Hoe jeugdrechters en de politiek bespeeld worden met valse 'wetenschap':

Pedagogische besluitvorming bij uithuisplaatsing

 

 Peter van den Bergh & Tonny Weterings

 

Universiteit Leiden, FSW, Afd. Orthopedagogiek

 

Expertise-Centrum ‘Kind in de Pleegzorg’

 

Leiden, 29-2-2008

 

{Met enige [blauwe] opmerkingen ter nuance door Tj.W. Strubbe, 2016.

 Becommentarieerd!

Axioma’s worden doorgeprikt.     Met nawoord en noten.}

 

1.                  Inleiding

 

Uithuisplaatsing is {o.a.} aan de orde als ouders langdurig hun kind niet die aandacht, liefde en zorg kunnen geven die het kind nodig heeft en past bij de leeftijd. Als een kind eenmaal uithuis is geplaatst, komt de vraag aan de orde wanneer het kind weer terug kan naar huis.

 

Bij uithuisplaatsing kan het kind geplaatst worden in een dag- en nachtvoorziening (residentiële voorziening) of in een pleeggezin. Voor wat betreft de plaatsing in een pleeggezin én de mogelijkheden van terugplaatsing naar huis is in december 2007 een boek verschenen van de auteurs over deze materie. De titel van het boek is: ‘Pleegzorg, jeugdzorg voor het kind’ (uitgeverij Agiel).

 

De cruciale vraag is: hoelang kan of moet pleegzorg duren? Moet hier ook sprake zijn van ‘snelle doorlooptijden’ die in het huidige jeugdbeleid gevraagd worden bij het bepalen van de duur van de zorg? Wat kan pleegzorg betekenen voor de ontwikkeling van het uithuisgeplaatste kind? Welke criteria moeten worden gesteld aan deze vorm van zorg en welke voorwaarden moeten worden geschapen wil pleegzorg de ontwikkeling het kind ten goede kunnen komen? Zorg voor een adequate ontwikkeling van een kind is een vereiste wil de samenleving goed kunnen blijven functioneren.

 

2.                  Twee cruciale onderwerpen voor beleid in de pleegzorg

 

In het boek staan twee onderwerpen centraal namelijk de zorg voor een adequate ontwikkeling van het kind én de positie van zijn ouders. De taak van pleegouders wordt hierdoor bepaald. Nadruk wordt gelegd op de periode van 0 t/m 5 jaar omdat in deze periode de basis voor de persoonlijkheid van de mens wordt gelegd.

 

Geen enkel kind kan zich goed ontwikkelen zonder liefde en leiding, zonder een hechtings- en opvoedingsrelatie. Deze kan alleen ontstaan als de primaire verzorger adequaat ingaat op de behoeften van dit specifieke kind. De eerste personen met wie een kind een dergelijke relatie aan kan gaan, zijn de ouders.

 

Echter, een hechtings- en  opvoedingsrelatie blijkt niet als vanzelfsprekend tussen het kind en zijn ouder aanwezig. De ouder moet beschikbaar en in staat zijn om het kind die liefde en leiding te geven. Als de ouder onvoldoende zorg en aandacht biedt zodanig dat de ontwikkeling van het kind stagneert, is ook de hechting van het kind aan zijn ouder verstoord. Als vervolgens ambulante hulpverlening {door specialisten en daarop therapeuten, en dus geen jeugdzorgwerkers of derden zonder medische opleiding en beëdiging} niet kan voorkomen dat stagnatie ontstaat dan wel vermindert, dan is zorg en opvoeding door anderen, bijvoorbeeld pleegouders, geïndiceerd. Naarmate het kind jonger is, zal de besluitvorming hierover eerder en sneller moeten gebeuren vanwege het feit dat de ontwikkeling van het kind in de eerste levensjaren ontzettend snel gaat en het kind schade oploopt als het zich niet adequaat kan ontwikkelen.

 

Hierbij is de vraag aan de orde wat het kind nodig heeft om zich adequaat te kunnen ontwikkelen. Aan de hand daarvan kan bekeken worden hoe de positie van de {vooraf goed en deskúndig voorgelichte} ouders en van de pleegouders moet zijn ten opzichte van het kind.

 

3.         De benodigde zorg

 

De zorg die het kind nodig heeft, is {o.a.} de gelegenheid krijgen om een selectieve hechtings- en opvoedingsrelatie te kunnen aangaan en te onderhouden met tenminste een primaire verzorger. {Eventuele} Verwaarlozing en/of mishandeling betekent verstoring van de hechtingscapaciteit van het kind. Dit is de reden dat vrijwel alle {c.q. sommige} kinderen die pleegzorg nodig hebben, een verstoring in de ontwikkeling hebben, met name op sociaal en op emotioneel gebied. Het gevolg hiervan is dat hechting aan pleegouders soms langzaam ontstaat en het gemiddeld vijf jaar duurt voordat de ontwikkeling van het kind als (enigszins) ‘normaal’ wordt beschouwd. {Dit houdt in dat snel ontheffen, zonder diagnostisch en interactie-onderzoek met therapie in het oorspronkelijke gezin, voorbarig is}.  Een afbreking van een dergelijke delicate relatie betekent een dubbele aanslag op de capaciteit tot hechten {zowel naar eigen ouders als naar netwerkpleegouders, en omdat later het kind het belang kent de eigen afkomst te ‘kennen’ is frequent contact houden met de ouders van belang}. En iedere volgende afbreking vermindert de capaciteit tot hechten en vermindert de kwaliteit van de hechtings- en opvoedingsrelatie met de volgende primaire verzorger – ook als deze verzorger competent is.

 

In de praktijk van de pleegzorg blijken uiteenlopende opvattingen te bestaan over het begrip hechting maar ook over de betekenis daarvan voor de ontwikkeling van het kind. Heeft men de opvatting dat een kind zich na het verbreken van een selectieve hechtingsrelatie met een hechtingspersoon zich weer kan ‘overhechten’, dan kan dat leiden tot overplaatsingen en tot terugplaatsingen bij de ouder, ook na drie, vijf of tien jaar. Hierbij wordt dikwijls verondersteld dat een hechtingsrelatie met de ouders vanwege de bloedband min of meer vanzelf zal ontstaan. Dat is echter niet het geval. Voor het ontwikkelen van en hechtings- en opvoedingsrelatie moeten ouders {en opvoeders} zich ‘moeite’ getroosten{, en daar is voor enige dwangzorg gespecialiseerde hulpinzet van belang, hen voorlichtend en dan zo nodig voor een pedagogische, mentale keuze te stellen}. Hebben hulpverleners {in ‘jeugdzorg’} echter de idee dat hechting ‘vanzelf’ gaat, dan heeft dat ook repercussies voor hun besluitvorming. In de praktijk {van ‘jeugdzorg’ en gezinsvoogdij} betekent het namelijk, dat een pleegkind verschillende malen kan worden verplaatst, bijvoorbeeld omdat een ouder verhuist en de {frequente} bezoekregeling voor de ouder dan moeilijker te realiseren zou zijn of omdat de pleegouders een terugplaatsing niet in het belang van het kind achten en een plaatsing bij ‘neutrale’ pleegouders dan beter zou zijn. Deze idee wordt nog versterkt als men de opvatting heeft dat het kind het beste {mede} opgevoed kan worden door zijn ouder {wat voor latere behoefte ook zo is, de identiteitsfase}. Deze laatste gedachtegang bewerkstelligt ook dat een terugplaatsing jarenlang ‘open’ blijft voor het geval dat de ouder zich ‘herstelt’. De opvoedingsvariant uit het innovatieproject Trillium in het visiedocument (2000) heeft daardoor niet geleid tot een wezenlijk ander beleid binnen de pleegzorg. Hoewel het ontwikkelingsbelang van het kind uiteraard in veel zaken {door de deskundigen, niet ‘jeugdzorg’} wel wordt nagestreefd, biedt de huidige uitvoeringspraktijk binnen de jeugd- en pleegzorg geen kader {geen deskundig niveau aan hulpverlening} voor het scheppen van voorwaarden waaronder een hechtings- en opvoedingsrelatie kan ontstaan, waarbij, naast sensitiviteit in de omgang, duurzaamheid een cruciale factor blijkt.

