk is helaas anders.

 

Een minderjarige (kind) kan zonder vertegenwoordiger in hoger beroep tegen afwijzing verzoek om Bijzonder Curator:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2014:3535 :

Bij OTS: Heeft minderjarige recht op inzage en afschrift van processtukken in procedure met betrekking tot zijn ondertoezichtstelling??? Een effectieve uitoefening van het recht van een oordeelsbekwame minderjarige om in een hem of haar betreffende procedure zijn of haar zienswijze kenbaar te maken, kan meebrengen dat hij of zij geïnformeerd dient te zijn over de inhoud van de gedingstukken (EVRM6; hij kan ook vertegenwoordigd worden naar een advocaat door diens ouders, voogd, of anders een Bijzonder Curator). Aan de orde komen in deze: Positie minderjarige als belanghebbende in de zin van art. 798 Rv; artikel 811 lid 1 aanhef en onder d, Rv; procesonbekwaamheid minderjarige, art. 1:245 lid 4 BW. En recht om gehoord te worden, art. 809 Rv; toegang tot de rechter, art. 12 IVRK, art. 6 lid 1 EVRM; met benoeming bijzondere curator, art. 1:250 BW; LOVF-richtlijn.

 

Tuchtzaak rond PersoonlijkheidsOnderzoeken (P.O.) t.b.v. UHP-zaken: onduidelijk en onbehoorlijk diagnostisch onderzoek:

http://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/gezondheidszorg/uitspraak/2016/ECLI_NL_TGZRAMS_2016_79 :

“3. De klachten van klaagsters, de G.I.’s, hebben een gelijke strekking. De klachten zien op de wijze waarop verweerder, psycholoog, onderzoek doet en rapporteert over de opvoedkwaliteiten van ouders en de relatie tussen ouders en kinderen. Klaagsters achten zowel het onderzoek als de wijze van rapporteren onder de maat. De klachten houden, zakelijk weergegeven, in dat de rapporten over deze ouders er blijk van geven dat verweerder geen deugdelijk onderzoek verricht alvorens hij tot zijn conclusie komt. Zo ontbreekt de context waarin de onderzoeken plaatsvinden, blijkt niet dat verweerder kennis heeft genomen van alle relevante medische en sociale gegevens, doet verweerder uitspraken over de problematiek van het kind zonder dat hij dit kind heeft onderzocht {wat overigens wel kan bij jonge kinderen, zoals hier, d.m.v. een CBCL}  en zonder dat een zogenoemde interactie-observatie tussen ouder(s) en kind heeft plaatsgevonden  {wat vaak gesaboteerd wordt door de gezinsvoogdij vooraf door te lage frequentie bezoek en het toestaan tot dat contact voor VIB – ouders moeten dat dus vooraf reeds zwart op wit vastleggen!}, en baseert de psycholoog zijn opvattingen mede op de uitslagen van testen gemaakt door de ouder(s) die voor andere doelen dan de beantwoording van de aan de orde zijnde vraag naar opvoedkwaliteiten en -vaardigheden zijn bestemd.  …  

5.3. Het college overweegt voorts als volgt. De rapporten bedoeld in 2 zijn aan te merken als verklaringen van een GZ-psycholoog. Bij de beoordeling van de vraag of een dergelijke verklaring voldoet aan de daaraan te stellen eisen dienen de volgende criteria in aanmerking te worden genomen:

Eisen aan ‘onderzoek’, van een psycholoog, doch ook dat van G.I.’s zelf:

-1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

-2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

-3.  In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

-4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

-5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het college toetst ten volle of het onderzoek door – in dit geval – de GZ-psycholoog professioneel uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen. …”

-- Hier heeft de G.I. wel een punt: onderzoeken dienen duidelijk en volgbaar te zijn, al trachtte de psycholoog de privacy van de ouders mogelijk te beschermen; maar wanneer we de onderzoeksrapportages van de G.I. zelf analyseren, dan is duidelijk waarom er zo’n roep om (diagnostische) waarheidsvinding te horen is, temeer daar de Kinderombudsman in de G.I.-rapportages veel fouten onderkende (‘Is de zorg gegrond?”, 2013).

Het is zo belangrijk dat ouders weten wèlke hulpverlener wèlke beroepsregistratie heeft, en dan ook een tuchtklacht indient waar nodig. {Ouders, er bestaan niet voor niets beroepscodes; gebruik ze tijdig!!!}.

Frappant is dat er ruim 15 tests met sub- en controleschalen zijn ingezet door de ervaren en betrouwbare psycholoog/orthopedagoog, en in diens uitleg binnen het diagnostisch rapport de verbanden wèl zijn uitgelegd, zelfs met grafieken en schaaluitkomsten; dus duidelijk onderbouwde uitleg, iets wat de gezinsvoogdij nimmer doet. Het lijkt erop dat de tuchtrechter hier corrupt de G.I. heeft nagepraat om een onafhankelijke echte deskundige de mond te snoeren. Wel heeft de G.I. nu punten waar ze zich zèlf ook eigenlijk aan moeten gaan houden.

 

Verkorting van UHP t.b.v. ‘onderzoek’ en omgangsregeling daartoe:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2016%3A10442 :

“Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de ene bestreden beschikking van 1 augustus 2016 bekrachtigen voor zover het de ondertoezichtstelling betreft en voor zover het de uithuisplaatsing betreft tot 1 april 2017 en voor zover het de uithuisplaatsing vanaf 1 april 2017 betreft vernietigen en het verzoek tot verlenging in zoverre afwijzen. Het hof zal de andere bestreden beschikking van 1 augustus 2016 vernietigen en de omgangsregeling wijzigen zoals hierna is weergegeven.” –– De OTS+UHP moet nu voortvarend gebruikt worden om te ‘onderzoeken’; en ouders weten inmiddels wel dat zij voor de hoogste mate van ‘onderzoek’ moeten gaan: diagnostiek via een passende specialist, die zij zoeken en voorstellen, zwart op wit.

 

Verzoek tot ondertoezichtstelling, ontbreken van omgang minderjarige-vader, motiveringsvereisten:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:4086 :

“Het hof overweegt als volgt: 

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. De moeder en de vader hebben sinds 2008 diverse procedures gevoerd over met name de zorgregeling tussen de vader en KIND . De ouders hebben inmiddels geen contact meer met elkaar. Hun verstandhouding is vijandig en er vindt tussen hen geen afstemming meer plaats over KIND . In het verleden heeft, met enige tussenpozen, (begeleide) omgang plaatsgevonden tussen de vader en KIND , maar sinds december 2014 is het contact tussen hen verbroken.

Hoewel tussen de ouders sprake is van een conflictueuze relatie, ontwikkelt KIND zich blijkens het raadsonderzoek leeftijdsadequaat en komt zij over als een sterk meisje in zowel verstandelijk-, sociaal- als verbaal opzicht. Zij ervaart een hechte band met haar moeder, stiefvader en stiefbroer en -zus en maakt de indruk dat zij goed gedijt in de huidige (gezins)situatie en heeft het naar haar zin. Zij lijkt goed in haar vel te zitten en is daardoor veerkrachtig. Dat beeld wordt bevestigd door een schriftelijke verklaring van de lerares van KIND van 13 juli 2016. Daarin is - kort gezegd - vermeld dat het uitstekend gaat met KIND, dat zij op school, in haar schoolwerk en in haar omgang met anderen prima functioneert en dat zij opgroeit in een stabiele gezinssituatie.

Gezien het voorgaande leidt het ontbreken van contact tussen de vader en KIND naar het oordeel van het hof thans op zichzelf niet tot een voor haar zorgelijke situatie. Dat KIND een negatief beeld van de vader heeft en thans geen contact met hem wil, acht het hof voor haar ontwikkeling ongewenst maar rechtvaardigt naar het oordeel van het hof geen ondertoezichtstelling, nu gebleken is dat KIND zich, ondanks het ontbreken van dat contact, in de huidige situatie goed ontwikkelt, er geen zorgen zijn over haar thuis- en schoolsituatie en van kindsignalen die overigens zouden kunnen wijzen op een ernstige ontwikkelings-bedreiging niet is gebleken.

Het voorgaande brengt mee dat de gronden voor ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking niet aanwezig waren en ook thans niet aanwezig zijn. Dit leidt ertoe dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van KIND wordt afgewezen. …” –– 

- Dus: OTS is afgewezen, gezien moeder “meewerkt” {en dat is beter niet ‘domweg’ maar met verstand} en hulpverlening binnen laat. Tevens is er een verzoek ingediend voor een omgangsregeling. Daarbij blijkt dat er geen sprake is van ernstige bedreigingen, en dat is belangrijk.

{Wel blijft het voor het kind belangrijk beide biologische ouders te 'kennen', een later kindbelang, maar dat is ter verantwoording van de opvoedende ouder, die hopelijk juiste deskundige extra voorlichting zoekt ten gunste van het kind, ongeacht eigen emoties}.

 

Tip: Verwijs naar de uitspraak van de Hoge Raad omtrent een omgangs-OTS mèt motiveringsvereisten alsmede de bovengenoemde hof-uitspraak van Amsterdam:

In zijn arrest van 19 februari 2016 heeft de Hoge Raad (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:295)  geoordeeld:
dat niet uitgesloten is dat het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het tot stand brengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. In een dergelijk geval moeten aan de motivering van de toewijzing hoge eisen worden geteld. = Terughoudende maatstaf en hoge motiveringseisen (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009, NJ 2002/4; HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1073, NJ 2002/5).

 

Goede omgang na UHP moet met kennis en àctieve inzet van ouders:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2016%3A10442 :

In deze uitspraak blijkt dat de ouders verweten wordt te ‘volwassen zaken’ te bespreken met de kinderen en geen concrete invulling gaven aan het bezoek onder toezicht.

Uit deze uitspraak leren we dat ouders echt pedagogische boeken moeten lezen om goed onder toezicht met het kind tijdens bezoek om te gaan. Er bestaan ook cursussen, en doe een beroep op BW1:262 lid 1 om lid 3 optimaal te houden. Bij Uithuisplaatsingen blijft een kind zich ontwikkelen en het meegroeien is dan lastig, dus lees over ontwikkelingspsychologie. Blijf spontaan maar mèt kennis! Bereidt het bezoek zo nodig voor wat je gaat doen. Uw emoties moeten ouders dus onder de knie hebben, en verwerk die bij een eigen psycholoog (en noem die niet in jeugdzorgland). De problemen die de kinderen tonen na uithuisplaatsing zullen graag de ouders verweten worden, tegen de bevindingen van wetenschappers in. Wanneer een kind (dat mogelijk van de begeleidende gezinsvoogd over bepaalde zaken verboden is te spreken) diens emoties inhoudt, wordt dit als pathogene invloed van de ouders uitgelegd. Ook blijkt dat het verdriet bij het kind dat na het wennen (slechts 1 uur bezoek) gestraft wordt met alweer afscheid moeten nemen zonder dat het mee mag, verweten wordt aan de ouders, terwijl de gezinsvoogd het kind heeft uitgelegd waarom het kind niet bij de ouders mag wonen: wat een signaal inhoudt dat de ouders slecht zouden zijn, en dit geeft loyaliteitsconflict in het kind.  Dit zijn verwijt-argumenten voor de gezinsvoogdij om de bezoekregeling te verminderen, zodat de kans op terugplaatsing ook zal verminderen; dit verzoek van de gezinsvoogd was maar na een paar maanden oude uithuisplaatsing. Al snel kunnen gezinsvoogden de rechter laten weten dat, zonder echte open diagnose om zich op te baseren, er geen perspectief meer zal zijn op terugplaatsing; er wordt gespeculeerd zonder echte deskundige meting. Leer dus dat rechters geen psycholoog of medici zijn die deze signalen in juist perspectief weten te interpreteren, en zorg dus dat u bewijs in context voorgekauwd uitlegt. Bij een goede volgbare motivatie kan de rechter een tussenweg wijzen en de bezoeken (die hier eens per week waren) niet om de drie doch om de twee weken laten plaatsvinden. Rechters vergeten een echte orthopedagogisch/medisch specialist in te laten zetten voor interactiewaarneming en voorlichting (dit moeten ouders zèlf verzorgen!). Wel lukte het de ouders de machtiging UHP te verkorten zodat er korter tijd is voor de gezinsvoogdij om aan bewijs te komen dat het beter is het gezag te beëindigen, en de ouders moeten dus actief worden aan concretie te werken wat fout zou zijn en aan eisen te voldoen.

 

Verzoek tot ondertoezichtstelling alsnog afgewezen. Waarheid van stellingen des vaders zijn onvoldoende onderzocht door de RvdK:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2017%3A1028 :  

Meningen (van een gescheiden ouder) zijn geen feiten. De rechter acht te weinig bewijs om het kind uithuis te plaatsen (dit als wapen tegen de andere ouder). De RvdK heeft te slecht onderzocht.

Voorbeelden:

- Een verzoek Ots kan afgewezen worden door de rechter wanneer er geen ernstige bedreigingen (meer) zijn en ouders alles onder controle hebben qua hulpverlening. Het enkel monitoren door de gezinsvoogdij  ‘of het goed blijft gaan’  is niet voldoende. (Op basis van BW1:255).

Bijvoorbeeld: Indien uw minderjarige niet naar school gaat, zorg dan dat u aantoonbaar in overleg treedt met de leerplichtambtenaar zodat u kan laten zien dat u ook niet achter het schoolverzuim staat maar alles er aan doet om uw minderjarige weer op school te krijgen.

