LOYALITEIT  VAN  KINDEREN

 

MET  MEERDERE  OPVOEDERS…

 

Door adoptietherapeut Rini van Dijkhuizen  (LAVAcontact[blad]: herfst 2016;  met aanvullingen van Tj. Strubbe)

 

Stellen we als liefdevolle opvoeders deze vragen:

  • “Hoe kunnen wij – als adoptie- of (pleeg)ouders, maar ook gescheiden ouders – ons kind een loyaliteitsconflict bespáren?”
  • “Hoe kunnen wij er het beste mee omgaan als zich toch loyaliteitsconflict ontstaat?”

Het antwoord hierop is dat het niet geheel mogelijk is te voorkomen dat dit soort conflicten zich voordoen. (Ik noem de gescheiden ouders veelal niet meer, maar daar geldt het in enkelvoud ook voor!).

Pleegzorg, scheiding en adoptie brengen uit de aard der zaken altijd moeilijkheden op het gebied van de loyaliteit met zich mee. Natuurlijk tracht men zich te anticiperen en het te voorkomen.

Het verleden, in dit geval het wegplaatsen of de adoptie, kun je immers niet meer ongedaan maken, al is bij pleegzorg het terugplaatsen wel erg belangrijk voor latere ontwikkeling van de opgroeiende.

 

Gaan we er verder op in:

 

Een pleegkind, kind van gescheiden ouders, of adoptiekind heeft per definitie te maken met dubbele loyaliteit.

 

Elk kind heeft van nature een onlosmakelijke binding met de mensen die het het leven hebben geschonken. Veel opgegroeiden zoeken het waarom en door of van wie… Hoe kwam deze pijnlijke levensgeschiedenis? Wat is genotypisch (van de biologische ouders geërfd) en wat fenotypisch (door de opvoeding, de fenomenen, opgedaan)?  

Daardoor zal een kind altijd zichtbaar en onzichtbaar (externaliserend en internaliserend) loyaal zijn aan de oorspronkelijke ouders (dus zijn negatieve signalen over hen bezwarend voor hun zelfbeeld; zeker veel voorkomend bij pleegzorg).

 

Een kind kan de band met hen niet verbreken. Op het moment dat andere mensen het (het, omdat ‘het kind’ onzijdig is) gaan verzorgen en opvoeden, zal het kind een – verworven – loyaliteit ontwikkelen (vaak na jaren echt) voor deze ouders. (Overplaatsingen [van pleeggezin naar pleegsetting, keer op keer, wat vaak geschiedt] zijn dan ook uit den boze onder gezinsvoogdij).

 

Hoe kunnen wij, opvoeders, ons pleeg- of adoptiekind in een dergelijke en niet te vermijden situatie zo goed mogelijk helpen? En wat zijn de kenmerken dan van een loyaliteitsconflict?

 

Onzichtbare loyaliteit:

 

Onzichtbare loyaliteit gaat bij adoptie of pleegzorg vooral spelen wanneer de adoptie- of pleegouders de loyaliteit aan de geboorteouders niet positief erkennen en er non-verbaal (ja, zelfs verbaal) negatieve signalen over uitzenden.

 

Dit kunnen zij doen door het bestaan van die band te ontkennen of in het bijzijn van het kind de geboorteouders te bekritiseren en diskwalificeren. (Zeker na een uithuisplaatsing op basis van BW1:255 en 265a zal er voeg of laat uitleg aan het kind verstrekt moeten worden. Het vaak gebruikte argument dat “je ouders konden jou niet verzorgen” is al een veroordeling. Adoptieouders hebben als aspirant-ouders al een verplichte cursus gevolgd om hier op attent te zijn.)

 

Onzichtbaar kan het kind toch blijk geven van diens loyaliteit. Een voorbeeld: De oorspronkelijke moeder is prostituee en is destijds met haar kind op straat beland. Het kind blijft ‘onzichtbaar’ loyaal aan de moeder door zelf te experimenteren met betaalde seks (Dit komt bij pleegkinderen bovenmatig voor! En seksueel misbruik komt ook in pleegzorg buitengewoon veelvuldiger voor dan ‘thuis’.).