 

Het eerste onderwerp dat in het boek daarom uitgebreid besproken wordt,  is de voorwaarden waaronder hechting zich ontwikkelt en de gevolgen van een verstoorde hechting. Het tweede onderwerp is de differentiatie van de relatie ouder–kind. Deze onderwerpen hangen nauw samen daar de visie op de taak van de {deskundig voorgelichte} ouder(s) in hoge mate bepaalt of een kind dat pleegkind geworden is, de gelegenheid geboden wordt een hechtings- en opvoedingsrelatie aan te gaan en te onderhouden, ofwel met zijn ouders {waartoe deskundige inzet verstrekt dient te worden} ofwel met zijn pleegouders tot in zijn volwassenheid.

 

4.         De betekenis van de hechting

 

Uit de wetenschappelijke literatuur over de ontwikkeling van de hechting komt het volgende naar voren:

 

§          Er is geen twijfel over het feit dat de ontwikkeling van de hechtingscapaciteit plaatsvindt in de eerste vijf levensjaren, waarbij de eerste drie jaren van cruciaal belang zijn. In de periode van 0 t/m 5 jaar zijn de hersenen nog in ontwikkeling en is het kind ook het meest afhankelijk van de zorg van anderen. De aard van de zorg bepaalt {vaak maar niet altijd} de ontwikkeling van de capaciteit tot hechten. De ontwikkeling van de hechtingscapaciteit is biologisch verankerd {het kan dus ook een autonome deviatie zijn, onafhankelijk van de opvoeders}. De aard van de hechting heeft doorslaggevende invloed op de impulsen die de hersenen krijgen. In die periode van 0 t/m 5 jaar zijn de hersenen het meest vormbaar, maar ook misvormbaar.

 

§          Er is geen twijfel over het feit dat een verstoorde ontwikkeling van de hechting negatieve gevolgen heeft voor de ontwikkeling van de capaciteit tot hechten. Dit leidt tot verstoring van de persoonlijkheidsontwikkeling en tot gedragsproblemen die voortduren tot in de volwassenheid, zoals agressiviteit en gebrek aan gewetensvorming. Het leidt ook tot lage schoolprestaties en vroegtijdig school verlaten.

 

§          Gehechtheid van het kind aan een primaire verzorger ontstaat door – bij de baby en peuter vrijwel dagelijkse – interactie tussen het kind en zijn primaire verzorger, waarbij de ouder (of pleegouder) sensitief en responsief ingaat op de signalen van het kind. Het kind bindt zich aan degene die voor hem zorgt, zijn wereld structuur geeft en veilig maakt door begrenzing en zijn behoeften aan aandacht en liefde beantwoordt. Middels een hechtings- en opvoedingsrelatie, waarbinnen het kind liefde en leiding krijgt, kan hij worden opgevoed.

 

§          Een bloedband is geen voorwaarde noch een garantie dat vanuit het kind een hechtings- en opvoedingsrelatie ontstaat.

 

§          Verstoring van de ontwikkeling van de gehechtheidcapaciteit ontstaat o.a. door òf langdurige affectieve en pedagogische verwaarlozing, soms ook gepaard gaande met mishandeling, en/òf door regelmatige wisseling van primaire verzorger, ouder of pleegouder door overplaatsingen van het kind {Uithuisplaatsen is dus het laatste wat men een kind mag aandoen, want de (gezins)voogdij plaatst statistisch erg vaak over}. Van regelmatige wisseling van primaire verzorger is  ook sprake als het kind in een internaat is geplaatst. In alle onderzoeken over pleegkinderen komt dan ook naar voren dat zij veel gedragsproblemen vertonen, mede als gevolg van de vaak vele overplaatsingen.

 

§          Als de hechtingscapaciteit zich rond het zesde jaar heeft ontwikkeld in een emotioneel veilige hechtings- en opvoedingsrelatie - zoals bij heel jonggeplaatste pleegkinderen dikwijls het geval is - is het afbreken daarvan voor het kind een trauma. Dit trauma heeft negatieve gevolgen voor de verdere ontwikkeling van het kind, met name op sociaal en emotioneel gebied. Na de over- of terugplaatsing is het kind niet meer een ‘veilig gehecht kind’, integendeel. Een dergelijk trauma zou men een kind vanuit de hulpverlening niet mogen aandoen. {Bijna nooit is de (gezins)voogdij bereid om gefaseerd het kind terug te plaatsen, en de pleegouders als een ‘tante en oom’ in het leven van het kind te laten; er wordt te snel zònder diagnostisch onderzoek en begeleiding ontheven uit ouderlijk gezag. Dat geeft de ‘perverse prikkel’ van gegarandeerde subsidie tot het kind 18 is geworden – Kinderombudsman, 2013}.

 

§          Onzekerheid over de duur van het verblijf van het kind bij zijn pleegouders belemmert het ontstaan van een hechtings- en opvoedingsrelatie {DEZE STELLING geeft aan hoe ondeskundig kennelijk de pleegzorg en -ouders zijn, want daartoe goed opgeleide, deskùndige pleegouders weten niet in deze belemmering te trappen; immers het uithuisgeplaatste kind dient naar kinderrecht IVRK art. 24 de beste zorg te krijgen, en ‘jeugdzorg’ geeft met deze stelling toe dit niet te doen}. Het kind zou dan moeten leven in een ‘emotioneel vacuüm’ omdat hij niet ervaart wie om hem geeft en op wie hij zich kan verlaten. Een half jaar of langer leven in bestaansonzekerheid belemmert het functioneren van het kind.{Vandaar dat pleegkinderen onder de ondeskundige jeugd- en pleegzorg bovengemiddeld met problemen uit hun kindertijd geraken, vaker een of twee schoolniveaus lager presteerden, last van suïcide hebben, tienerzwangerschappen kennen, vaker in een uitkering geraken, vaker scheiden, etc.}.