- Monitoring van de omgang hoeft geen reden te zijn voor verlenging van een OTS.

Deze uitspraak wordt vrij vaak in een omgangs-OTS gebruikt door goede advocaten: http://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2016-4086 ;

Citaat van een eerdere uitspraak van het hof: ‘Het ontbreken van contact tussen de vader en het kind is thans op zichzelf niet een zorgelijke situatie {dubieus!}. Dat het kind een negatief beeld van de vader heeft en thans geen contact met hem wil, acht het hof voor diens ontwikkeling ongewenst maar rechtvaardigt naar het oordeel van het hof geen OTS, nu gebleken is dat het kind zich, ondanks het ontbreken van contact, in de huidige situatie goed ontwikkelt {volgens de gezinsvoogd; beter is een diagnose}, er geen zorgen zijn over diens huis- en schoolsituatie ,en van kindsignalen die overigens zouden kunnen wijzen op een ernstige ontwikkelingsbedreiging niet is gebleken’.   {Diagnose is zuiverder meten!  Het kind kan beïnvloed zijn door een omgangssaboterende ouder, zelfs door een partijdige gezinsvoogd, en dat dient diagnòstisch gemeten te worden. Een interactie-onderzoek tussen kind en elke ouder is gewenst voor objectiviteit.}.

 

Wanneer er geen (duidelijke) gronden zijn die de noodzaak van een uithuisplaatsing rechtvaardigen, wordt zo’n verzoek vaak niet toegekend. De rechter laat dan de Omgangs-ots-gezinsvoogdij verder werken aan ‘zorg’; alsmede de Ots is net uitgesproken waardoor een uithuisplaatsing nog te vroeg is, aldus de rechter.

Belangrijk is dat er een bepaling in de jeugdwet is opgenomen dat in geval van een Uhp het college van B&W er zorg voor draagt dat de jeugdige – indien redelijkerwijs mogelijk – bij een pleegouder of in een gezinshuis wordt geplaatst, tènzij dit aantoonbaar niet in het belang is van de jeugdige (artikel 2.3 lid 6 van de Jeugdwet).

Rekening houden met achtergrond van KIND:

Bij het bepalen van de aangewezen vorm van Jeugdhùlp moet het college (Gemeente of gedelegeerde naar Jw12.3.5) rekening houden met de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders en met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders (artikel 2.3 lid 4 van de jeugdwet).

De aangevraagde zaak is aangehouden gezien ouders hebben aangegeven volledig mee te werken in de kaders van de Ots.   Werk dus zwart op wit aantonend aan het CONCREET verbeteren van de 'zorgen' die de jeugdzorgwerkers dachten te zien. Ouders mogen zelf actief worden en zoeken naar hogere kwaliteit aan voorlichting en eisen tot verbeteringen (metend aan de uitspraak n.a.v. BW1:255 en verder).

(Al de tips zijn geen garanties en bieden geen zekerheid, maar er is een kans dat het werkt).  

 

Let op: communiceer immer helder:

Advocaten merken steeds vaker dat ouders denken (maar niet controleren) dat hun advocaat de stukken (zoals bijvoorbeeld oproepingsbrief, verzoekschrift van de g.i., etc.) automatisch ontvangen vanuit de rechtbank. Dit verschilt per rechtbank. Toch, indienen u een oproep ontvangt, stuur deze dan altijd (in copie of scan) door naar uw advocaat want de kans is te groot dat uw advocaat daar niet van op de hoogte is. (Het gaat specifiek om OTS-zaken als UHP-zaken). Aan geloof heeft men niets. Onderzoek! Communiceer!

 

Informatieplicht van scholen:

https://onderwijsgeschillen.nl/uitspraken/als-een-ouder-zonder-ouderlijk-gezag-informatie-wil-ontvangen-moet-de-school-die : “Als een ouder zonder ouderlijk gezag informatie wil ontvangen, moet de school die informatie zelf verschaffen en niet alleen verwijzen naar de gezaghebbende ouder. Verslaglegging van oudergesprekken moet correct zijn.”

Aldus de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs (LKC): https://onderwijsgeschillen.nl/commissie/landelijke-klachtencommissie-onderwijs-lkc.

Dat is juist, want de wet zegt in BW1:377c  dat zelfs ouders zonder gezag informatie behoren te verkrijgen, tenzij een rechter dat heeft ontzegd. Dus laat staan ouders met gezag.

Derhalve:  Zelfs een ouder die geen ouderlijk gezag heeft, moet op diens verzoek door de school zèlf geïnformeerd worden over belangrijke feiten en omstandigheden die over diens kind gaan. Gebleken is dat de school op een paar concrete vragen van de ene ouder antwoord heeft gegeven. In die zin is er geen sprake geweest van een slechte informatievoorziening door de school. De school heeft die ouder echter in gesprekken of op een andere manier niet geïnformeerd over de leerproblemen van diens dochter. Op dat punt is de school wel tekort geschoten in de informatievoorziening. De school mag dus niet zelf invullen wat verstrekt wordt, maar alle informatie verstrekken zonder weerstanden. De verslaglegging van het oudergesprek met de verzorgende ouder is niet correct geweest. De school heeft het verslag ten onrechte niet aangepast, nadat de klagende ouder had gewezen op de onzorgvuldigheid in het verslag. (Wbp).

Meer:

We houden ons aanbevolen voor meer positieve uitspraken waar de jeugdrechter valide gewogen heeft.

 

Uitspraken t.g.v. Jeugd in gezin  onder OTS:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHDHA%3A2015%3A818 : “In het kader van de ondertoezichtstelling verleent de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen in een jeugdbeschermingsinstelling en benoemt tevens een Bijzonder Curator (B.C.). Een van beide minderjarigen heeft verklaard gedurende lange tijd seksueel te zijn misbruikt door haar halfbroer. Het hof beslist dat een verdere uithuisplaatsing van de beide minderjarigen niet noodzakelijk is nu in de thuissituatie niet langer sprake is van een voor de minderjarigen onveilige situatie en de ondertoezichtstelling voldoende mogelijkheden biedt voor een passende hulpverlening aan ouders en minderjarigen.”  – Zorg wel dat uw B.C. kennis heeft van de ontwikkelingspsychologie opdat deze niet de (gezins)voogd napraat, en dus geen rekening houdt met de psychische belangen van het kind in ontwikkeling. Refereer naar IVRK artikel 24 lid 1, en zo nodig naar artikel 25 bij verlengingszaken.

 

Nader (deskundiger) onderzoek vlgs Rv810a:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2014:2632 :

Ook het Hof achtte op Rv 810a nader onderzoek op schrift niet nodig. De Hoge Raad oordeelde echter: “Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen, respectievelijk dat de kwaliteit en de wijze van totstandkoming van het raadsrapport geen aanleiding geven tot een nader onderzoek, heeft het miskend dat noch het een noch het ander de afwijzing van een verzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv rechtvaardigt.

Voor zover het hof heeft geoordeeld dat een nader onderzoek, zoals door de moeder verzocht, niet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden, is dit oordeel ònbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat de moeder voor het hof heeft aangevoerd dat het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming de beslissing over de ondertoezichtstelling niet kan dragen, en daarbij rapporten van door haar geraadpleegde deskundigen heeft overgelegd waarin bevindingen uit het raadsrapport gemotiveerd in twijfel worden getrokken.

De Hoge Raad beslist en vernietigt de beschikking van het gerechtshof  ’s-Hertogenbosch dd...”

 

Schriftelijke Aanwijzing….

De werkelijke S.A. met rechten en plichten wordt beschreven in BW1:263 t/m 265.

Scroll naar BW1:253 op http://jeugdbescherming.jimdo.com/wetten-en-regelgeving/bw-awb-rv-regels/ .

In o.a. de rechterlijke uitspraak http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:5660 (Verzoek tot vervallen-verklaring S.A. door ouders) wordt duidelijk eerst gekeken of de ouder(s) binnen twee weken actief zijn geworden naar de rechter te gaan: “*Nu het verzoek binnen twee weken na toezending of uitreiking van genoemde beslissing aan de verzoek*ster (G.I.) ter griffie van deze rechtbank is ingediend, is verzoek*ster ontvankelijk in zijn/haar verzoek. De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing vervallen dient te worden verklaard.”

De orthopedagogische hulpverlening was al in gang gezet zodat de S.A. overbodig was. Dit had de G.I. eerst moeten nagaan.

We leren uit deze beschikking ook dat de ‘andere ouder’ negeren niet slim is in het kindbelang. Maar we weten al dat ‘jeugdzorg’ gevaarlijker is voor een kind dan de meeste ‘andere ouders’.

– “De schriftelijke aanwijzing moet voldoen aan de volgende bestuursrechtelijke eisen:

- de eisen van zorgvuldigheid (inclusief geen misbruik van bevoegdheid), o.a. horen belanghebbenden voordat beslissing genomen wordt;

- het beginsel van een evenredige belangenafweging (art. 3:2 t/m 3:4 Awb);

- een deugdelijke motivatieplicht (Awb 3:46);

- de aanwijzing moet voldoende concreet zijn geformuleerd (het verlenen van medewerking door een ouder aan niet nader gespecificeerde contacten is onvoldoende concreet).”

De kinderrechter toetst voorgaande punten ambtshalve (LJN BD1113 van de CRvB), maar overweegt daaromtrent pas iets in de beschikking als aan één van de vereisten niet is voldaan! NB: attendeer de rechter hierop!

 

Een andere beschikking over een door een moeder bestreden S.A.:

http://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/civiel-recht/personen-en-familierecht/bodemzaak/ecli-nl-rbnne-2013-5087 :

Moeder wil geen S.A. omdat ze heeft aangegeven mee te werken aan de omgangsregeling.

“De kinderrechter overweegt dat in de jurisprudentie is uitgemaakt dat een aanwijzing over de omgang niet in strijd mag komen met een rechterlijke beslissing. Doorgaans betrof het daarbij zaken waarbij de omgang met een ouder werd beperkt. In deze zaak is sprake van het omgekeerde: aan de vader wordt een iets ruimere regeling toegekend dan destijds in de beschikking voorlopige voorzieningen is bepaald.  De kinderrechter overweegt dat een voorlopige voorziening naar zijn aard een beperkte geldigheidsduur heeft omdat deze immers nadien opzij wordt gezet door beslissingen in de echtscheidingszaak.” – In deze zaak is de beslissing op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken steeds aangehouden door tegenwerking en mag de gezinsvoogd een betere regeling voor het kind zelf treffen. De S.A. blijft in stand.

 

Inzet van GI moet aangetoond worden; terugplaatsen niet op lange baan gezet; hulp aan opvoeders verstrekken; in kort geding na hoger beroep:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ARBLIM%3A2016%3A6869 :

– Omgangsregeling moet tot mogelijke verbetering echt bezien worden bij vraag daartoe. Zeker waar terugplaatsen tot de mogelijkheden behoort en tegendeel niet bewezen is op diagnostieke wijze. Verkorte termijn UHP, en verplichte inzet van GI tot BW1:262, waar deskundige mediation voortvarend nodig verstrekt moet worden. Een uitspraak waar goed gewogen wordt!

 

Omtrent PGB (Jeugdwet–Bestuursrecht):

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ARBNNE%3A2016%3A4048   en

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ARBNNE%3A2016%3A4047 :

Ondeskundig afgewezen PGB-verzoek ten gunste van begeleiding/hulpverlening onder de Jeugdwet is alsnog als voorziening toegekend.  Motivatiegebrek van of namens het college van B&W {Jw12.3 en Bezwaarprocedure Awb 8:81.1}.

 

Uithuisplaatsen wegens armoede mag niet:

http://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-160938 (vertaal met www.translate.google.com) of

https://strasbourgobservers.com/2016/03/17/ecthr-condemns-the-punishment-of-women-living-in-poverty-and-the-rescuing-of-their-children/#more-3185 :

Digitaal vertaald uittreksel: “De aanvrager is een moslim Kaapverdische nationaliteit, levend in Portugal. In 2012 zes van haar tien kinderen, dan in de leeftijd tussen zeven maanden en zes jaar, in de zorg werden genomen met het oog op de aanneming ervan. De aanvrager werd onmiddellijk beroofd van ouderlijke verantwoordelijkheid en ontkende alle contact met hen. De reden? Haar armoede. Volgens de Portugese rechter heeft verzoekster niet de kinderen met adequate materiële leefomstandigheden en verwaarloosd hen. Ze was werkloos en overleefde met een kleine kinderbijslag, terwijl de vader was vaak afwezig bij de familie thuis. De jeugdzorg-autoriteiten waren van mening dat de aanvrager niet in staat is het uitvoeren van haar rol als moeder was en merkte op dat ze hardnekkig weigerde te steriliseren, een jeugdzorgvoorwaarde in een "overeenkomst" bedongen ondergaan. De rechtbanken oordeelden enkel op basis van rapporten sociale diensten ‘en geen deskundige onafhankelijke beoordeling van het ouderschapscapaciteiten van de aanvrager’ of van de (diagnostieke) emotionele toestand van haar kinderen. Geen bewijs van mishandeling of misbruik werd ooit gevonden. Eerder bleek dat de banden van genegenheid tussen de aanvrager en haar kinderen bijzonder sterk waren.
Het Hof in Straatsburg EHRM vond voor de aanvrager dit een schending van haar recht op een gezinsleven op grond van artikel 8. (Natuurlijk voor de kinderen een schending van IVRK 24 lid 1). Het Hof was van mening dat de uithuisplaatsing en de beroving van ouderlijk gezag en contactrechten niet noodzakelijk waren in een democratische samenleving.”