 

Cultuur:

 

In het geval van interlandelijke adoptie geldt iets dergelijks ook met betrekking tot de cultuur of het land van herkomst van het kind. Bedenk bij alles wat je als opvoeder zegt dat het kind daar vandaan kont. Uiteraard mag men realistisch zijn: maakt er geen sprookjesland van, maar wees anderzijds nooit negatief. Benoem objectief.

 

Dubbele loyaliteit:

 

Zorg ervoor dat het kind niet het gevoel krijgt te moeten kiezen, innerlijk; niet als

het ware het maken van een keuze opgedrongen krijgt.

 

Het kind kan anders het gevoel ontwikkelen niet openlijk (en dus evenmin spontaan) loyaal te mógen zijn aan diens geboorteouders en cultuur.

 

Als kinderen het gevoel hebben dat ze moeten kiezen tussen hun beide ‘soorten’ ouders (ook na scheiding!!!) bevordert dat vrij zeker een innerlijk conflict voor het kind:  terwijl het kind diens loyaliteit naar de opvoeders uit, kan het gaan denken dat het daarmee tegelijkertijd en onvermijdelijk diens andere ouder(s) tekort doet en andersom. Het kind heeft van nature de neiging de opvoeder te ‘pleasen’.  

 

Hoe sterker het kind zich onder druk gezet voelt, innerlijk, om te ‘moeten’ kiezen tussen diens meerdere ouders, hoe groter de innerlijke conflicten en hoe groter de kans dat de psychische gezondheid van het kind in gevaar komt (U. Gresser, 2016).

 

Immers zal diens wereld onoverzichtelijker en daarmee onbegrijpelijker voor hem worden.

 

Overlevingsmechanisme:

 

Wanneer een onderhavig kind bijvoorbeeld diens geboorteland (of cultuur) en geboorteouders totaal afwijst, kan het zijn dat het (onbewust) de druk voet om te moeten kiezen. (Het kind is immers afhankelijk aan de zorg).  Op dit moment heeft het de keuze gemaakt voor diens opvoedouders. Wees als die ouders je bewust dat hieronder een overlevingsmechanisme zit: 'Indien mijn opvoeders mij afwijzen, heb ik helemaal niemand meer.' Eenzaamheid.  

Je kan het kind helpen door te zeggen: Je hoeft niet te kiezen, je mag je verbonden voelen met je geboortecultuur en –ouders. Dat hoeft niet letterlijk verbaal tegen het kind. Het kan ook door middel van visualisatie zittend op de bank: je doet je ogen dicht en je stelt je voor dat je dit tegen het kind zegt.

 

Op het moment dat je merkt dat het kind wat meer open staat voor diens geboortecultuur, kun je er langzamerhand over gaan praten. Je pakt de atlas erbij, de vlag, foto’s en filmpjes op internet enz.. In het algemeen geldt dat hoe beter iemand diens eigen cultuur kent en zich daarmee verbonden voelt of weet af te wegen aan wat het hier heeft, des te flexibeler en veerkrachtiger het kan zijn in de andere omgeving.

 

Wees dus niet bang dat je het kind kwijtraakt als het op zoek gaat naar diens cultuur en geboorteouders.

 

(Je kan ook onderzoeken als pleegouders c.q. OTS- of gescheiden ouders, of de andere, biologische ouder(s) voldoende goed zijn voorgelicht en specialistische hulp en steun hebben verkregen om zich te veranderen, te verbeteren, zich te ontwikkelen (BW1:262 lid 1 c.q. 3). Een gefaseerde terugplaatsing of optimalere omgangsregeling kan ook na vijf jaren nog goed met gespecialiseerde begeleiding, niet door de (gezins)voogdij!