 

§          De contacten met de ouder bij langdurige (twee jaar of langer) pleeggezinplaatsingen wekken bestaansangst op bij het kind als deze contacten in het licht staan van een mogelijke terugplaatsing {Deze STELLING geeft aan dat de huidige jeugd- en pleegzorg niet deskundig genoeg is om met juiste contactfrequenties en begeleiding het kind te behoeden voor die angst, de ouders te weinig tijd en voorlichting geeft om zich als ouders te mogen en kunnen gedragen onder geleerde pedagogie; vaak worden ouders en kind verboden om spontaan het over bepaalde onderwerpen te hebben, wat het kind aanvoelt als ‘afgewezen’ worden, waarbij de begeleiding slechts geschiedt door een niet-orthopedagogisch gezinsvoogd. Vandaar dat o.a. Joseph J. Doyle jr. in 2007 vond dat kinderen beter af waren thuis met passende begeleiding dan weggezet in een pleegsetting, dit bij gelijke problematiek}. Deze uithuisplaatsvorm leidt tot ernstige terugval in functioneren, zoals niet meer willen eten, bedplassen, nachtmerries, koorts. {Dit wordt vaak onder (gezins)voogdij gehoord, de ouders toeschrijvend, doch dit is dus niet te verwijten aan de ouders}. Het leidt ook tot negatieve (problematische) reacties van het kind op de pleegouder. Naar het gevoel van het pleegkind doet zijn pleegouder hem dit aan en zegt de pleegouder ‘dat zijn moeder toch lief is en hem graag zelf wil hebben’. Het kind voelt zich dan ook ‘verraden’ door de pleegouder. {Deze beweringen tonen aan hoe slecht gekwalificeerd de huidige (gezins)voogdij werkt en voor laat lichten door deskundigen; het is geen kwestie van ‘hebben’ of ‘lief zijn’; en gefaseerd en deskundig ‘terugplaatsen’ is buiten beeld}. Bovendien voelt het kind zich afgewezen omdat de pleegouders tegen hem zeggen: ‘Het is het beste als je naar je ouder gaat’. Voor het kind wil dat zeggen dat de pleegouder niet meer van hem houdt en hem wegstuurt. {Dat is dus ondeskundig handelen van de pleegzorg in Nederland; dat doet een goede opvoeder niet}. Terugval in functioneren hoeft niet altijd gepaard te gaan met negatief gedrag ten opzichte van de ouder als het kind weinig negatieve ervaringen heeft gehad bij zijn ouder. Het kan wel gepaard gaan met terughoudendheid, negeren of afwijzen van de pogingen van de ouder om contact te maken met het kind. {Schijngedrag en loyaliteitsconflict, oudervervreemding treden op als contra-indicatie op de lage ‘hulp’}.

 

§          In de wetenschappelijke literatuur over de ontwikkeling van de hechting komt het begrip ‘loyaliteit’ niet voor. Dat begrip is hierbij ook niet relevant. {Deze stelling toont de ondeskundigheid aan van de huidige jeugd- en pleegzorg; waar er nu onder uithuisgeplaatst-zijn vier ouders zijn is specialisme in pedagogie hard nodig om loyaliteitsconflicten in het hart van het kind te voorkomen. Er bestaan adoptiewetenschappen}.  Emotionele loyaliteit ontstaat in de interactie tussen het kind en zijn primaire verzorger (pleegouder) door de zorg en aandacht die de primaire verzorger het kind geeft. Emotionele loyaliteit ontstaat pas in een emotionele relatie en is een gevolg daarvan. {Hier wordt axiomaal uitgegaan dat het kind thuis geen gehechtheid kende, en later diens afkomst niet zou willen ‘kennen’, wat 85% onjuist uitgangspunt is. De bloedband blijkt wel belangrijk, evt. in de adolescente ontwikkeling}. Een bloedband is voor emotionele loyaliteit geen voorwaarde noch een garantie.

 

5.         De betekenis van de ouders

 

Ouders blijven de ouders van het kind, ook als het kind tot zijn volwassenheid door pleegouders wordt opgevoed. In de pleegzorg (maar ook bij adoptie) moet de vraag beantwoord worden welke taak de ouder heeft na de uithuisplaatsing (of het ‘afstaan’) van het kind. {Het uithuisplaatsen wordt in Nederland slechts juridisch en op het lage jeugdzorgniveau gewogen en beslist, vaak zònder open onderzoeksvragen en diagnostisch passend onderzoek; de gronden tot het wegplaatsen kunnen speculatief zijn}. Om dat te kunnen bepalen is het nodig de ouder-kind-relatie te differentiëren en na te gaan welke aspecten daarin te onderscheiden zijn.

 

  1. Existentiële relatie. De ouder blijft {tot de ontheffing uit het ouderlijk gezag, want daarna geeft de voogdij nauwelijks informatie en inbreng aan de ouder,} verantwoordelijkheid dragen voor het welzijn van het kind vanwege zijn existentiële verbondenheid met het kind {maar onder toezicht (OTS) van de gezinsvoogdij hebben ze nauwelijks stem c.q. verantwoordelijkheidsinbreng, waarbij droevig is dat de ouders veelal ook niet op hoog of gekwalificeerd niveau voorgelicht en begeleid worden om de relatie met het kind zo nodig te verbeteren}. Voor het kind blijft deze existentiële verbondenheid ook bestaan. Cruciaal is echter op welke wijze deze inhoud wordt gegeven door {de overheersende (gezins)voogdij en} de ouder en met name of dit aspect van de ouder-kind-relatie ook emotionele betekenis voor het kind kan krijgen.
  2. Hechtings- en opvoedingsrelatie. Deze relatie ontstaat {bijna altijd} als de ouder als primaire verzorger de behoeften van het kind aan liefde en leiding en begrenzing adequaat beantwoordt. Hier is duurzaam sensitieve omgang voor nodig. In deze omgang ontstaat emotionele, verworven loyaliteit. {De ‘jeugdzorg’ heeft hiervoor nauwelijks of niet de kennis om dit eventueel de ouders aan te leren; vaak wordt snel naar uithuisplaatsen gegrepen}.
  3. Juridische relatie. Deze ontstaat bij de geboorte van het kind als de ouders getrouwd zijn. Als zij niet getrouwd zijn, krijgt de moeder gezag als zij meerderjarig is en de vader als hij daarom met instemming van de moeder heeft verzocht. {Ook ontstaat deze juridische relatie door adoptie}. De juridische relatie is een functionele relatie en dient om het opvoeden van het kind, waaronder het nemen van besluiten over hem, mogelijk te maken. {Een bedreiging van deze relatie is het ‘ontheffen’ na uithuisplaatsen door de ‘jeugdzorg’}.

 

Als het kind uithuis is geplaatst, blijft de existentiële relatie bestaan {indien de voogdij daaraan meewerkt en het niet onmogelijk maakt}. Er is dan echter geen hechtings- en opvoedingsrelatie meer {maar dan nog wel een later belang van het kind diens afkomstfamilie te ‘kennen’}. Wel kan er nog een emotionele relatie bestaan, waar de kwaliteit afhangt van de manier waarop de ouder is omgegaan {of van de (gezins)voogdij mocht omgaan} met het kind.

 

Als de ouders het kind niet opvoeden, belemmert die gezagsrelatie  het behoud van gezag en het opvoedings- en het ontwikkelingsproces van het (pleeg)kind. Enerzijds kan zijn opvoeder – de pleegouder – geen beslissingen over hem nemen {zonder overleg en informatieverstrekking met de wettelijke ouders, wat door de gezinsvoogdij regelmatig wordt ontmoedigd op straffe van nog een overplaatsing}. Anderzijds kan de ouder cruciale beslissingen nemen over het kind die zijn ontwikkelingsgang kunnen belemmeren {indien de gezinsvoogdij dit liet gebeuren zonder voorlichting op niveau; de ‘jeugdzorg’ heeft onder OTS een dikke vinger in de pap}. Bij langdurige uithuisplaatsingen zal daarom ter wille van het kind gezagsbeëindiging moeten plaatsvinden[1] {axioma is: “ter wille van het kind”,  dat geen jurist is en kennelijk ook niet goed deskundig wordt begeleid in relaties}.