Op deze site staan meer EHRM-arresten over jeugdzorg.

Kinderen mogen niet uit gezin geplaatst worden vanwege armoede (Bron: Kinderrechtencollectief):
Het Europese Hof oordeelt in een zaak dat uithuisplaatsing, in dit geval op grond van armoede, ingrijpt op het recht op eerbiediging van het gezinsleven, zoals vastgelegd in artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het oordeel van het Europese Hof bevat een aantal waardevolle inzichten.
- Het Hof benadrukt dat niet alleen de sociale diensten verantwoordelijk zijn, maar dat ook de Staat in zulke gevallen speciale aandacht moet hebben voor kwetsbare gezinnen, moet voorzien in basisbehoeften en aanvullende financiële steun aan het gezin kan geven.
- Het Hof geeft aan dat in vergelijkbare zaken slechte leefomstandigheden nooit de enige grond waren voor een uithuisplaatsing. In deze zaak waren er geen signalen van emotionele verwaarlozing, geweld of seksueel misbruik.
- Het Hof oordeelt dat zowel de uithuisplaatsing als de ontzetting uit de ouderlijke macht en het verbieden van contact een schending is van het recht op eerbiediging van het gezinsleven in artikel 8 EVRM, omdat het niet noodzakelijke maatregelen zijn in een democratische samenleving.

De G.I. mag niet zomaar een omgangs-OTS vragen:

Hof: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:199 :

Ontbreken omgangsregeling ònvoldoende basis voor ondertoezichtstelling. Er moeten bewijzen komen, geen beweringen, ook niet vanuit de ‘jeugdzorg’. Diagnostisch meten.

Ook moet de vader wel gezaghebbend zijn om als ‘belanghebbende’ (Rv 798 lid 1) via de G.I. te verzoeken voor omgang (onder OTS, naar BW1:255 lid 1).

“Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling (OTS) betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. De rechter die de maatregel uitspreekt zal in zijn beschikking niet alleen moeten vermelden dat deze beide gronden aanwezig zijn, maar (onder meer) ook moeten aangeven op grond van welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat het kind zodanig opgroeit dat het in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd.

“Het niet meewerken door de [verzorgende] ouder aan de omgang tussen het kind en de andere ouder kàn meebrengen dat het kind in zijn ontwikkeling èrnstig wordt bedreigd, maar daarvan is niet per definitie sprake. Het ìngrijpende karakter van de ondertoezichtstelling brengt mee een ernstige bedreiging als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW eerst aan te nemen wanneer in de actuele situatie van het kind concrete, niet mis te verstane, aanwijzingen voor die bedreiging aan de dag treden. De enkele mogelijkheid van bedreiging biedt onvoldoende basis voor de toepassing van de maatregel van ondertoezichtstelling.”

 

Afgewezen verzoek beëindiging ouderlijk gezag over puber (BW1:266; vroeger: ontheffing):

Tip:

Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het goed gaat met de minderjarige en dat het van belang is dat zij in het pleeggezin blijft wonen. Zij woont al vijf jaar bij de pleegouders, is daar gehecht en krijgt de opvoeding, structuur en aandacht die zij nodig heeft. Voorts heeft zij een goede band met de moeder, gaat bij haar logeren en heeft de wens geuit wellicht op haar 18de weer bij de moeder te gaan wonen. Naar het oordeel van het hof is het noodzakelijk voor de voortzetting van de gezonde en evenwichtige ontwikkeling van de minderjarige dat er een einde komt aan het loyaliteitsconflict waarvan onweersproken is dat de minderjarige daar thans in zit. Er dient dan ook duidelijkheid te komen over haar verblijfplaats in het pleeggezin tot haar meerderjarigheid en de minderjarige dient niet belast te worden met keuzes daaromtrent. Ter zitting is gebleken dat de moeder zeer veel waarde hecht aan het gezag over de minderjarige en bereid is om, ter behoud daarvan, de minderjarige in het pleeggezin te laten wonen. De moeder heeft ter zitting haar onvoorwaardelijke toestemming verleend aan de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige en verklaard af te zien van verdere procedures daartegen. Ook de minderjarige, thans 16½ jaar oud, heeft te kennen gegeven het van belang te achten dat de moeder belast blijft met het gezag over haar. Vast staat voorts dat de moeder en de pleegouders een positieve relatie hebben en goed samenwerken. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat de raad eerder in 2009 na afronding van een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel geen verzoek heeft ingediend tot ontheffing van de moeder uit het gezag, alsmede dat de raad, na de afwijzing door de rechtbank op 29 december 2010 van een dergelijk op aandringen van de gecertificeerde instelling (BJZ) door de officier van justitie ingediend verzoek, al die jaren klaarblijkelijk geen aanleiding heeft gezien voor het indienen van een hernieuwd verzoek. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht het hof in dit specifieke geval de maatregel van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing gezien vanuit het perspectief van de minderjarige de meest passende. Het hof zal het inleidend verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige alsnog afwijzen.

 

Let op: Geschillenregeling voor beëindiging gezag:

Artikel 262b uit BW1:

“Geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, die omtrent [klachtwaardige] gedragingen  als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, uitgezonderd, kunnen aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de gecertificeerde instelling, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst, een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Hij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.” –– Dit betekent, ouders, dat wanneer er een beschikking is van de rechtbank om nader onderzoek te doen naar de opvoedvaardigheden in het kader van uithuisplaatsing, u zeer actief en alert dient te worden, omdat de zaak dan juist stilgelegd wordt door de gezinsvoogdij, en deze vaak niets doet, geen onderzoek pleegt opdat de zaak escaleert. Ouders dienen schriftelijk snel te werken aan diagnostisch onderzoek, en stel daarbij termijnen, houdt data bij en herinner en ga desnoods naar de rechter in kort geding.

   Het gaat om uw kind en diens psychisch welzijn!!! En het gaat om uw gezag als ouders over uw kind, dat bedreigd wordt met BW1:266.

Het artikel BW1:262a is helaas niet in werking getreden.  [ http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/artikel262a ]

 

Beroep van de G.I. (gezinsvoogd) in hoger beroep is afgewezen: kind mag thuis blijven:

Tip:

De G.I. is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking afwijzing UHP. Het hof heeft geoordeeld dat de minderjarige nimmer (diagnostisch) onderzocht is of geobserveerd, en heeft er aldus nimmer een samenhangend en constructief onderzoek specifiek op het kind plaatsgevonden. Het kind is ‘gediagnostiseerd’ met een .......(pathogeen etiket van gezinsvoogd) maar uit de stukken in het dossier blijkt niet op grond van welk onderzoek de ......(etiket) tot deze diagnose is gekomen, dus van welk beroepsnivaeu: SKJ is slap en niet medisch, niet orthopedagogisch; BIG en evt. NIP is kwalitatief medischer).

Tevens is het hof van oordeel dat de veiligheid op dit moment niet zodanig in het geding is dat een UHP op dit moment noodzakelijk is. (Ouders heb dus een veiligheidsplan)!

UHP is een ultimum remedium: ‘laatste redmiddel’, en is schadelijk voor het kind.

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat het inleidend verzoek van de G.I. tot machtiging van de UHP moet worden afgewezen. – TIP (een advies):

Zorg voor een veiligheidsplan en toon aan dat uw thuissituatie voldoende veilig is. Stel een familiegroepsplan op waarin uw netwerk u kan ondersteunen, en communiceert met uw gezinsvoogd.
Zorg bijv. dat er 1 persoon de regie krijgt, die fungeert als contactpersoon met de G.I.

(Wij weten ook dat elke zaak anders is en niet alle tips en trucs werken. Het zijn enkel adviezen die wij geven en in deze zaak wel geholpen hebben.)

Tip van advocate:

Bij alle drie de advocaten de verzoeken OTS afgewezen.

zaak 1: Het is vaste rechtspraak dat een OTS niet is bedoeld om enkel het verloop van een omgangsregeling te volgen. Er moet sprake zijn van bijkomende zorgen over de ontwikkeling van een kind om de maatregel te rechtvaardigen.

zaak 2: De OTS is afgewezen gezien er geen ERNSTIGE bedreigingen zijn.

zaak 3: De OTS is afgewezen gezien de ouder in een vrijwillig kader verder kan met de hulpverlening.

Zorg ervoor dat je laat zien dat u een hulpvraag heeft. Er wordt meestal medegedeeld dat een ouder geen hulpvraag heeft. Een hulpvraag is meestal alleen om aan te geven of u bereid bent om hulp te accepteren. Een tip: geef aan dat u wel hulp zou willen en dat u wel een hulpvraag heeft maar dat u deze graag zou willen formuleren met de hulpverlening.

Laat zien dat u ook bereid bent om hulp te accepteren indien er geen OTS meer is.

Ernstig bedreigingen moeten worden aangetoond. Het moet gaan om ' ernstige' bedreigingen niet om zorgen.

Het feit dat er misschien in de toekomst een risico aanwezig is dat er ernstige bedreigingen aanwezig zijn is geen grond voor een OTS.

( Dit zijn enkel tips en zijn geen garanties gezien elke zaak weer anders is. In deze zaak hebben de tips wel geholpen)

 

Beëindiging ouderlijk gezag (Ontheffing) afgewezen:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHAMS%3A2016%3A3907 :

“Onvoldoende zorgvuldig handelen Raad, gronden gezagsbeëindigende maatregel onvoldoende door de Raad onderbouwd”

Bewijs zwart op wit werkend dat de G.I. en RvdK aan inspanningsverzuim (BW1:262 lid 1 en 3) hebben gedaan, geen voorlichting hebben verstrekt om de vermeende ‘bedreiging’ (uit BW1:255) te doen opheffen, geen cursus hebben aangeboden, de ‘andere ouder’ escalerende (onjuiste) informatie hebben verstrekt (http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/misleidende-gezinsvoogden/), daarmee de vage, slecht bewijzende onderbouwing vanuit de RvdK/G.I. onderuithalend, en zet dit in de context van het toekomstige belang van het kind beide ouders onbelast in vredige sfeer te mogen blijven kennen (http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/schadelijke-beknotte-bezoekregelingen/).

De rechter: “Alle voorgaande omstandigheden in aanmerking genomen, is voor het hof niet duidelijk geworden hoe de Raad heeft kunnen concluderen dat terugplaatsing niet op een voor de kinderen aanvaardbare termijn mogelijk is. Uit de stukken blijken weliswaar zorgen over de ontwikkeling van de kinderen nu zij veel wisselingen van hun verblijfplaats - ook tussen verschillende landen - hebben meegemaakt, de moeder moeite heeft met het bieden van structuur en toezicht {wat kan komen door verkeerde hulp van de G.I., maar ook door ouderlijke laksheid} en vooral de kinderen met ernstige problematiek kampen, maar dat voldaan is aan de gronden voor een gezagsbeëindiging, is door de raad onvoldoende onderbouwd.”

Zorg dus dat u als ouders niet afwacht maar zelf kennis en deskundigheid opdoet!!!

 

Voldoen aan ‘tweejaarstermijn’ (*naar Weterings*Beleid) onvoldoende om gezag te beëindigen:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ARBLIM%3A2016%3A9526 :

De ouder(s) verzetten zich niet tegen het uithuisgeplaatst-zijn, doch ervaren het beëindigen van ouderlijk gezag als een straf en verbreken van een band.

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel BW1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW1) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn (zie ook BW1:255 lid 1), of

b. de ouder het gezag misbruikt.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 1:266 lid 1 BW blijkens het woordje “kan” een discre­tionaire bevoegdheid voor de rechter behelst. Hoewel op zichzelf sprake is van een situatie waarin beëindiging van het ouderlijk gezag passend zou zijn {onterecht doch als standaard in de juridische wereld aanvaard}, nu niet langer aan het doel van de ondertoezichtstelling wordt gewerkt en daarmee ook een ‘duidelijke situatie voor de minderjarige’ {alsof de opgroeiende een jurist is} zou worden gecreëerd, ziet de rechtbank aanleiding om daartoe in dit specifieke geval niet toe over te gaan. De rechtbank acht daarbij het belang van de minderjarige leidend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zowel de Raad als de GI geen concrete bezwaren hebben tegen de wijze waarop de moeder het gezag uitoefent over de minderjarige.

Zie ook voor uitstel beëindigingszitting: http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/artikel262b .

 

Het ontbreken van eenduidig en doortastend beleid bij een langdurige uithuisplaatsing door (gezins)voogdij heeft geleid tot verslechterde verhoudingen en een loyaliteitsconflict:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2016:8694 :

KIND is al jaren met OTS uithuisgeplaatst. “Dat doet bij de rechtbank de vraag rijzen waarom er thans wederom een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing aan de rechtbank wordt voorgelegd en het toekomstperspectief van KIND , tot grote frustratie van alle betrokken partijen, nog immer onduidelijk is.