Er zijn specialisten met BIG-beroepsregistratie. Voor de identiteitsfase is het ‘kennen’ van de afkomstouders en -familie van aanzienlijk belang, dus daarbij opgroeien is van belang.).

 

 

 

 

 

 

 

Pleegzorg kan als contra-indicatie vaker dan 'thuis' leiden tot gedesorganiseerde gehechtheid, een vorm van onveilige gehechtheid.


Ook komt dit vaker voor bij pleegkinderen dan bij adoptiekinderen, zoals de grafiek onderaan toont.

 

Loyaliteitsconflicten:

 

Je kunt het kind ook helpen door je goed bewust te zijn van hoe jij met loyaliteitsconflicten omgaat, bijvoorbeeld op regionale schaal: jij bent supporter van een sportclub uit je geboortestreek en je partner/echtgenoot dweept met zijn of haar club.

 

Geef jezelf of je partner een oprecht antwoord op onderstaande stellingen/vragen en ga daarna met elkaar als ouders (niet als exen) in discussie, opbouwend:

 

  • Stiekem vind ik het heel fijn dat mijn kind niets met diens geboorteouders en cultuur te maken wil hebben?
  • Uit mijn eigen verleden, opvoeding, heb ik de volgende voorbeelden van kleine loyaliteitsconflicten…?
  • Ik ben een betere ouder dan die andere ouder(s), de geboorteouder(s)?
  • Kun je oprecht, met aandacht, zeggen: ‘je hoeft niet te kiezen’?
  • Help ik hiermee echt het kind, of meer mijzelf?

 

Sta het kind bij wanneer het behoefte heeft aan een betrouwbare, stevige ouder die om kan gaan met loyaliteitsconflicten en -signalen. En met verdriet.

 

Geef het kind het gevoel (ook non-verbaal) dat het erbij hoort en dat het altijd mag blijven, ook als het later terug mag (want dan nog blijf je als een tante of oom voor het kind. Opbouwend contact – indien mogelijk – met de geboorteouders is daarbij van belang, niet vervuild door ondeskundige beweringen van de zichzelf indekkende gezinsvoogd of stiefouder).

 

Kijk daarbij goed naar wat het kind nodig heeft (ook later): wil het dit met jou delen, of liever met vrienden of een partner of adoptiedeskundige of . . . . . . . ..

 

Zet het kind niet onder druk, geef geen signalen tot het maken van een keuze of belastende informatie, maar laat gewoon merken dat je er altijd voor het zal zijn. Kortom, sluit de achtergrond van het kind in je hart, zonder te proberen beter te zijn dan het systeem. Bedenk ook dat het hart van het kind groter is dan voor twee ouders.

 

Het is uiteindelijk één van de (extra) ontwikkelingstaken en -opdrachten voor pleeg- en adoptiekinderen zelf om de verschillende loyaliteiten naast elkaar te laten bestaan en op een eigen manier vorm te geven, hoe complex ook.

 

Begeleid het kind zo veel en goed mogelijk bij het vorm geven en uitvoeren van die moeilijke taak. Deze kinderen  zullen die hulp in hun zich ontwikkelende leven goed kunnen gebruiken.

 

Scheiding, pleegzorg of adoptie kan boven gemiddeld leiden tot een gedesorganiseerde onveilige gehechtheid. Of tot o.a. stress. Aandacht daarvoor is op z'n plaats voor liefhebbende ouders/opvoeders:

 

Pleegkinderen in pleeggezinnen (P) en in tehuizen/ instellingen (T) kennen vaker een gedesorganiseerde gehechtheid, onveilige gehechtheid, dan adoptiekinderen (A), en die maken ook meer kans op deze onveilige gehechtheid dan gewoon thuis (N).

 

 

 

 

 

 

Ook de gehechtheids-representatie van de opvoeder kan van invloed zijn op de mate van gehechtheid van het kind.

Uit een bovenstaande tabel blijkt dat pleegouders statistisch minder goed representeren.