 

6.         Het  Pedagogisch Model,  een nieuwe strategie.

 

6.1 Uitgangspunten

 

In het Pedagogisch Model wordt een strategie gegeven die gebaseerd is op de volgende uitgangpunten.

 

  1. Ieder kind heeft een selectieve hechtings- en opvoedingsrelatie nodig om zich adequaat te kunnen ontwikkelen. Bij het ontbreken van een dergelijke relatie {zo nodig met diagnostisch, passende hulp thuis}, bij een verstoorde hechtings-relatie en bij het afbreken van een selectieve hechtings- en opvoedingsrelatie (tussen kind en pleegouders) ontstaan gedragsproblemen. {In FJR 2012/95 worden ook andere oorzaken van onveilige gehechtheid genoemd (FJR 2012/95), waaronder uithuisgeplaatst-zijn}.
  2. Wil de ontwikkeling van het kind niet (verder) stagneren, dan is nodig het kind binnen een half jaar de mogelijkheid te bieden een hechtings- en opvoedingsrelatie aan te gaan, ofwel met de ouder {dit is bovenmate primair van belang, en dus moet er een specialist diagnosticeren en therapie wijzen} ofwel met een pleegouder.
  3. Deze relatie ontstaat niet als vanzelf. Intensieve omgang is noodzakelijk en de omgang moet begeleid worden omdat de ouder in het verleden te weinig in staat was om adequaat om te gaan met het kind {althans indien de pedagogie te wensen overliet als oorzaak. ‘Intensief’ moge deskundige inzet zijn, en niet de gezinsvoogdij bedoeld worden. Het uithuisplaatsen moet slechts tot een uiterste en diagnostisch gegronde maatregel behoren! Bewezen}.  

 

6.2 Toelichting

 

{Er wordt meteen overgegaan naar “Na uithuisplaatsing”:}

  

Na de uithuisplaatsing is de ouder-kind-relatie ook voor het kind nog reëel {indien de gezinsvoogdij dit toestaat, gegrond op diagnostiek, niet op speculatie waarover veel klachten komen}. Dit betekent dat alle[2] ouders na de uithuisplaatsing direct de gelegenheid geboden moet worden om middels intensieve contacten met hun kind en middels intensieve {specialistische} begeleiding van deze contacten (weer) een hechtings- en opvoedingsrelatie op te bouwen. De opbouw van een dergelijke relatie is niet mogelijk bij contacten van slechts eenmaal per twee of vier weken een paar uur of een dagdeeltje, zeker niet bij een jong kind. Wacht men met intensieve contacten, dan leeft het kind in onzekerheid {en vertwijfeling, het vertrouwen ondermijnend}, maar de ouder eveneens. Dit komt de relatie niet ten goede. Bij het jonge kind kan de ouder dan bovendien snel een ‘niet meer vertrouwde persoon’ worden. Negatieve gevoelens van het kind kunnen niet ‘bijgesteld’ worden door positieve ervaringen. Positieve ervaringen worden niet bevestigd. Daarnaast kan het ontbreken van contact direct na de {als traumatisch ervaren} uithuisplaatsing bij het jonge kind angst oproepen omdat de ouder dikwijls de enige voor hem bekende persoon is. Dit komt zijn functioneren en het vertrouwen in volwassenen niet ten goede. Het {vaak door de gezinsvoogdij gebezigde} lang uitstellen van intensieve contacten tussen ouder en kind werkt niet alleen vervreemding in de hand. Het kan ook bewerkstelligen dat het kind zich wel gaat {schijn}hechten aan zijn pleegouders. Afbreken van die pleeg-relatie geeft het kind een trauma en belemmert in hoge mate dat hij zich zal gaan hechten aan zijn ouder. {Hier is een vertekenende cirkelredenering in het spel; er werd niet ingezet op hoog diagnostisch niveau de ouders te leren}.

 

De begeleiding van de contacten kan gebaseerd worden op een risico-taxatie van de opvoedingssituatie middels het Pedagogisch Signaleringsinstrumentarium[3] {dat dan ook door deskundigen dient te worden afgenomen en diagnostisch gewogen; vaak ontbreekt een EAS-test bij vermeende onveilige gehechtheid (FJR 2012/95)}.

 

Uit onderzoek is gebleken dat door intensieve begeleide contacten na de uithuisplaatsing binnen een half jaar duidelijk kan zijn of de ouder voldoende opvoedingscapaciteiten kan verwerven om het kind zelf weer op te gaan voeden. Dit kan nagegaan worden aan de hand van tevoren opgestelde criteria {niet door de gezinsvoogdij doch door de specialist, maar daar ontbreekt het in Nederland vaak aan.  Een gehechtheidstherapie kan enige jaren duren, dus is dat ‘halve jaar’ een rekbaar begrip [Anniek Thoomes-Vreugdenhil]}.

 

In dat ‘halve jaar’ wordt {middels specialistisch interactie-onderzoek} ook duidelijk op welke wijze het kind op de ouder reageert en of hij diens emotionele toenadering en gezag accepteert. Wordt ook dit in de loop van het ‘halve jaar’ beter  – te zien tijdens gestructureerde observaties – dan kan het kind teruggeplaatst worden met een reële kans op een positieve ontwikkeling mits de ouder thuis nog intensieve ondersteuning krijgt om de nieuw verworven vaardigheden te laten beklijven. {Dit is ook van belang bij omgangssabotage na scheiding; vooral de verzorgende ouder moet geleerd worden ook geen  non-verbale of organisatorische signalen uit te zenden naar het kind over eigen ongenoegens jegens de ex; het kind heeft twee ouders, ook als die in twee huizen wonen, en onbelastende pedagogische houding is na scheiding een specialisme dat geleerd kan worden door deskundigen. Goed is LJN AS6020, waar de saboterende moeder tijdelijk ontheven is uit gezag opdat het kind contact kan hebben met de vader, terwijl het kind in de vertrouwde omgeving kan blijven, zolang althans de moeder zich ‘gedraagt’}.

 

Als een dergelijke vooruitgang in dat ‘halve jaar’ nauwelijks zichtbaar is en/of het kind reageert niet positief of zelfs met angst op zijn ouder, dan is de kans op het ontstaan van een hechtings- en opvoedingsrelatie met de ouder op een later tijdstip een utopie, zeker bij het jonge kind {maar laat dit vaststellen door een open onderzoekend specialist met onder andere video-interactie-begeleiding van bijv. BasicTrust.com; dus niet op beweringen van gezinsvoogden}.

 

Het kind heeft dan alleen een kans op het aangaan van een hechtings- en opvoedingsrelatie met een pleegouder, als het perspectief geboden wordt dat het kind bij hen kan opgroeien {Het jonge kind heeft geen besef van een tijdslijn van decennia, zodat dit een axioma is; ‘perspectief’ is een bewering uit de ‘jeugdzorg’. Het kind is geen jurist}. Uit onderzoek blijkt dat onzekerheid {door de houding en inspanningsverzuim van pleegzorg} in die (pleeg)relatie  gedragsproblemen en problemen in de relatie tussen pleegouder en kind bevorderen.