Achtergrond van de gewijzigde artikelen (o.a. 1:255 en 1:266 BW) is immers, dat indien blijkt dat ouders, binnen een voor de ontwikkeling van de minderjarige ‘aanvaardbare termijn’ {waarbij de ouders zèlf actief moeten zìjn om aan vage eisen vanuit de ‘jeugdzorg’ te voldoen, waaronder die eisen laten concretiseren}, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kind niet op zich kunnen nemen, de maatregel tot gezagsbeëindiging dient te worden overwogen, waarbij het gezag zo mogelijk wordt overgedragen aan de feitelijke opvoeders zoals de pleegouders.

… Bij de eerste verlenging van een ondertoezichtstelling, en zeker na een periode van twee jaar, móét {juridisch} overwogen worden of het kind nog langer in ‘onzekerheid’ mag blijven over zijn toekomstige opvoedingssituatie (Kamerstukken II, 2008/2009, 32 015, nr. 3, blz. 10) {De Kamer gaat er vanuit dat het kind juridisch onderlegd dit ziet als onzekerheid}.

Als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort {dus wanneer de ouders daaraan niet hebben gewerkt, al deed de gezinsvoogd niets}, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing die ‘onzekerheid’ over het opvoedingsperspectief voortduren.” Er zijn rechtszaken geweest waaruit blijkt dat er ‘psychologisch’, dus diagnostisch, moest worden onderzocht; de gezinsvoogdij heeft daaraan niet voldaan.  De gezinsvoogd heeft het zelfs voor elkaar gekregen dat ouders en pleegouders niet deskundig zijn voorgelicht en begeleid om loyaliteitsconflict in het kind te voorkomen.

“Los van de vraag of door de G.I. wel of niet (met voldoende inzet en voortvarendheid) aan de opdracht van het hof is voldaan, constateert de rechtbank dat sinds het hof de opdracht gaf, inmiddels alweer bijna twee jaar zijn verstreken. … Hierbij is gelet op de goede hechting van KIND  in het huidige pleeggezin, KIND’s positieve ontwikkeling daar, het feit dat het daar reeds langer dan zeven jaar verblijft en is ingegroeid, de onaanvaardbaar lange termijn waarbinnen geen duidelijkheid is gegeven, en op het hiervoor aangehaalde {dubieus-deskundig} advies van Timon SGJ Pleegzorg. Om al die redenen lijkt het de rechtbank overigens óók niet denkbaar dat de uitkomst van een KSCD-onderzoek zou zijn, dat werken aan een thuisplaatsing bij de moeder en stiefvader in het belang van KIND moet worden geacht. … De rechtbank zal, nu de ondertoezichtstelling, gelet op het vorenstaande, niet langer de geëigende weg is, de ondertoezichtstelling van KIND , in haar belang, verlengen, maar slechts voor de duur van een half jaar. Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing van KIND voor de duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). Voor het overige zal het verzoek pro forma worden aangehouden.” – Dus het niet-werken aan snel en deskundig onderzoek en juiste voorlichting voor de ouders heeft geleid tot {vermeende} problematiek en loyaliteitsconflict bij KIND.

– Hier heeft de moeder geweigerd een handtekening te zetten voor KSCD-onderzoek zònder voor een hoogwaardiger alternatief te hebben gezorgd, zodat er waarschijnlijk bij de ketenpartner KSCD van de G.I. geen advies uit zal komen tot een terugplaatsingstraject.

We kunnen hieruit leren dat ouders ZELF urgent moeten zorgen en blijven zorgen voor concretie van de eisen om aan terugplaatsing te gaan voldoen. Zíj moeten dus doorvragen op schrift wat de ‘zorgen’ zijn, hoe daaraan gewerkt moet worden, en hoe de verbetering daartoe te meten zal zijn, want ondanks BW1:262 lid 1 zal de G.I. nogal eens in inspanningsverzuim niet werken aan lid 3.   Ook hadden de ouders de vinger aan de pols moeten houden wat de onderzoeksvragen betreft die naar de onderzoeker gaan ter diagnostisch onderzoek.

Al is dat de taak der gezinsvoogdij, de ouders hebben de plicht naar BW1:247 zèlf ook actief die ‘zorg’ te bewaken en er aan te werken; waarbij opgemerkt dat dit hen niet verweten mag worden als ‘tegenwerken’ van de gezinsvoogdij!

Daarom moeten de ouders ook alles op schrift kunnen bewijzen!

 

Hof acht uithuisplaatsing onrechtmatig.

De moeder stelt dat er geen gronden zijn voor een uithuisplaatsing en voert daartoe het bewijs aan (zwart op wit). De moeder toont dat ze openstaat voor hulpverlening (mogelijk zelf beter hulp wenst) en wil graag met die hulpverlening in de thuissituatie voor de minderjarige zorgen:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHDHA%3A2016%3A2383 :

“Het hof: stelt vast dat de bij bestreden beschikking verleende verlenging van de machtiging uithuisplaatsing onrechtmatig is geweest;”.

Naast het verzoek van ouder om UHP ongedaan te krijgen, is deze zo slim om rekening te houden met voortzetting UHP en de daarbij passende bezoekregeling optimaler krijgen.

 

Geen gesloten jeugdzorg. Van de overheid mag een actieve houding worden verwacht gelet op het ingrijpende karakter van de maatregel; t.a.v. hier machtiging gesloten jeugdhulp:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2016%3A8713  :

De maatregel gaat er af na enige weken om de opgegroeide voor te bereiden. De ouders zijn actief op cursus gegaan om beter hun ouderschap te kunnen representeren (en dat helpt ook).

 

Het ontbreken van eenduidig en doortastend beleid bij een langdurige UHP heeft geleid tot verslechterde familiäle verhoudingen en een loyaliteitsconflict:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ARBROT%3A2016%3A8694 :

Waar begin 2015 rechterlijk werd bepaald dat er deskundig onderzoek moet komen en anno eind 2016 dat nog niet van de grond is gekomen, acht de rechter dit schadelijk:

“Tot op heden is het toekomstperspectief echter onduidelijk gebleven.

De rechtbank betreurt het dat het ontbreken van eenduidig en doortastend beleid kennelijk heeft geleid tot de huidige situatie waarin de verhoudingen tussen alle betrokkenen inmiddels op scherp zijn komen te staan terwijl dat eerder niet of veel minder het geval was. Zowel de verhouding tussen de moeder (inclusief de stiefvader) en de pleegouders, als die tussen de moeder en de vader, als die tussen de moeder en de G.I. lijken te zijn verslechterd.

De onzekerheid en onduidelijkheid over KIND’s perspectief en de verslechterde verhoudingen hebben een negatieve weerslag op KIND. KIND verkeert inmiddels in een loyaliteitsconflict. …”

Ouders dienen wel, willen ze het kind terug, zich motiverend in te zetten en niet ongenuanceerd voorgesteld onderzoek te weigeren, waar ze zèlf de mogelijkheid kunnen aannemen om dit onderzoek bij een deskundige te laten plaatsvinden, inclusief onderzoeksvragen. Neem dan ook begrijpend kennis van de wet, zoals BW1:255 e.v..

Een diagnostisch onderzoek moet binnen drie maanden te doen zijn, rekening houdend met het feit dat UHP schadelijk werkt in het kind (Gresser, 2016). De overheid is daartoe naar IVRK 24 lid 1 aansprakelijk.

^^

Chantage of afdreigen, vaak bij Beschermingstafel of VT, het slordig inzetten van drangzorg met dreigingen om anders het kind te straffen, is niet enkel contraproductief; het is ook strafbaar.

Soms ondervinden ouders het voorval dat hun gezinsvoogd/jeugdzorgwerker/gezinsmanager  dingen van hen gedaan wil krijgen en dreigt met ontheffing van het ouderlijk gezag als men niet “meewerkt”.

Dit mag bij wet absoluut niet! Er bestaat zelfs een term voor: “afdreiging”!

In het geval dat een gezinsvoogd bijvoorbeeld een [ongedefinieerd] onderzoek wil laten doen en ouder’s toestemming vraagt, maar ze de ouders niet wil informeren over de noodzaak van het onderzoek en andere vragen die ouders daarover zouden moeten kènnen (hoe werkt dat onderzoek, wat zijn de [open?] onderzoeksvragen, van welke kwaliteit is de specialist, welke specialisaties kent die, wat is de beroepsregistratie, en voldoet diens kwaliteit aan IVRK 24.1?) niet direct inhoudelijk beantwoord (BW1:262), kunnen de ouders gewoon dat onderzoek weigeren, alhoewel het slim is om zèlf een [klaarliggende] specialist aan te dragen met hogere kwalificaties, die niet werkt met afvinklijstjes doch met diagnostiek.

De gezinsvoogd kan dan manipuleren en dreigen, evt. via een schriftelijke aanwijzing (BW1:263–265), maar regelmatig ook met erger:

Gaat de gezinsvoogd dan dreigen met ontheffing/beëindiging van het ouderlijk gezag of iets in die trend, dan maakt de gezinsvoogd zich schuldig aan ‘afdreiging’: Sr artikel 318 uit het Wetboek van Strafrecht: 
Sr 318:
“Lid 1. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift, of door openbaring van een geheim iemand dwingt hetzij tot de afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld, hetzij tot het ter beschikking stellen van gegevens, wordt als schuldig aan afdreiging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
… Lid 3. Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klacht van hem [i.d.g. het gezin] tegen wie het gepleegd is.”
Dit houdt dus in dat de gezinsvoogd zelfs celstraf kan krijgen voor dit wangedrag! Om nu toch in zo’n geval de gezinsvoogd en diens team te bewegen correct te handelen, is er de volgende mail die men naar de gezinsvoogd kan versturen. Het moge voor zich spreken dat men deze mail/fax/brief ook naar diens teamleider en de eigen advocaat stuurt. Bewaar immer een copie voor uw dossier en rechtsgang. Met deze brief gaan we ervan uit dat de ouders reeds inzet hebben geleverd op schrift voor hoogwaardig onderzoek om de gronden tot dwangzorg aan af te wegen:

>> Beste mevrouw/heer [NAAMgezinsvoogd],
Reeds meerdere malen heb ik u een mail/brief/fax gestuurd met daarin het verzoek om ons nadere, inhoudelijke uitleg omtrent het door u voorgestelde onderzoek te verstrekken. Tot op heden heb ik daarop van u geen enkele reactie mogen ontvangen (BW1:262, lid 1 t.a.v. lid 3). Derhalve zie ik mij genoodzaakt om u geen toestemming voor dit onderzoek te verlenen.
{Men kan toevoegen:} Waar passende open diagnostiek, dat wij reeds wensten als grond voor elk hulptraject, naar IVRK artikel 24 lid 1 noodzakelijk is voor het bepalen van kind’s meest optimale hulptraject, stellen wij de specialist [NAAM+ADRES] voor het onderzoek te laten verrichten.

Dat u ons reeds gedreigd heeft – al dan niet tijdelijk – van het ouderlijk gezag te ontheffen als we geen toestemming verlenen, is afdreiging. Ter uwer informatie: afdreiging is bij wet strafbaar. U kunt dit nalezen in artikel 318 van het Wetboek van Strafrecht. We laten ons door u dan ook niet bedreigen met een dergelijke sanctie, die contraproductief werkt in de psyche van het ontvankelijke kind, dat zich daarmee gestraft voelt. U zult mij aannemelijk moeten maken dat het onderzoek daadwerkelijk noodzakelijk en in het belang van mijn kind is.

Kunt u dit niet, dan zult u begrijpen dat u geen toestemming van mij krijgt. Uiteraard geldt ook dat als u mij aannemelijk kunt maken dat dit onderzoek wel noodzakelijk en hoogwaardig in het belang van mijn kind is, u deze toestemming ook zult verkrijgen.
Ik geef u ten laatste male 24 uren de tijd om te reageren op deze e-mail. Doet u dit niet, dan is er mijns inziens/ kennelijk geen noodzaak, danwel belang, voor dit onderzoek aangaande mijn kind.

{Men kan toevoegen:} Wij persisteren in onze wens de gronden voor elk hulptraject te baseren op open diagnostiek, opdat de hoogst mogelijke mate van ook psychische gezondheid in het belang van kind geleverd wordt, waarbij dwangzorg wetenschappelijk als een contra-indicatie schadelijk bleek. Dit mogen we eisen op grond van BW1:247. 
Met vriendelijke groet,   [ondergetekende, datum etc.] <<

 

Verzoek beëindiging gezag afgewezen. Negatieve doorwerking daarvan op de kinderen:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2016%3A9065 :  

Het hof constateert dat de extra ballast waarmee KINDEREN spijtig genoeg sinds hun uithuisplaatsing zijn geconfronteerd grotendeels buiten de invloedsfeer van de moeder ligt. Welbeschouwd is juist de moeder de voornaamste, zo niet enige continue hechtingspersoon in het leven van de kinderen tot nu toe.
Ook al wonen KINDEREN al jaren niet meer bij de moeder, toch biedt zij de kinderen duidelijk de nodige houvast en steun. Met name sinds het aantreden van de huidige (gezins)voogd in januari 2015 oefent de moeder haar gezag ook feitelijk nog, althans weer (meer) uit. De wijze waarop de (gezins)voogd en de moeder samen het gezag over de kinderen invullen, stemt beiden tot tevredenheid. Over en weer hebben zij veel aan elkaar om tot het voor de kinderen meest optimale resultaat te komen. Zo heeft de (gezins)voogd ter zitting aangegeven dat zij ingeval van een conflict met KIND1 wel eens samen met hem naar de moeder gaat voor een driegesprek. Met behulp van de moeder lukt het de (gezins)voogd dan om KIND1 weer in het gareel te krijgen.