 

Uit onderzoek blijkt ook dat pleegouders na jaren zorg voor het gedepriveerde kind van hem zijn gaan houden als van een ‘eigen’ kind. Dit is een zegen voor het kind en maakt een positieve ontwikkeling mogelijk. {Bij eventuele gefaseerde terugplaatsing kunnen de pleegouders in het leven blijven als ‘tante en oom’, waar ook gelogeerd kan worden; er is dus meer specialisme nodig}.

 

De taak voor de ouder is in deze situatie zwaar en moeilijk vooral in emotionele zin. De ouder hoeft  het kind niet ‘los te laten’ in emotionele zin, maar wel in praktische zin ten aanzien van zijn dagelijkse opvoeding {waarbij de ouder zeker een gemis zal voelen veel niet mee te maken wat het kind opdoet en beleeft; hetwelk weer een vervreemding en niet-pedagogisch-meegroeien met de leeftijd veroorzaakt, zonder frequente omgang, en dit zal het kind voelen}. Hij kan wel vorm geven aan zijn verantwoordelijkheid voor het welzijn van het kind door het opgroeien in het pleeggezin niet te belemmeren {indien die inzet juist is, maar veel hangt af van de informatie en mee [mogen] groeien, afhankelijk van de (gezins)voogdij}.

 

Als de ouder daartoe in staat is, dan komt dit de ontwikkeling van het kind zeer ten goede. Het kind kan dan ervaren dat hij niet is ‘weggedaan’ omdat hij ‘stout en moeilijk’ was. Het kind kan tegelijkertijd ervaren dat zijn ouder om hem geeft. Dat komt niet alleen het kind ten goede maar ook het welzijn van de ouder. {Dit is volkomen juist! Maar aan vòòrnoemde voorwaarden moet wel zijn voldaan}*.

 

Het vereist zéér deskundige en intensieve {kwalitatieve} begeleiding van de ouders om {zo de uithuisplaatsing na deskundige zorg, begeleiding en voorlichting echt voortgezet moet worden} hun nieuwe taak ten opzichte van het kind vorm te geven.  Deze begeleiding vraagt extra deskundigheid omdat deze ouders {en de pleegouders?} in hun jeugd dikwijls {dit is een jeugdzorg-axioma, een cliché} zelf getraumatiseerd zijn en te weinig liefde en leiding hebben ontvangen van hun ouders {Deze stellingname is bespelen van derden zoals rechters. De (gezins)voogdij wil bestaanszekerheid van inkomen, de “perverse prikkel”,  zoals we ook zien

in https://www.dropbox.com/s/x7pdvwrcc0qcnbk/zz-Rechtsongelijkheid_Inspectie_Jeugdzorg-Gesloten_jeugdhulp.pdf?dl=0 van de Inspectie jeugdzorg:}. Het zou deze ouders en hun kind helpen als hen geleerd kan worden niet ‘op afstand’ te staan, maar ouder te zijn door het bevorderen van  de bestaanszekerheid van het

 

kind bij zijn pleegouders {Ouders mogen niet de (jeugd)zorg van hun kind overeenkomstig BW1:247 bewaken, zo zegt de ‘jeugdzorg’ eigenlijk, en dus niet procederen waar het om de meest optimale hulptraject moet gaan; ouders dienen te berusten? Een juridische gang of klacht door de ouders wijst regelmatig op een niet-deskundige begeleiding naar de ouders!}. Als zij hun kind zien gedijen en daar blij om zijn, zijn zij een heel goede ouder.

 

6.3. Het stappenplan van het Pedagogisch Model

 

Stap 1.            Bij problemen met het kind: intensieve {kwalitatieve} hulp aan het gezin.

 

Als zich langdurig (een halfjaar) problemen voordoen in de ontwikkeling en in het gedrag van het kind, wordt {dan pas?} intensieve opvoedingsondersteuning ingezet van ten minste een aantal uren per week. {Eerder zou men denken aan zo snel mogelijk diagnostiek om een therapeutische weg en/of cursus aan ouders te bepalen, dus vòòr dat ‘halfjaar’. Video-interactie-begeleiding door een orthopedagoog moet verstrekt zijn voor enige dwangzorg}.

 

Het voordeel hiervan is dat niet alleen zicht kan worden verkregen op de aard van de problematiek. Ook kan duidelijk worden of de {begeleide en voorgelichte} ouder in staat is verantwoordelijkheid te dragen voor zichzelf en voor het kind. {Dit ‘begeleiden’ moet te meten zijn door rechters, uit het dossier van die deskundige}.

 

Door de intensieve hulp {liever diagnostische kwalitatieve hulp} kunnen de bestaande problemen mogelijk snel blijken te worden opgelost door concrete aanwijzingen voor de omgang met het kind. Dit voorkomt ‘doorsudderen’ van de problemen, die vooral bij een jong kind ernstige gevolgen kunnen krijgen. De ouder zal een andere manier van omgang met zijn kind moeten leren – het kind kan zichzelf nog niet veranderen. {Zeker bij onveilige gehechtheid wijst FJR2012/95 op passende therapievormen, waar de ouders deze onder begeleiding verstrekken aan en met het kind. Deze ‘zorg’ moet voor rechters te meten zijn uit het dossier van de deskundige. De therapievormen kunnen enige jaren duren. Zo wordt het eigenlijk ook gezegd:} Het is de taak van de ouder het kind op een {deskundig geleerde} andere wijze ‘liefde en leiding’ te geven zodat het kind ander gedrag kan leren. Na een ‘halfjaar’ is het duidelijk of de ouder zich een andere interactie eigen kan maken. Is vooruitgang te merken en verbetert het gedrag van het kind, dan kan de (intensieve/ deskundige) ondersteuning ten minste een halfjaar worden voortgezet. Daarna kan de intensiteit van de hulp afnemen. {Let wel dat de oorzaak van onveilige gehechtheid of een ander gedragsprobleem ook elders kan liggen, al dan niet fysiek, dan bij de ouders}.

 

Stap 2.            Bij onvoldoende verbetering in de ontwikkeling en het gedrag van het kind: tijdelijke uithuisplaatsing .

 

Blijkt na een ‘halfjaar’ intensieve (ortho)pedagogische ondersteuning in de thuissituatie onvoldoende vooruitgang in het gedrag en in de ontwikkeling van het kind en evenmin in de interactie tussen ouder en kind, dan is het voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het kind het beste uit huis en in een pleeggezin geplaatst te worden. {Dit is onzin waar het gaat om onveilige gehechtheid met andere oorzaak dan de ouders; het is een jeugdzorg-axioma}. Ontlast van de dagelijkse zorgen, kan de ouder de relatie met zijn kind op een andere wijze leren opbouwen door middel van intensieve contacten en intensieve begeleiding bij de interactie met het kind.

 

Na de uithuisplaatsing kunnen de ouders hun gezag geen vorm geven bij de dagelijkse omgang met het kind. Als de ouders het gezag volledig behouden, kunnen zij het leven van het kind bepalen, bijvoorbeeld door een bepaalde schoolkeuze te verhinderen {of juist passend aan te wijzen; de ouders kunnen juist handelen!}. Bovendien kunnen zij het kind op ieder moment aan de bemoeienis onttrekken {of juist passender hulptraject wijzen}. BJZ/gezinsvoogdij kan dat niet verhinderen {als er geen schriftelijke aanwijzing zou bestaan in de wet (anno 2015: BW1:263 en verder). Wat wordt hier betracht te insinueren?}.