Ouders dienen, zo kunnen we leren, wel preventief deskundig te worden over hechting, want de gezinsvoogd gebruikt ‘hechting’ als een smoes, zonder kennis: http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/fjr-2012-95-over-hechting/ .

Ook dienen ouder kennis te hebben waarmee de rechter valselijk geïnformeerd is: http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/beleid/ zodat het lijkt dat ‘pleegzorg’ c.q. het uithuisgeplaatst-zijn goed zou zijn voor het kind, wat wetenschappelijk wordt tegengesproken door o.a. arts U. Gresser (http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wertenschap-kind-oudercontact-schaden-is-schadelijk/). Ouders zouden preventief veel meer moeten lezen, om weerwoorden paraat te hebben.

 

De rechter heeft het verzoek tot verlenging van de OTS afgewezen gezien het enkel monitoren van de omgang tussen ouders geen grond is voor een OTS    (omgangssabotage en verlengen OTS):

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHAMS%3A2016%3A4086 : 

Léés deze beschikking waarin het hof nogmaals uitleg geeft aan welke voorwaarden een omgangs-OTS moet voldoen. Advocaten kunnen deze uitspraak gebruiken bij een omgangs-OTS en hebben het ook gebruikt in deze zaak die hierboven beschreven staat.

Het blijkt dat de RvdK naast meningenonderzoek graag onderzoeks-OTS verlengt, dus denk niet dat het om echt het onderzoeken gaat! Immers: Wanneer het de RvdK als overheidsorgaan serieus was het contact met vader te verbeteren, (de eventuele voorlichtingsnalatigheid van de G.I. te verhelpen,) en de mogelijke loyaliteitsproblematiek te verhelpen, dan had de overheid in de eerste maanden na scheiding of ander rechterlijk of ‘jeugdhulp’-contact reeds deskundige voorlichting kunnen geven aan beide ouders en een diagnose t.a.v. het kind.

Ten aanzien van omgangssabotage en mogelijke loyaliteitsconflicten  is dit geen goede uitspraak, daar diagnostiek ontbreekt als eis. Dan kan men beter kijken naar https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2005:AS6020 .

 

Bij omgangssabotage:

https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:PHR:2010:BM4301

waar de vader i.d.g. het éénhoofdig gezag krijgt en zolang als nodig behoudt omdat de verzorgende moeder i.d.g. de omgang saboteerde en moet leren om geen negatieve, loyaliteitsconflicterende signalen uit te zenden naar het ontvankelijke kind. Net zoals bovenstaande  ‘LJN AS6020kan zo ook de informatie bij beide ouders komen. De hoge rechter motiveert: "Omgangsrecht; niet-nakoming omgangsregeling vormt in het onderhavige geval grond voor een gezagswijziging op de voet van art. 1:251a BW-oud; voor een dergelijke gezagswijziging is echter slechts plaats indien hetzij (het onaanvaardbare risico bestaat dat) het kind als gevolg van die niet-nakoming klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, hetzij die gezagswijziging anderszins {lekker vaag}  in het belang van het kind noodzakelijk is; beslissing dat een zodanige gezagswijziging noodzakelijk is, dient, vanwege het ingrijpende karakter daarvan, aan hoge motiveringseisen te voldoen." Die worden gegeven.

 

Problemen onder OTS met chantage ofwel dreiging ‘wanneer u niet tekent voor toestemming’?:

Laat het op een schriftelijke aanwijzing (BW1:263-265; S.A.) komen wanneer u geen uitleg en motivering krijgt voordat u tekent voor een toestemming. U mag naar BW1:247 de zorg bewaken en dus vragen om welgemotiveerde uitleg (Awb3:46).

BW3:33:Een rechtshandeling [hier het tekenen voor toestemming] vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard.”
\Þ Zonder uitleg, verklaring, en motivatie van de gezinsvoogdij ontbreekt uw op rechtsgevolg gerichte wil, dus hoezo kan u dan gedwongen worden om te tekenen? Daarbij:
BW3:34 lid 2:
“2. Een zodanig ontbreken van wil maakt een rechtshandeling vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, wordt door het ontbreken van wil echter nietig.
\ Dus als u al tekent, kan u het later met enige moeite laten vernietigen, maar beter is om een schriftelijke aanwijzing te laten komen en naar BW1:264 het artikel 33 BW3 aan te halen.
Tenslotte artikel 44 van hetzelfde boek 3 BW:
“Lid 1: Een rechtshandeling is vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen.  
Lid 2: Bedreiging is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen. De bedreiging moet zodanig zijn, dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed.”
Een bedreiging die ten koste zou gaan van het kind met diens belang van een goed kind-oudercontact (BW1:262 lid 3) kan ook nog eens als niet handelen naar fatsoen (BW6:162 lid 2) gezien worden.
Maar vraag dus eerst schriftelijk de motivatie goed op want onder hoofdstuk 4 Jeugdwet moet dit door de gezinsvoogd/gezinsmanager wel goed uitgelegd worden, temeer daar BW1:262 lid 1 verlangt dat ouders hulp en steun verkrijgen, zeker wanneer ze er om vragen.

 

Ongegronde uithuisplaatsing onrechtmatig:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:2383 :

Leer ook van deze uitspraak van het Hof, waaronder:

“10. Naar het oordeel van het hof had op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting door de rechtbank niet geconcludeerd mogen worden dat de gronden voor een uithuisplaatsing aanwezig zijn. Het hof overweegt daartoe als volgt. De noodzaak voor de machtiging uithuisplaatsing is ontleend aan de stellingen van de gecertificeerde instelling, terwijl die stellingen niet concreet zijn onderbouwd en daaraan geen deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt. Uit psychodiagnostisch onderzoek van de moeder is bovendien gebleken dat – anders dan de gecertificeerde instelling vermoedde – niet is voldaan aan de DSM criteria voor een persoonlijkheidsstoornis, noch aan de criteria voor een autismespectrumstoornis. De gecertificeerde instelling zet daartegenover weliswaar observaties van diverse personen, maar die zijn geen van allen gekwalificeerd om een diagnose te stellen. … 12. De raad constateert in zijn rapport 7 januari 2016 dat de gezinsvoogd en de pleegzorgmedewerker onvoldoende bij machte lijken te zijn om hun stelligheid los te laten en zodoende de moeder een eerlijke kans te geven om te laten zien of zij uiteindelijk opvoedingsverantwoordelijkheid zal kunnen dragen. Daardoor ligt het gevaar van een tunnelvisie en daarmee een selffulfilling prophecy op de loer, aldus de raad. Het hof acht het onbegrijpelijk dat de raad op dit standpunt uit januari jl. is teruggekomen, uitsluitend op basis van het feit dat de medewerkers van de gecertificeerde instelling de moeder niet alleen met de minderjarige hebben gelaten. Het vorenstaande acht het hof een flinterdunne, ondoorzichtige en onduidelijke motivering van de zijde van de raad. Met name in zaken waarin diep ingegrepen wordt in het family-life mag ook van de raad worden verlangd dat hij zijn visie met betrekking tot de belanghebbenden deugdelijk en inzichtelijk motiveert. Het kan niet zo zijn dat eerst gekomen wordt tot de conclusie dat er sprake zou zijn van tunnelvisie en vervolgens zonder grondige motivering daarvan wordt afgestapt.

13. Het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, brengt het hof tot de conclusie dat de gronden voor de uithuisplaatsing onvoldoende blijken uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, zodat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing zonder nader deugdelijk, wetenschappelijk onderzoek naar de (persoonlijkheid, opvoedingsvaardigheden en leerbaarheid van de) moeder, indien nodig in samenhang met onderzoek naar haar wijze van benadering van de minderjarige, naar het oordeel van het hof onrechtmatig is geweest. … … Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat de door de gecertificeerde instelling naar voren gebrachte contra-indicaties niet uit enig diagnostisch onderzoek blijken, maar slechts berusten op vermoedens van de gecertificeerde instelling. Het hof zal om die reden de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarin de contactregeling is vastgesteld en bepalen dat er eens per week een begeleid contact voor de duur van twee uren dient plaats te vinden.

Let wel op de motivatie en onderbouw het belang van goede omgangsregeling waar het onderzoek – diagnostisch – nog loopt of moet gaan lopen en er dus geen prejudicie mag zijn.

 

Rechtbank wijst het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het gezag (voorheen ‘ontheffing’) af:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ARBOVE%3A2016%3A4870 :

Hier erkent de rechter internationaal recht en weegt belangen!: “In het licht van de bepalingen uit internationale verdragen heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden dat een gezagsbeëindigende maatregel slechts dient te worden uitgesproken indien deze noodzakelijk en proportioneel is. Een dergelijke maatregel kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouder(s). Hoewel KIND1  en KIND2 al gescheiden zijn van hun ouders, blijkt niet dat de beëindiging van het gezag van vader noodzakelijk is in het belang van KIND1  en KIND2 of één van beiden. Vaststaand feit is dat de discussie van gezagsbeëindiging al eerder is gevoerd en toen niet tot een verzoek van de Raad heeft geleid waaruit kan worden afgeleid dat het kennelijk in die tijd niet in het belang van de kinderen was het gezag te beëindigen. Zoals ter zitting besproken, is er geen sprake van een wijziging van omstandigheden en is uitsluitend de wetswijziging aanleiding voor het indienen van het verzoek terwijl uit het onderzoek niet is gebleken of er mogelijkheden zijn voor een vrijwillige plaatsing van KIND1 en KIND2  buiten het kader van de ondertoezichtstelling.  KIND1 heeft bovendien expliciet aangegeven in haar brief aan de kinderrechter en dat vervolgens in het gesprek met de kinderrechter bevestigd dat het gezag dat haar vader op dit moment heeft, haar een “thuisgevoel” geeft. KIND2 zal niets merken van een eventuele beëindiging van het gezag: hij is, gelet op diens ontwikkeling [IQ], in het geheel niet in het onderzoek betrokken. Ten aanzien van beide kinderen gèldt dat de vader altijd bereikbaar is voor de jeugdbeschermer en dat hij zijn toestemming geeft voor alle noodzakelijke maatregelen die dienen te worden genomen. De samenwerking van vader met alle partijen is goed te noemen. … Het beoogde doel van de gezagsbeëindigende maatregel kan derhalve tevens door een minder vergaande maatregel worden bereikt, zodat het verzoek van de raad moet worden afgewezen.”

 

Indicatiebesluiten (PvA) e.d. onder de jeugdwetten. Rechtsmachtverdeling tussen de kinderrechter als civiele rechter en de kinderrechter als bestuursrechter. Hoger beroep tegen uitspraken van de kinderrechter als bestuursrechter moet worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep ("LJN BD1113"):

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2008:BD1113 :

  • Tegen een besluit waarbij door een (Bureau/G.I.) Jeugdzorg een bepaalde vorm van jeugdzorg wordt geïndiceerd, kan – na bezwaar bij ‘Jeugdbescherming’ – beroep worden ingesteld bij de kinderrechter (als bestuursrechter) en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
  • Als een dergelijk (indicatie)besluit feitelijk een onderdeel is van de civielrechtelijke procedure tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige, kan echter geen beroep worden ingesteld maar dient de kinderrechter (als civiele rechter) de rechtmatigheid van dat besluit te toetsen in het kader van de procedure tot (bestuurlijke beslissing tot) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
  • Soms wordt tegen een (indicatie)besluit dat feitelijk een onderdeel is van de civielrechtelijke procedure tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing toch bezwaar gemaakt. (Bureau/G.I.) Jeugdzorg verklaart dat bezwaar dan – terecht – niet-ontvankelijk (Wel doen! Immers}: Daarentegen: Als tegen dat ‘besluit op bezwaar’ beroep wordt ingesteld, dan is de kinderrechter (als bestuursrechter) bevoegd daarvan kennis te nemen en staat tegen de uitspraak op dat beroep hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Tussenbeschikking verzoek verlenging uithuisplaatsing t.o.v. termijnen. Ouders zijn toegelaten tot het bewijs van hun stelling dat de bestreden beschikking niet is uitgesproken vóór de afloop van de termijn van de machtiging uithuisplaatsing door middel van een getuigenverhoor:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2014:2700 :

O.a.: “Het hof, alvorens verder te beslissen, laat de ouders toe tot het bewijs van hun stelling dat de bestreden beschikking, uitgesproken door de kinderrechter in de rechtbank R., niet is uitgesproken vóór de afloop van de termijn van de machtiging uithuisplaatsing, door middel van [bijv.] een getuigenverhoor;…” – Zie ook de Nieuwsbrief van st.KOG: http://www.stichtingkog.info/posts/nieuwsbrief-najaar-2016-1427/.

 

Ondertoezichtstelling. Ouder zonder gezag geen [directe] belanghebbende. Ontbreken omgangsregeling onvoldoende basis voor ondertoezichtstelling:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2016:199 :

O.a.: “Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op dit moment niet is gebleken van gronden die een ondertoezichtstelling van KIND rechtvaardigen. In zoverre slagen de grieven 1 en 2. Gelet hierop heeft de moeder geen belang meer bij een bespreking van grief 3 {Wel handig een alternatief te stellen die afgewezen kan worden}. Het hof zal de bestreden beschikking [OTS] vernietigen en het inleidende verzoek van de raad alsnog afwijzen.” – Het ingrijpende karakter van de ondertoezichtstelling brengt mee een ernstige bedreiging als bedoeld in  artikel 1:255 lid 1 BW eerst aan te nemen wanneer in de actuele situatie van het kind concrete, niet mis te verstane, aanwijzingen voor die bedreiging aan de dag treden. De enkele mogelijkheid van bedreiging biedt onvoldoende basis voor de toepassing van de maatregel van ondertoezichtstelling.