 

Bij iedere uithuisplaatsing is daarom een OTS nodig. Daarmee kan ook een instantie  verantwoordelijk gesteld worden {indien er valide tuchtrecht zou bestaan voor de instelling en de gezinsvoogd} voor het ontwikkelingsbelang van het kind, namelijk (voorheen) BJZ,  nu Jeugdbescherming of Veilig Thuis.

 

Stap 2 betekent plaatsing van het kind in een Kort Verblijf Gezin {wat betekent dat de ‘jeugdzorg’ de kans open laat op nog meer overplaatsingen die nadelig werken in de psyche van het ontvankelijke kind} voor een vastgestelde termijn. Voor een kind van 0-5 jaar is dat een halfjaar en voor een ouder kind kan dat een jaar worden {Dit is louter nuttig om overbelaste ouders bij onveilige gehechtheid op adem te laten komen, mèt passende deskundige begeleiding en behoud van frequente contacten met het kind; de praktijk van ‘jeugdzorg’ is veelal enige weken geen contact}. In deze periode wordt de ouder intensief begeleid bij frequente contacten met zijn kind. Het is nodig dat de contacten in frequentie en duur toenemen {moeten al goed zijn, maar bij terugplaatsen kan gefaseerde opvoering plaats vinden} om de ouder de gelegenheid te bieden voor het kind te zorgen en duidelijk te maken dat hij niet alleen komt voor ‘een gezellige’ middag. Uit – schriftelijk gemaakte – orthopedagogische observaties van deze contacten {niet door een gezinsvoogd} en de wijze waarop de ouder de adviezen omzet in een andere manier van omgang met het kind, kan vooruitgang worden geconstateerd {Daarom is video-interactie-begeleiding zo goed}. Verbetert de manier van omgang met het kind {volgens de zelf-onderzoekende orthopedagoog-generalist met BIG-registratie}, gaat het kind steeds beter reageren op de ouder en blijft het gedrag van het kind tijdens de bezoeken vooruitgaan, ook als de frequentie van de contacten hoger en de duur van de bezoeken langer worden, kan terugplaatsing plaatsvinden. Daarna volgt stap 3.

 

Er kan echter ook (te) weinig vooruitgang te zien zijn {door de deskundige, niet de gezinsvoogd zelf} in de interactie tussen de ouder en het kind en er kan een verslechtering van de reacties van het kind op de ouder optreden. Als de ouder te weinig ‘leerbaar’ blijkt, is er geen basis voor een terugplaatsing. Dan volgt stap 4.

 

Stap 3.            Bij terugplaatsing: intensieve ondersteuning.

 

Na de terugplaatsing heeft de ouder ondersteuning nodig {van die deskundige} om zich de nieuw verworven vaardigheden eigen te maken en ook te kunnen toepassen bij veranderend gedrag van het kind als hij ouder wordt. Bij jonge kinderen kan die verandering snel optreden. Blijft vooruitgang te zien, dan kan het kind thuisblijven.

 

Blijkt de ouder het – na een ‘halfjaar’ na de thuisplaatsing van het kind – toch niet aan te kunnen en/of verbetert de relatie tussen ouder en kind te weinig om te kunnen spreken van een hechtings- en opvoedingsrelatie en/of stagneert de ontwikkeling van het kind, dan is de thuisplaatsing niet meer in het ontwikkelingsbelang van het kind. In dat geval wordt het besluit genomen het kind definitief in een pleeggezin te plaatsen en volgt stap 4.

 

Stap 4.            Bij plaatsing in een permanent pleeggezin: bevestigen van de opvoedingssituatie.

 

Voor de ontwikkeling van het kind is het nodig te bevorderen dat hij de gelegenheid krijgt om een nieuwe hechtings- en opvoedingsrelatie aan te gaan in een pleeggezin {onder deskundige begeleiding van een hechtingstherapeut} waar hij in principe tot zijn volwassenwording kan blijven wonen. Als het Kort Verblijf Gezin waar het kind tijdens stap 2 verbleef hem blijvend wil opvoeden, is dat de beste optie. Het kind heeft dan  meestal al een jaar of langer in een ongunstige en onzekere opvoedingssituatie geleefd: eerst thuis en daarna een half jaar in een Kort Verblijf Pleeggezin {Dit duidt op ondeskundigheid van ‘jeugdzorg’ en pleegzorg. Het pleegkind hoeft die onzekerheid niet te voelen; het is geen jurist die weet heeft van de juridische vorm waarin het leeft}.  

 

Bij een Permanent Pleeggezin ligt het primaat voor de verzorging en opvoeding bij de pleegouders. De pleegouders kunnen zich gaan instellen op een duurzaam verblijf van het kind. Dit heeft een gunstige uitwerking op hun houding ten aanzien van het kind {Dat zou niet mogen, dan pas; dat duidt op ondeskundigheid}. Het kan een grotere gerichtheid op zijn behoeften aan emotionele veiligheid bewerkstelligen. Ook het kind {als het ouder is} heeft de zekerheid van een definitief verblijf nodig om zich te kunnen en durven richten op het aangaan van een nieuwe hechtings- en opvoedingsrelatie met de pleegouders.

 

Contact met de ouders kan bijdragen aan het welzijn van het kind als het contact plezierig verloopt en het kind geen stress of angst geeft. Begeleiding {door een deskundig orthopedagoog, waarbij een voogd evt. kan coördineren}  is hierbij vrijwel altijd nodig.

 

Met het Pedagogisch Model heeft de ouder vier kansen om zijn kind op te voeden, namelijk:

§-          bij zijn geboorte; en als zich {èrnstige} problemen voordoen:  {"ernstig" eist de wet! Moet deskundig

   uit te leggen zijn; dit wordt vaak nagelaten ter zitting.}

§-          een ‘halfjaar’ opvoeden met hulp en intensieve kwalitatieve, deskundige opvoedings­ondersteuning;

§-           een ‘halfjaar’ uithuisplaatsing met intensieve kwalitatieve, deskundige begeleiding bij de

   oudercontacten, en

§ -         een terugplaatsing met een halfjaar intensieve kwalitatieve, deskundige opvoedings­ondersteuning.

 

Het kind dat problemen geeft die de ouder niet zelf {met echte hulpverlening} kan oplossen, leeft als gevolg van deze vier kansen al minimaal 1½ jaar in een ongunstige en onduidelijke opvoedingssituatie. Het is aan de jeugd- en pleegzorg {of liever aan een deskundig specialist?!} om de termijn hiervoor door middel van ‘concurrency planning’ en het beschikbaar maken van 1½ jaar intensieve kwalitatieve, deskundige hulp aan de ouders deze periode niet nog langer te laten duren. {Eigenlijk leidt deze bewering tot de noodzaak open te diagnosticeren, wat in de praktijk onder ‘jeugdzorg’ dubieus is. Gehechtheidstherapieën kunnen langer dan twee jaren duren om effectief te zijn, terwijl het niet verstrekken kan leiden tot ernstige gedragsproblemen}.

 

 

{Nawoord:

 

[Onderaan een brief van arts N. Mul aan mw. Weterings!]

 

Helaas moest veel (in blauw) ingevoegd worden om duidelijk te maken dat met het weglaten er niet genuanceerd werd, en te veel op een axioma gewerkt werd alsof alle ouders onder toezicht van ‘jeugdzorg’ (OTS) slechte, moeilijk-leerbare ouders zouden zijn.  