 

Daarentegen: OTS toegestaan bij omgangssabotage:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2016:1869 :

O.a.: “Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de kinderen, zelfs afgezien van de problematiek ten aanzien van de contactregeling, ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Deze ontwikkelingsbedreiging uit zich bijvoorbeeld en met name in de wijze waarop de moeder met de kinderen omgaat in haar positiebepaling naar de vader toe. …” – Hierbij zou https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2005:AS6020 (Gezagswijziging als uiterste middel om omgang te bewerkstelligen) een dwingender mogelijkheid zijn, dat als tijdelijke maatregel de ogen kan openen aan de omgangssaboterende ouder.

 

Machtiging uithuisplaatsing. Alle zeilen moeten worden bijgezet om op korte termijn duidelijkheid te krijgen over het toekomstperspectief van de minderjarige:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2016:5632 :

Vergelijk http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/beleid/ wat de drogreden daartoe is.

“…Daarbij tekent het hof aan dat het gelet op de jonge leeftijd van KIND noodzakelijk is dat op korte termijn duidelijkheid komt omtrent zijn toekomstperspectief en dat daartoe thans alle zeilen worden bijgezet {waar de ouders dat beter zelf kunnen doen dan afwachten!}. Ook de ouders hebben daar recht op. Het hof onderschrijft op dit punt het standpunt van de moeder dat primair {beter: diagnostisch} onderzocht moet worden of een kind bij zijn ouders of andere naaste familie kan opgroeien. Een onderzoek naar de mogelijkheid van een dergelijke netwerkplaatsing dient zich, anders dan de GI van plan is, naar het oordeel van het hof mede uit te strekken tot de vraag of KIND bij opa zou kunnen opgroeien. …” – Vanuit de adoptiewetenschap is netwerkplaatsing beter dan een wegplaatsing naar vreemden van het kind, met de mogelijkheid de ouders te ‘kennen’. Ouders moeten wel zèlf zich geïnteresseerd tonen in ontwikkelingspsychologie dat bij de leeftijdsfase hoort.

 

Vervallenverklaring Schriftelijke Aanwijzing (S.A.),  opschorting omgang, uithuisplaatsing,  onzorgvuldige voorbereiding, schending hoor en wederhoor, omgang in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2015:4942 :

Met verwijzings-links naar gebruikte wetten! Leer van deze uitspraak om niet de beschreven fouten te maken. “…Het hof overweegt hierbij dat het in het belang van KIND wordt geacht dat gezinsvoogdij-JBRA de mogelijkheden tot contactherstel tussen KIND en de moeder blíjft onderzoeken {en beter is als ouder dat op hoger kwaliteitsniveau te willen}, temeer nu sinds … 2014 bijna anderhalf jaar is verstreken. In de tussentijd kan de moeder hiertoe zelf het initiatief nemen door KIND bijvoorbeeld af en toe een kaartje te sturen.” En bij te leren.

 

Gesloten jeugdhulp met instemming ouders. De Stichting [Jeugd-teams, een jeugdzorgverlendende stichting] is niet-ontvankelijk in verzoek:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2015:1659 :

“In artikel 6.1.8 van de Jeugdwet is geregeld wie een dergelijk verzoek g-UHP kan doen. In zaken waarin de gezaghebbende ouders instemmen met plaatsing van de jeugdige in een gesloten accommodatie, wordt het verzoek ingediend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft.

Vast staat dat de moeder van KIND instemt met de plaatsing van KIND in een gesloten accommodatie. Niet is in geschil dat KIND haar woonplaats heeft in de gemeente X.

In dit geval is het verzoek niet ingediend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente X, maar door de stichting [residentiële hulpverlener]. Ter zitting is deze stichting het antwoord op de vraag waarop zij haar bevoegdheid tot indiening van het verzoek heeft gebaseerd schuldig gebleven. Niet is gebleken dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente X haar bevoegdheid tot indiening van een verzoek heeft gemandateerd aan de stichting. … Dit leidt ertoe dat de stichting in haar verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.”   

 

Blijvend verlengen van OTS+UHP. Negeren wat Hof heeft bepaald:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2014:8694 :  Incidentele vordering tot aanhouding bodemprocedure in afwachting van arbitrage in Londen tussen de twee gedaagden. Een dergelijk incident is niet in de wet voorzien, maar wel mogelijk. Art. 209 Rv laat aan de rechter over of op het incident eerst en vooraf wordt beslist. Over wanneer in een geval als dit iedere beslissing in de procedure moet worden aangehouden, geeft het Nederlandse recht geen regels. De EEX-Vo is niet van toepassing. Vooral de eisen van een goede procesorde, waaronder begrepen de eisen van een doelmatige en voortvarende rechtspleging, bepalen of er voldoende grond bestaat voor een aanhouding. In dit geval leidt dit tot een afwijzing van het verzoek tot aanhouding. –{Dat ‘gefaseerde terugplaatsing’ met echt-deskundige begeleiding wegens inspanningsverzuim van de gezinsvoogd niet wordt overwogen, komt door het niet noemen en niet onderbouwen door de ouder, tegenover het cliché dat is gaan heersen in dit jeugdzorgveld: Weteringscliché ingeburgerd }.

 

– Uitgebreidere uitleg ook op http://www.stichtingkog.info/posts/nieuwsbrief-najaar-2016-1427/ met link naar PDF op  http://www.stichtingkog.info/media/KOGniewsbrief-8_corr3_20161211.pdf m.n. blz. 6 en 7.

 

Omgangs-OTS. Appèl tegen niet-vervanging gecertificeerde instelling/gezinsvoogd. Geen bijzonder curator benoemd bij scheidingszaak:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:2060 :

Al wenst moeder een Bijzonder Curator (i.p.v. een echte deskundige), deze wens wordt niet gehonoreerd. Alhoewel mediation veelal niet goed werkt bij vechtscheidingen wenste moeder dat vader daaraan meewerkte. Gezinsvoogd smoest dat er onderzoek moet komen waarom KIND weerstand heeft tot moeder. Duidelijk is dat zowel de rechtszaak aanspannende moeder als de gezinsvoogd niet slim genoeg zijn om een echte deskundige voor voorlichting en onderzoek in te schakelen, al dan niet met vervangende toestemming of S.A.,  en wordt OTS verlengd. Vader wenst echt diagnostisch onderzoek. Dat is niet aan een B.C., doch aan een orthopedagoog-generalist waarvoor moeder toestemming zou moeten geven, of de gezinsvoogd moet dat regelen (beter dat ouders beiden dat regelen), en zo de sfeer voor haar kind gijzelt.

 

Uithuisplaatsing en vertrek naar het buitenland. Nederlandse rechter bevoegd. Overbrenging minderjarige naar Nederland door jeugdbeschermer:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:2092 :   o.a.:

“Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met artikel 353 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten, indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte vooruit zou lopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden. … Voor zover het hof van oordeel is dat het onvoldoende geïnformeerd is, verzoekt de moeder om een deskundige te benoemen ex artikel 810a lid 2 Rv. Het hof is van oordeel dat het reeds voldoende is geïnformeerd, zodat het beroep op alle onderdelen faalt.” –

Moeder lijkt (communicatief en qua kennis en tactiek) te weinig inzicht te tonen om de omgang met vader niet te belasten.  Er was reeds een OTS met het LdH als gezinsvoogdij, waardoor het verhuizen te laat kwam.  Verhuizen naar buitenland heeft enkel zin als niemand weet naar welk land men onaangekondigd verhuisd is, met uitschrijving bij de gemeente hier. De Nederlandse politie zoekt actief in België (en Duitsland). 

 

Wraking van rechter:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2015:3633

Procesrecht. Personen- en familierecht, verzoek herstel ouderlijk gezag. Wrakingsverzoek door hof buiten behandeling gelaten omdat het niet is ingediend door advocaat. Gewraakte raadsheer neemt deel aan die beslissing; artikel 39 lid 1 Rv. Doorbreking rechtsmiddelenverbod, art. 39 lid 5 Rv. Artikel 6 EVRM. Aan de indiener had gelegenheid behoren te worden geboden het verzuim te herstellen (artikelen 281 en 362 Rv). Samenhang met 15/03873.” –  en

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2015:2425 :

“Het feit dat de gewraakte rechter zelf (mede) beslist of het wrakingsverzoek voldoet aan de eisen die de wet aan een wrakingsverzoek stelt, lijkt mij echter niet verenigbaar met de eisen die art. 6 lid 1 EVRM aan een eerlijke procedure stelt. Ook al is er in dit geval geen reden om een subjectief gebrek aan onpartijdigheid (m.a.w. vooringenomenheid) van de betrokken raadsheer-plaatsvervanger aan te nemen, dan blijft de vraag of er objectieve gronden zijn om te twijfelen aan zijn onpartijdigheid (d.w.z.: of er een schijn is van onvoldoende onpartijdigheid). Die gronden zijn aanwezig. De gewraakte rechter is immers betrokken bij de beslissing of het wrakingsverzoek aan de wettelijke vereisten voldoet. Om deze reden slaagt middel III en kan de bestreden beslissing niet in stand blijven. (Middel III herhaalt de klacht dat de betrokken kamer van het hof het Wrakingsprotocol niet heeft gevolgd en ten onrechte over het wrakingsverzoek heeft beslist in een samenstelling waarvan de gewraakte raadsheer-plaatsvervanger deel uitmaakt.)”  – Wed dus niet op één paard, maar zet meerdere alternatieven op een rij.

 

OTS in hoger beroep afgewezen wegens inzet ouders zèlf en http://familiegroepsplan.nl/ :

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2015:5022 :

Ouders, bagatelliseer nimmer de vermeende ‘zorgen’ van jeugdzorgwerkers, maar zorg zèlf actief voor hooggekwalificeerd diagnòstisch onderzoek, ook al is het voor uiteindelijk slechts tips in opvoeding! Uiteraard bent u reeds rechtsbijstandverzekerd, want ‘jeugdzorg’ bestaat!

“Het hof is”, met het onderkennen van de zorgen om de kinderen in ‘vechtscheidingssfeer’,  “echter van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de huidige situatie zo is dat de ontwikkelingsbedreigingen niet in het vrijwillige kader kunnen worden weggenomen. Het hof acht een ondertoezichtstelling op dit moment daarom niet (meer) noodzakelijk. Het hof overweegt voorts dat voldoende is gebleken dat de ‘andere ouder’ momenteel wel hulp accepteert; die ouder(s) hebben onbestreden gesteld dat de beide ouders samenwerken met ‘Wij [vestigingsnaam]’ en met de overige hulpverlenende instanties en dat zij thans een open en transparante houding aannemen ten opzichte van de hulpverlening.” – Wees dus tactisch! Heb liever uw kind lief dan te strijden tegen een partner die weg is, waar de beide ouders blijven bestaan voor de kinderen. Zoek de meest hooggekwalificeerde ondersteuning, voorlichting in pedagogische houding, en evt. diagnostiek!  “Zorgen maken” is nog geen feit om in te grijpen (BW1:255 tegenover BW1:247 lid 1 en 3 enz.), zeker nu de ouders zo slim zijn als ouders samen te werken.

 

De beste manier om uw kind na scheiding kwijt te raken met UHP is beschreven in  https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2014:5121 (oude wetgeving: http://peterprinsen.nl/HERZIENINGOTS-2011.htm).

 

Een minderjarige kan zonder vertegenwoordiging in hoger beroep tegen afwijzing verzoek om Bijzonder Curator:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2014:3535 : 

Bij OTS: "Heeft minderjarige recht op inzage èn afschrift van processtukken in procedure met betrekking tot diens OnderToezichtStelling???" - Een effectieve uitoefening van het recht van een oordeelsonbekwame minderjarige om in diens betreffende procedure diens zienswijze kenbaar te maken, kan meebrengen dat hij/zij geïnformeerd dient te zijn over de inhoud van de gedingstukken (EVRM6; hij kan ook vertegenwoordigd worden naar een advocaat door diens ouders, voogd, of anders een Bijzonder Curator).  Aan de orde komen in deze: Positie minderjarige als belanghebbende in de zin van artikel 798 Rv; artikel 811 lid 1 aanhef en onder d, Rv; Procesonbekwaamheid minderjarige, artikel 1:245 lid 4 BW1. En recht om gehoord te worden, artikel 809 Rv; Toegang tot de rechter, artikel 12 IVRK, artikel 6 lid 1 EVRM; Met benoeming Bijzonder Curator, artikel 1:250 BW1; Love-richtlijn.

 

In Nieuwsbrieven van stichting Kind-Ouders-Grootouders (KOG) komen ook precedente uitspraken voor (http://www.stichtingkog.info/media/KOGniewsbrief_20160713.pdf) naast vragen zoals enige vorm van ‘waarheidsvinding’

Vervallenverklaring van S.A. in hoger beroep; bezoekregeling:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHSHE:2016:912 :

Op 24 februari 2016 verklaart de Rechtbank in ’s-Hertogenbosch een schriftelijke aanwijzing van William

Schrikker geheel vervallen: Ter beoordeling staat de vraag of er redenen zijn de schriftelijke aanwijzing van de GI van 22 december 2015 geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. De kinderrechter overweegt in dit verband allereerst ...  . Vervolgens dient beoordeeld te worden of de aanwijzing  – welke beschouwd wordt als een besluit in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb; Jw 12.3.5)  – zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. Op de voet van het bepaalde in artikel 4:8, lid 1 aanhef en onder a, van de Awb heeft de GI de moeder in de gelegenheid gesteld haar zienswijze in te dienen op het voor-nemen een schriftelijke aanwijzing tot beperking van de omgangsregeling met de minderjarige te  geven. Van die gelegenheid heeft de moeder gebruik gemaakt middels het benaderen van een gemachtigde,

die op .. december 2015 per e-mail aan de GI de bezwaren tegen de voorgestelde inperking van de bezoekregeling heeft kenbaar gemaakt.  In de daarop volgende aanwijzing van … december 2015 wordt weliswaar gewag gemaakt van het standpunt van de moeder dienaangaande, maar uit de aanwijzing blijkt niet dat de bezwaren mee zijn gewogen in de besluitvorming. Met name wordt niet gemotiveerd waarom het positieve verslag van Rubicon over het verloop van de begeleide bezoeken en de leerbaarheid van de moeder geen aanknopingspunten vormen voor de GI om het voornemen tot inperking van de  bezoekregeling te wijzigen. Ter zitting heeft de GI  nog een voor de moeder nieuw element ter  onderbouwing van de aanwijzing aangevoerd {als een altijd te verwachten overval}: de minderjarige zou een ontwikkelingsachterstand hebben, die noopt tot verlaging van de frequentie van de bezoekregeling, omdat de bezoeken te belastend zijn voor het jonge kind {wat geen valide motief is, diagnostisch gezien}. Voorts blijkt uit de memorie van toelichting op het bepaalde in artikel 1:263 BW, dat de bevoegdheid tot het geven van een schriftelijke aanwijzing bij het uitvoeren van de toezichthoudende taak door de gecertificeerde instelling regelt, dat pas tot het geven van een aanwijzing dient te worden  overgegaan als de gewenste medewerking niet door overleg en overreding kan worden bereikt {een ouder mag op basis van BW1:247 en IVRK 24.1 een hogergekwalificeerd diagnostisch alternatief eisen ter optimalisatie van het hulptraject voor het kind}.  Noch uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting is de kinderrechter gebleken dat er overleg heeft plaatsgevonden. De standpunten van partijen lopen dienaangaande uiteen, zodat dit niet feitelijk is vast te stellen. Bovendien neemt de kinderrechter in aanmerking dat naar zegge van de GI ter zitting partijen in  staat zijn om tot onderlinge afspraken te komen. Op grond van het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat  de schriftelijke aanwijzing onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd, zodat zij het verzoek van de moeder zal inwilligen en tot vervallenverklaring ervan zal besluiten.

 

Tegen een Schriftelijke Aanwijzing is geen hoger beroep mogelijk, maar soms toch wel:  Op 10 maart 2016 heeft het Hof in ’s-Hertogenbosch de volgende beschikking gegeven: Ontvankelijkheid: 3.8. Ingevolge artikel 1:264 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van 12 jaar of  ouder een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen  verklaren.  3.8.1. Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen beschikkingen ingevolge – voor zover thans van belang – artikel 1:264 BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.  3.8.2. Volgens vaste rechtspraak is doorbreking van een appelverbod mogelijk, indien erover wordt geklaagd dat de eerste rechter met zijn beslissing buiten het toepassingsgebied van het desbetreffende artikel is getreden, het artikel ten onrechte dan wel met verzuim van vormen heeft toegepast of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten.  3.8.3. Het hof stelt vast dat de ouder in dit hoger beroep kan worden ontvangen, omdat zij heeft geklaagd dat de eerste rechter  met zijn beslissing buiten het toepassingsgebied van artikel 1:264 BW is getreden.

In FJR, Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht, van februari 2016 staat een artikel ‘Beëindiging van het gezag’. Citaat: “Zonder strikte noodzaak mag immers niet worden ingegrepen in de autonomie van het gezin. Dit betekent dat àlles uit de kast moet worden gehaald om ouders in staat te stellen hun kinderen te verzorgen en op te voeden.” Ook voorlichting door een deskundige (BW1:262, lid 1 om lid 3 te dienen). De praktijk is helaas anders.

 

Tuchtzaak rond PersoonlijkheidsOnderzoeken (P.O.) t.b.v. UHP-zaken: onduidelijk en onbehoorlijk diagnostisch onderzoek:

http://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/gezondheidszorg/uitspraak/2016/ECLI_NL_TGZRAMS_2016_79 :

“3. De klachten van klaagsters, de G.I.’s, hebben een gelijke strekking. De klachten zien op de wijze waarop verweerder, psycholoog, onderzoek doet en rapporteert over de opvoedkwaliteiten van ouders en de relatie tussen ouders en kinderen. Klaagsters achten zowel het onderzoek als de wijze van rapporteren onder de maat. De klachten houden, zakelijk weergegeven, in dat de rapporten over deze ouders er blijk van geven dat verweerder geen deugdelijk onderzoek verricht alvorens hij tot zijn conclusie komt. Zo ontbreekt de context waarin de onderzoeken plaatsvinden, blijkt niet dat verweerder kennis heeft genomen van alle relevante medische en sociale gegevens, doet verweerder uitspraken over de problematiek van het kind zonder dat hij dit kind heeft onderzocht {wat overigens wel kan bij jonge kinderen, zoals hier, d.m.v. een CBCL}  en zonder dat een zogenoemde interactie-observatie tussen ouder(s) en kind heeft plaatsgevonden  {wat vaak gesaboteerd wordt door de gezinsvoogdij vooraf door te lage frequentie bezoek en het toestaan tot dat contact voor VIB – ouders moeten dat dus vooraf reeds zwart op wit vastleggen!}, en baseert de psycholoog zijn opvattingen mede op de uitslagen van testen gemaakt door de ouder(s) die voor andere doelen dan de beantwoording van de aan de orde zijnde vraag naar opvoedkwaliteiten en -vaardigheden zijn bestemd.  …  

5.3. Het college overweegt voorts als volgt. De rapporten bedoeld in 2 zijn aan te merken als verklaringen van een GZ-psycholoog. Bij de beoordeling van de vraag of een dergelijke verklaring voldoet aan de daaraan te stellen eisen dienen de volgende criteria in aanmerking te worden genomen:

Eisen aan ‘onderzoek’, liefst diagnostisch in de gezòndheidszorg, doch ook dat van G.I.’s:

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3.  In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het college toetst ten volle of het onderzoek door – in dit geval – de GZ-psycholoog professional uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen. …”

Hier heeft de G.I. wel een punt: onderzoeken dienen duidelijk en volgbaar te zijn; maar wanneer we de onderzoeksrapportages van de G.I. zelf analyseren, dan is duidelijk waarom er zo’n roep om (diagnostische) waarheidsvinding te horen is, temeer daar de Kinderombudsman in de G.I.-rapportages veel fouten onderkende (‘Is de zorg gegrond?”, 2013).  {Er bestaan beroepscodes; ouders, gebruik ze!}.

Frappant is dat er ruim 15 tests met sub- en controleschalen zijn ingezet en in de uitleg binnen het diagnostisch rapport de verbanden wèl zijn uitgelegd, zelfs met grafieken en schaaluitkomsten; dus duidelijk onderbouwde uitleg, iets wat de gezinsvoogdij nimmer doet. Het lijkt erop dat de tuchtrechter hier corrupt de G.I. heeft nagepraat om een onafhankelijke echte deskundige de mond te snoeren. Wel heeft de G.I. nu punten waar ze zich zèlf ook eigenlijk aan moeten gaan houden.

 

Verkorting van UHP t.b.v. ‘onderzoek’ en omgangsregeling daartoe:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2016%3A10442 :

“Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de ene bestreden beschikking van 1 augustus 2016 bekrachtigen voor zover het de ondertoezichtstelling betreft en voor zover het de uithuisplaatsing betreft tot 1 april 2017 en voor zover het de uithuisplaatsing vanaf 1 april 2017 betreft vernietigen en het verzoek tot verlenging in zoverre afwijzen. Het hof zal de andere bestreden beschikking van 1 augustus 2016 vernietigen en de omgangsregeling wijzigen zoals hierna is weergegeven.” –– De OTS+UHP moet nu voortvarend gebruikt worden om te ‘onderzoeken’; en ouders weten inmiddels wel dat zij voor de hoogste mate van ‘onderzoek’ moeten gaan: diagnostiek via een passende specialist, die zij zoeken en voorstellen, zwart op wit.

 

Verzoek tot ondertoezichtstelling, ontbreken omgang vader en minderjarige, motiveringsvereisten:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:4086 :

“Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. De moeder en de vader hebben sinds 2008 diverse procedures gevoerd over met name de zorgregeling tussen de vader en KIND. De ouders hebben inmiddels geen contact meer met elkaar. Hun verstandhouding is vijandig en er vindt tussen hen geen afstemming meer plaats over KIND. In het verleden heeft, met enige tussenpozen, (begeleide) omgang plaatsgevonden tussen de vader en KIND, maar sinds december 2014 is het contact tussen hen verbroken.

Hoewel tussen de ouders sprake is van een conflictueuze relatie, ontwikkelt KIND zich blijkens het raadsonderzoek leeftijdsadequaat en komt zij over als een sterk meisje in zowel verstandelijk-, sociaal- als verbaal opzicht. Zij ervaart een hechte band met haar moeder, stiefvader en stiefbroer en -zus en maakt de indruk dat zij goed gedijt in de huidige (gezins)situatie en heeft het naar haar zin. Zij lijkt goed in haar vel te zitten en is daardoor veerkrachtig. Dat beeld wordt bevestigd door een schriftelijke verklaring van de lerares van KIND van 13 juli 2016. Daarin is - kort gezegd - vermeld dat het uitstekend gaat met KIND , dat zij op school, in haar schoolwerk en in haar omgang met anderen prima functioneert en dat zij opgroeit in een stabiele gezinssituatie.

Gezien het voorgaande leidt het ontbreken van contact tussen de vader en KIND naar het oordeel van het hof thans op zichzelf niet tot een voor haar zorgelijke situatie. Dat KIND een negatief beeld van de vader heeft en thans geen contact met hem wil, acht het hof voor haar ontwikkeling ongewenst maar rechtvaardigt naar het oordeel van het hof geen ondertoezichtstelling, nu gebleken is dat KIND zich, ondanks het ontbreken van dat contact, in de huidige situatie goed ontwikkelt, er geen zorgen zijn over haar thuis- en schoolsituatie en van kindsignalen die overigens zouden kunnen wijzen op een ernstige ontwikkelings­bedreiging niet is gebleken.

Het voorgaande brengt mee dat de gronden voor ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking niet aanwezig waren en ook thans niet aanwezig zijn. Dit leidt ertoe dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van KIND wordt afgewezen. …” ––

– Dus: OTS is afgewezen, gezien moeder “meewerkt” {en dat hoeft niet ‘domweg’ te zijn} en hulpverlening binnen laat. Tevens is er een verzoek ingediend voor een omgangsregeling. Daarbij blijkt dat er geen sprake is van ernstige bedreigingen, en dat is belangrijk. {Wel blijft het voor het kind belangrijk beide biologische ouders te 'kennen', een later kindbelang, maar dat is ter verantwoording van de opvoedende ouder, die hopelijk juiste deskundige extra voorlichting zoekt ten gunste van het kind}.

Tip: Verwijs naar de uitspraak van de Hoge Raad omtrent een omgangs-OTS mèt motiveringsvereisten alsmede de bovengenoemde hof-uitspraak van Amsterdam:

In zijn arrest van 19 februari 2016 heeft de Hoge Raad (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:295)  geoordeeld:
dat niet uitgesloten is dat het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het tot stand brengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. In een dergelijk geval moeten aan de motivering van de toewijzing hoge eisen worden geteld. = Terughoudende maatstaf en hoge motiveringseisen (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009, NJ 2002/4; HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1073, NJ 2002/5). 

 

Goede omgang na UHP moet met kennis en actieve inzet van ouders:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2016%3A10442 :

In deze uitspraak blijkt dat de ouders verweten wordt te ‘volwassen zaken’ te bespreken met de kinderen en geen concrete invulling gaven aan het bezoek onder toezicht.