 

Deze ‘wetenschap’ uit de Universiteit van Leiden vergat te implementeren naar de praktijk van ‘jeugdzorg’, die bekritiseerd wordt, onder vuur ligt, ook door wetenschappers.

 

Waar het Burgerlijk Wetboek 1:262 (voorheen 1:257; http://peterprinsen.nl/HERZIENINGOTS-2011.htm ) onder meer zegt: “De inspanningen van de stichting zijn erop gericht de ouders of de ouder zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen te laten dragen. … De stichting bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige”, wordt dit te regelmatig niet gepraktiseerd door de (gezins)voogdij. Vaak wordt naar de rechter beweert dat de ouders niet leerbaar zouden zijn of te verwachten is dat de ouders de hulp niet weten te verwezenlijken naar BW1:255, lid 1: “De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een stichting indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en  b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.”   -   Dit opent voor de (gezins)voogdij om zelf met een bewering of stelling te komen – zonder open diagnostiek, waar de specialist het cliëntsysteem zelf heeft onderzocht volgens diens beroepsethiek (BIG) – dat van de ouders niets te verwachten is.

 

Raadsheer Van Teeffelen schreef over knelpunten in maandblad FJR 2010/92: Voor cliënten lijkt het in een aantal situaties dan ook een gevecht tegen windmolens in plaats van dat de hulp wordt verleend, waar het allemaal om begonnen is.

Het derde knelpunt heeft betrekking op de verantwoordingsplicht van Bureau Jeugdzorg {tegenwoordig de gezinsvoogdij}. Het bureau heeft er jegens het hof nogal eens zichtbaar moeite mee zich te verantwoorden. Dat kan gemakkelijk leiden tot irritaties over en weer. Voor het hof is het de kunst om hoffelijk te blijven, ook al heb je soms grote problemen met de wijze waarop door het bureau in het verleden is gewerkt. Doordat er soms in een jaar weinig structureel aan een bepaalde zaak is gewerkt, ontstaat in het vraaggesprek nogal eens een pijnlijke situatie. Het bureau wil dan nogal eens een houding aannemen van: ‘wij weten het beter en u begrijpt niets van ons vak.’...

[Bij de gezinsvoogdij] is er weinig animo tot terugplaatsing. Uiteraard krijgen we als hof regelmatig die situatie ter beoordeling en een fatsoenlijk antwoord op onze vraag naar de inspanningen die worden gedaan om het kind terug te plaatsen bij de ouders krijgen we lang niet altijd. Ouders stellen de vraag wat zij moeten doen om de kinderen weer terug thuis te krijgen en krijgen daarop geen antwoord of worden min of meer met een kluitje in het riet gestuurd. … Onwillekeurig rijst dan de vraag nogal eens: ‘is het bureau er voor de cliënten of zijn de cliënten er voor het bureau?’

 

Ook stelden ombudsmannen (Van Zanten & Brenninkmeijer en Dullaert) vast dat er knelpunten werden waargenomen ten aanzien van de ‘diagnostische’ waarheidsvinding onder de 'jeugdzorg'.

 

Waar het kind volgens onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek het toch bij dezelfde problematiek beter doet thuis met hulpverlening dan weggezet in een pleegsetting, en er een roep is om ‘zwaargewichten’, diagnosticerende specialisten, voor de ingang tot dwangzorg te zetten, en daarom adviseren om gespecialiseerde doelgroepingangen te creëren, is het de vraag of de ‘jeugdzorg’ met gezinsvoogdij wel het meest optimale traject is voor het kind, naar het kinderrecht IVRK artikel 24, dat stelt dat het kind recht heeft op de hoogst mogelijke mate van gezondheid en daarbij passende gezondheidszorg, dus ook geestelijke gezondheidszorg, orthopedagogisch en ontwikkelingspsychologisch.

 

Dit dient uiteraard geïmplementeerd te zijn in de normale praktijk van ouderschap, waar niet alles optimaal kan zijn.

 

Ouders derhalve zien als ‘slecht’, niet leerbaar, en zo kinderen tot werkobject nemen, is geen goede zaak vanuit de belevenis van het kind.

 

Voor rechters zonder medisch-academische opleiding is van belang dat dezen met dergelijke pseudowetenschappelijke stukken binnen een verkeerd cliché gaan beslissen. Dat is beslissen op geloof.

 

Tjeenk Willink, 2015: “Allereerst moet bij rechters het besef verder doordringen dat het inhoudelijke tegenwicht tegen de verbestuurlijking van hènzelf moet komen.…”

 

Het artikel op Brief Inspectie (ten behoeve van rechters en advocaten) geeft meetpunten en aandachtspunten aan rechters, die voorkomen dat het met 72% van de onder-toezicht-gestelde kinderen na twee jaren OTS niet tot verbetering leidt, zoals vastgesteld door prof. N.W. Slot (Wetenschappelijk onderzoek 28% maar goed).

 

Ik spreek de hoop uit dat er inzicht komt hoe er gelobbyd en beïnvloed wordt vanuit de discipline ‘jeugdzorg’. 

 

Er bestaat hoogwaardiger jeugd-gezondheidszorg, dat met hogere opleidingen en meer waarborgen omkleed is.

 

En waar voogdij noodzakelijk is na degelijk onderzoek (m.b.t. Open onderzoeksvragen onder voorwaarden)  moet zowel de pleegsetting als het pleegkind als de ouders deskundiger begeleid worden, met specialisten en controle-diagnostiek. Gefaseerde ‘terugplaatsing’ moet wel tot de mogelijkheden gaan behoren in de praktijk, wijl het kind eens adolescent wordt en het ‘kennen’ van eigen afkomstfamilie van belang zal gevoelen.

 

Daarover kunnen we veel leren uit de adoptiewetenschap.

 

 Tj.W. Strubbe      (FJR2012/95)

 AZF

 ---------------------

[1] In de voorstellen voor de herziening van de kinderbeschermingswetgeving {voor 2015} in het kader van het project Beter Beschermd van het Ministerie van Justitie, wordt een dergelijk beleid ook gepropageerd.

[2] tenzij sprake is van langdurige psychische problematiek of langdurige drugs- en alcoholverslaving, of sabotage  c.q. ondeskundige beslissingen door ‘jeugdzorg’, ‘Jeugdbescherming of Veilig Thuis’.

[3] Het PSI (Weterings & Van den Bergh, 2006) bestaat uit een 12-tal mondeling af te nemen vragenlijsten aan (pleeg)ouders en het kind. De verkregen informatie wordt beoordeeld aan de hand criteria gebaseerd op de gang van zaken in ‘normale’ gezinnen. {Weterings is geen gehechtheidspecialist/arts}.

-----------------------------------------------------

 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

PS:

  • De tekst in het grijs is de oorspronkelijke tekst, en kent als logo zowel de Universiteit Leiden als (stichting) Kind in de Pleegzorg. Het lijkt wetenschap, maar gaat uit van axioma's en vergeet of negeert andere variabelen.
  • Een kind onder OTS is vaak niet onveilig gehecht bij aanvang van uithuisplaatsing.

PPS:

Niet alleen rechters zijn met deze pseudowetenschap of flodderwetenschap op het verkeerde been gezet, zeker na vele van dergelijke publicaties, maar ook politici.

Die staan bovenaan de keten van beleidsmakers....

En eveneens de SPH-'studenten' en jeugdzorgwerkers-in-opleiding,  jeugdbeschermers, gezinscoaches en gezinsvoogden.