Uit deze uitspraak leren we dat ouders echt pedagogische boeken moeten lezen om goed onder toezicht met het kind tijdens bezoek om te gaan. Er bestaan ook cursussen, en doe een beroep op BW1:262 lid 1 om lid 3 optimaal te houden. Bij Uithuisplaatsingen blijft een kind zich ontwikkelen en het meegroeien is dan lastig, dus lees over ontwikkelingspsychologie. Blijf spontaan maar mèt kennis! Bereidt het bezoek zo nodig voor wat je gaat doen. Uw emoties moeten ouders dus onder de knie hebben, en verwerk die bij een eigen psycholoog (en noem die niet in jeugdzorgland). De problemen die de kinderen tonen na uithuisplaatsing zullen graag de ouders verweten worden, tegen de  bevindingen  van  wetenschappers  in .    Wanneer een kind (dat mogelijk van de begeleidende gezinsvoogd over bepaalde zaken verboden is te spreken) diens emoties inhoudt, wordt dit als pathogene invloed van de ouders uitgelegd. Ook blijkt dat het verdriet bij het kind dat na het wennen (slechts 1 uur bezoek) gestraft wordt met alweer afscheid moeten nemen zonder dat het mee mag, verweten wordt aan de ouders, terwijl de gezinsvoogd het kind heeft uitgelegd waarom het kind niet bij de ouders mag wonen: wat een signaal inhoudt dat de ouders slecht zouden zijn, en dit geeft loyaliteitsconflict in het kind.  Dit zijn verwijt-argumenten voor de gezinsvoogdij om de bezoekregeling te verminderen, zodat de kans op terugplaatsing ook zal verminderen; dit verzoek van de gezinsvoogd was maar na een paar maanden oude uithuisplaatsing. Al snel kunnen gezinsvoogden de rechter laten weten dat, zonder echte open diagnose om zich op te baseren, er geen perspectief meer zal zijn op terugplaatsing; er wordt gespeculeerd zonder echte deskundige meting. Leer dus dat rechters geen psycholoog of medici zijn die deze signalen in juist perspectief weten te interpreteren, en zorg dus dat u bewijs in context voorgekauwd uitlegt. Bij een goede volgbare motivatie kan de rechter een tussenweg wijzen en de bezoeken (die hier eens per week waren) niet om de drie doch om de twee weken laten plaatsvinden. Rechters vergeten een echte orthopedagogisch/medisch specialist in te laten zetten voor interactiewaarneming en voorlichting (dit moeten ouders zèlf verzorgen!). Wel lukte het de ouders de machtiging UHP te verkortten zodat er korter tijd is voor de gezinsvoogdij om aan bewijs te komen dat het beter is het gezag te beëindigen, en de ouders moeten dus actief worden aan concretie te werken wat fout zou zijn en aan eisen te voldoen.

 

Verzoek tot ondertoezichtstelling (OTS) alsnog afgewezen. Waarheid van stellingen des vaders zijn onvoldoende onderzocht door de RvdK.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2017%3A1028 :

  Voorbeelden:

- Een verzoek Ots kan afgewezen worden door de rechter wanneer er geen ernstige bedreigingen (meer) zijn en ouders alles onder controle hebben qua hulpverlening. Het enkel monitoren door de gezinsvoogdij ‘of het goed blijft gaan’ is niet voldoende.

Bijvoorbeeld: Indien uw minderjarige niet naar school gaat zorg dan dat u in overleg treedt met de leerplichtambtenaar zodat u kan laten zien dat u ook niet achter het schoolverzuim staat maar alles er aan doet om uw minderjarige weer op school te krijgen.

 

- Monitoring van de omgang hoeft geen reden te zijn voor verlenging van een OTS.

Deze halfgare uitspraak wordt vrij vaak in een omgangs-OTS gebruikt door advocaten: http://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2016-4086 ;

Citaat van een eerdere uitspraak van het hof:    ‘Het ontbreken van contact tussen de vader en het kind is thans op zichzelf niet een zorgelijke situatie. {Dubieus!}. Dat het kind een negatief beeld van de vader heeft en thans geen contact met hem wil, acht het hof voor haar ontwikkeling ongewenst maar rechtvaardigt naar het oordeel van het hof geen OTS, nu gebleken is dat het kind zich, ondanks het ontbreken van contact, in de huidige situatie goed ontwikkelt {volgens de gezinsvoogd of jeugdzorgwerker; beter is een diagnose}, er geen zorgen zijn over haar huis- en schoolsituatie en van kindsignalen die overigens zouden kunnen wijzen op een ernstige ontwikkelingsbedreiging niet is gebleken’ {Diagnose is zuiverder meten! Het kind kan beïnvloed zijn door een omgangssaboterende ouder, zelfs door een partijdige gezinsvoogd, en dat dient diagnòstisch gemeten te worden. Een interactie-onderzoek tussen kind en beider ouders is gewenst voor objectiviteit.}.

 

OUDERS: Let op: Advocaten merken steeds vaker dat ouders denken dat hun advocaat de stukken (zoals bijv. oproep-brief, verzoekschrift van de g.i., etc.) automatisch ontvangen vanuit de rechtbank. Dit verschilt per rechtbank. Toch, indienen u een oproep ontvangt stuur deze dan (in copie of scan) door naar uw advocaat want de kans is groot dat uw advocaat daar niet van op de hoogte is. (Het gaat specifiek om Ots-zaken als Uhp-zaken)

 

Wanneer er geen gronden zijn die de noodzaak van een uithuisplaatsing rechtvaardigen, wordt zo’n verzoek vaak niet toegekend. De rechter laat dan onder de Ots verder werken aan ‘zorg’, alsmede de Ots is net uitgesproken waardoor een uithuisplaatsing nog te vroeg is.

Belangrijk is dat er een bepaling in de jeugdwet is opgenomen dat in geval van een Uhp het college van B&W er zorg voor draagt dat de jeugdige – indien redelijkerwijs mogelijk – bij een pleegouder of in een gezinshuis wordt geplaatst, tenzij dit aantoonbaar niet in het belang is van de jeugdige (artikel 2.3 lid 6 van de jeugdwet).

Rekening houden met achtergrond van KIND:

Bij het bepalen van de aangewezen vorm van Jeugdhùlp moet het college (Gemeente of gedelegeerde naar Jw12.3.5) rekening houden met de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders en met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders (artikel 2.3 lid 4 van de jeugdwet).

De zaak is aangehouden gezien ouders hebben aangegeven volledig mee te werken in de kaders van de Ots. (Al de tips zijn geen garanties en bieden geen zekerheid, maar er is een kans dat het werkt. – – Dit staat op https://jeugdbescherming.jimdo.com/wetten-en-regelgeving/goede-precedente-uitspraken/ ).

 

Gebruik ook:

EHRM-arrest:

''Kroniek van het personen- en familierecht'' door prof.dr. Caroline Forder*, Nederlands Juristenblad 14-10-2016, pag. 2572:                                                                                         Δ

‘Partijen in de kinderbeschermingsprocedure zijn niet gelijkwaardig. De verzoekende instantie {in Nederland veelal de RvdK} is een repeat-player {=apparaat in napraat- en herhaalmodus zonder gedachtewerking}, vertrouwd met de vereisten die door de rechterlijke instanties aan bewijsstukken worden gesteld en met de middelen om (aanvullende) bewijsstukken te laten vervaardigen.**

De wederpartij, vaak de ouders, heeft deze voordelen niet, heeft regelmatig niet de middelen om een contra-expertise te betalen en moet zich behelpen met beschikbare adviezen.

De uitspraak (arrest) van het EHRM in N.P./Moldova, 6-10-2015 appl.nr. 58455/13, houdt rekening met deze ongelijke posities en gebiedt de nationale rechter zich te hoeden voor de verleidelijkheid van de bewijsstukken van de overheid {c.q. 'jeugdzorg'}. In deze zaak oordeelde het EHRM dat de Moldavische rechter te veel gewicht had toegekend aan het bewijs dat door de kinderbeschermingsinstanties werd aangevoerd en te weinig aan hetgeen klaagster aanvoerde.

{Ouders dienen wel – belezen – goed zakelijk en wetenschappelijk te motiveren en te onderbouwen, liefst naar hoogwaardiger meten {IVRK 24 lid 1}, diagnostisch en naar wetgeving en regels}.

Hier was de beslissing tot gezagsbeëindiging onderbouwd door het 'feit' dat de klaagster c.q. ouder haar kind niet van adequate kleding en voeding had voorzien en dat er sprake was van een onhygiënische omgeving, inadequate gezondheidszorg en een gebrek aan geschikte opvoeding en sociale begeleiding. Het EHRM achtte de omstandigheden zeker relevant, maar oordeelde dat de Moldavische rechters ten onrechte uitsluitend aandacht hadden geschonken aan de informatie die afkomstig was van overheidsorganen (kinderbeschermingsautoriteiten, politie) terwijl bewijs dat klaagster zelf aanvoerde buiten beschouwing werd gelaten.

Zo had de Moldavische rechter geen aandacht besteed aan het bewijs dat het kind gezond was, dat alle vaccinaties waren gedaan, en dat de moeder keer op keer tevergeefs pogingen had ondernomen {werk dus zwart op wit!} om haar dochter na de uithuisplaatsing te bezoeken. De rechtbank Ch. had evenmin aandacht gehad voor het feit dat klaagster na de UHP haar huis had opgeruimd, een baan had gevonden en de formaliteiten had geregeld die nodig waren voor inschrijving in een school (r.o. 75-77).’

Dit kan regelmatig lijken op de gemeentelijk situatie hier in Nederland, die ambtelijk of gedelegeerd (Jw12.3.5) beschikt.

* Prof. C.J. Forder is bijzonder hoogleraar Rechten van het kind aan de VU Amsterdam, wetenschappelijk medewerker bij Fischer Advocaten Haarlem en medewerker van dit Juristenblad. Ze noemt enige juridische knelpunten naar aanleiding van de Jeugdwet; de kronieken zijn bijgewerkt tot sept. 2016.

** Regelmatig wordt door inspanningsverzuim door de gezinsvoogdij uithuisplaatsing verlengt en verlengt zonder ‘zorg’.  Dat resulteert onder Weteringswetenschap**** vaak in het beëindigen van ouderlijk gezag, omdat het (dan) pleegkind zou lijden onder de juridische onzekerheid of het terug zal mogen naar diens ouders (alsof een kind juridisch begrip heeft). UHP zou een lange periode van onzekerheid geven. “De bedoeling  van de [in de wet aangegeven] ‘aanvaardbare termijn’ [uit BW1:255 lid 1 onder b] is dus dat onder de nieuwe wetgeving de knoop doorgehakt zal worden en gezagbeëindiging zal worden uitgesproken {op suggesties van de gezinsvoogdij}. 

In zijn afscheidsrede voerde prof.dr. Ido Wijers aan dat het ‘aanvaardbaar te achten termijn’-criterium voortijdige gezagsbeëindiging in de hand werkt {en ongediagnosticeerd}. Het criterium laat volgens hem {en andere wetenschappers} te weinig ruimte voor het aandragen van alternatieven voor gezagsbeëindiging  en zou re te weinig aandacht zijn voor de mogelijkheid dat de ouder(s) op afstand bij het kind betrokken blijft en evenmin voor de meerwaarde voor de opgroeiende van het feit dat de ouder(s) met de voortzetting van de opvoeding bij de pleegouders instemt. 

Prof. Wijers (‘Jeugdbescherming in de 21e eeuw: prudentie, professionaliteit en proportionaliteit’, rede gehouden bij zijn afscheid van zijn functie als hoogleraar kinderbescherming aan de Universiteit Utrecht, op 1 juni 2016) vindt kortom dat het wettelijk criterium te weinig ruimte laat {en te veel speculatie} voor pedagogische inzichten. Zijn voorstel om dit probleem het hoofd te bieden is dat kinderrechters {of de Onderzoeksrechter uit de motie Klein, II 2017} bij de beoordeling van beëindigingsverzoeken het {ook latere} belang van het kind scherp voor ogen houden en de beginselen van proportionaliteit toepassen. EVRM artikel 8.”… De rechter dient bij het nemen van een kinderbeschermingsmaatregel steeds na te gaan: a. of er voldoende {diagnostisch gemeten} aanleiding is voor de ingreep. {Een chirurgische operatie laat men ook niet over aan sociaal werksters}; en b. of er {diagnostisch} onderzoek is gedaan naar de impact van het ingrijpen op het gezin; en c. of er onderzoek is gedaan naar {diagnostischer of therapeutischer} alternatieven. (Bron: C.J. Forder, ‘Gaat het voorontwerp van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen te ver of juist niet ver genoeg? - Het voorontwerp getoetst aan de Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden’, in: M.R. Bruning & J. Kok (red.) ‘Herziening kinderbeschermingsmaatregelen, commentaren op het voorontwerp van wet, Deventer: Kluwer 2008, p.41-86, op p.50 en 67-69.) >

Het bleek dat de Minister van Veiligheid en Justitie zich {laat}  zorgen maakte over de gebrekkige waarheidsvinding in de hele ‘jeugdzorg’ en ‘kinderbescherming’ (brief aan Tweede Kamer d.d. 13-04-2016 met knelpunten. Dit na de bevindingen van velen en de Kinderombudsman in 2013 [‘Is de zorg gegrond?’].) De roep om  ‘díágnóstische  waarheidsvinding’  wordt slechts voor het laatste deel gehoord, en men blijft steken in  vaagheden t.a.v. de black-box dat ‘jeugdzorg’ heet, terwijl er deskundigen bestaan in de gezondheidszorg.****

****: vergelijk grijs en blauw in  https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/beleid/ en https://jeugdbescherming.jimdo.com/tips-en-andere-brieven/weterings-misleiding/ , alsmede https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/open-brief-aan-tweede-kamerleden/.

 

 Dus voor EHRM zie EHRM.

 

 Voor meer precedente uitspraken zie Meer precedente uitspraken.

 

 Ken tevens het McMichael-arrest en andere arresten! Die prevaleren de Nederlandse wetgeving, zoals u las!