Een echte medische studie (na het basisdiploma arts, beëdigd en BIG-geregistreerd) voor jeugdbeschermer/gezinsvoogd ontbreekt helaas voor vele kinderen die op onjuist ondeskundig jeugdzorg-onderzoek onder dwangzorg in feite geschaad worden.

'Jeugdbeschermingsonderzoek' is niet medisch en niet wetenschappelijk naar echte waarheid en behoefte van de ontwikkelende opgroeiende. Deskundigen zien het cliëntsysteem niet zelf tot onderzoek.

 

Dat uithuisplaatsen ook biochemisch risicovol is blijke uit andere onderzoeken waar hier wat gegevens over verzameld zijn:  https://issuu.com/tjwstrubbe/docs/gehechtheid__diagnostiek_en_jeugdzo en Cortisol te hoog bij pleegplaatsing.

Zo heeft ook prof. Carlo Schuengel gewezen op de contra-productiviteit van dwangzorg: https://prezi.com/x_ejjwaojdri/bjaa-academie-jeugdzorg-zonder-dwang-zonder-pics/?utm_campaign=share&utm_medium=copy : o.a.:

"Macht zonder liefde is roekeloos en vatbaar voor misbruik, en liefde zonder macht is weekhartig en geestarm. Macht op zijn best is de liefde het uitvoeren van de behoefte van gerechtigheid, en rechtvaardigheid op zijn best is macht verbeteren over alles wat zich keert tegen de liefde. "  - Martin Luther King.

 

Prof. Carlo Schuengel: "Wanneer u het kind een warm hart toedraagt, koester dan de ouders."

Thuis de juiste steun en kennis láten geven door een specialist/therapeut blijkt nu eenmaal beter voor de opgroeiende.

 

PPPS:

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

BRIEF:
Drs. N.J.M.Mul, arts
. . . . . . . . (adres verlopen) . . . . . . . .
Open brief AAN:
De weledelzeergeleerde vrouwe dr. A.M. Weterings
Roermond, 23-4-2009


Geachte mevrouw Weterings,
Morgen zal u spreken bij de Erasmus Universiteit over de pedagogische criteria bij
uithuisplaatsingen / pleegzorg.
Gezien het feit dat ik, Nico Mul, mij al een jaar of 14 bezig houd met alles wat BJZ {heden de G.I.} / Kinderbescherming aangaat, zal ik trachten morgen ook in Rotterdam aanwezig te zijn. Op voorhand heb ik één en ander geGoogled, en ben van de ene verbazing in de andere gevallen over u en uw geschriften.
Ik heb uiteraard niet al uw werk kunnen doornemen, maar kwam desalniettemin zaken tegen die naar mijn mening op zijn zachts gezegd merkwaardig zijn dan wel geheel tegen mijn discipline, de medische wetenschap, in gaan.
Ik geef een citaat van u uit 1998:
Weterings, Bloemberg, Pruijs en Pool (1998) zeggen hierover het volgende: “Een pleegkind verkeert in een moeilijke situatie, omdat de meeste pleegkinderen lange tijd in een pedagogisch onrustige situatie hebben verkeerd {axioma}. Het kind komt met een aantal tekorten in het pleeggezin {axioma}. Het gedragspatroon van het kind is daardoor inadequaat geworden {axioma}, wat zich kan uiten in claimend, dwingend en/of slecht gereguleerd gedrag”.
Vervolgens zegt u in een artikel bij het congres ‘Perspectief in pleegzorg’ uit 2006,
a. Twee criteria voor over- of terugplaatsing:
Om te voorkomen dat een kind moet worden overgeplaatst om organisatorische redenen, vanwege criteria gerelateerd aan verschillende vormen van pleegzorg, zullen slechts twee criteria voor overplaatsing worden gehanteerd, namelijk:
–- het pleeggezin blijkt niet geschikt om dit kind op te voeden,
–- en/of de pleegouders willen het kind niet langer houden.
Dit leidt tot twee vormen van pleeggezinnen:
- Kort-Verblijf-Pleeggezin, waar het verblijf van het kind na de uithuisplaatsing beperkt is (van een (half) jaar tot maximaal 1½ jaar) gedurende de fase dat onderzocht wordt of het kind bij de ouders geplaatst kan worden. Dit zijn Stappen 2 en 3 van het Pedagogisch Model, {Een pleeggezin met een ‘false-adoption’-wens waar het kind niet bevalt}, en
- Permanent-Pleeggezin, waar het kind in principe kan blijven tot zijn
volwassenheid. Bij voorkeur is dit het pleeggezin waar het kind na zijn
uithuisplaatsing reeds verbleef. Dit is Stap 4 van het Pedagogisch Model.
Daarnaast kan een categorie pleeggezinnen gehandhaafd blijven voor crisis- en
noodopvang, die echter zo kort mogelijk moet duren. Bij voorkeur wordt een kind na de
uithuisplaatsing in een Kort-Verblijf-Pleeggezin geplaatst indien de mogelijkheid van
terugplaatsing nog aanwezig is {en er ook gewetensvol naar toe gewerkt wordt onder
deskundigheid.}.
b. Geen verplaatsing van het kind bij langdurige pleeggezinplaatsingen:
Als het kind jarenlang, en met name sinds zijn eerste levensjaar, in een pleeggezin
woont en daar gedijt, mag hij niet meer over- of teruggeplaatst worden, tenzij op
uitdrukkelijk verzoek van het kind of zijn pleegouders zelf.
Mijn verbazing is grenzeloos…
- U gaat er kennelijk van uit dat BJZ {=heden de G.I., de gezinsvoogdij, SAVE,
jeugdbescherming} terdege [diagnostisch] onderzocht heeft dat een kind écht niet
meer bij de ouders blijven kan.   De praktijk is geheel anders: kinderen worden uit
huis geplaatst op grond van geruchten, insinuaties of anonieme tips en dan gaat BJZ
‘onderzoeken’ en de UHP goed praten.  Dit onderzoek gebeurt vaak geheel niet.  BJZ
Brabant schrijft bijvoorbeeld bij zijn indicatiebesluiten: ‘er zijn geen
onderzoeksgegevens bekend…, er is geen onderzoek verricht…, dus vervalt het recht
op second opinion’.   Zo’n ‘indicatie’ moet wel dienen voor één vol jaar UHP!  Dat
betekent dus, naar uw opvattingen, dat een kind dan nooit meer naar de ouders terug
kan! {Bedenk de schade door UHP aan het ontvankelijke kind in vreemde setting: https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wertenschap-kindoudercontact-
schaden-is-schadelijk/  of  https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/meer-doylewetenschap/. }
- Is het u bekend dat BJZ juist {al te vaak op aannames, clichés, met negatie van kinderrecht IVRK art. 24 lid 1} géén onderzoek doet naar het terugplaatsen bij ouders. Zelfs het wettelijke criterium dat een UHP alleen mag ‘als de noodzakelijke zorg in de thuissituatie niet mogelijk is’ {BW1:255 en BW1:265a en verder; https://jeugdbescherming.jimdo.com/wetten-en-regelgeving/bw-awbrv-regels/} wordt aan voorbij gegaan:  zowel door BJZ (er wordt gewoon gesteld dat UHP de enige oplossing is), als door niet-orthopedagogisch opgeleide rechters.
- U gaat er kennelijk van uit dat BJZ/G.I. ook goed nagaat hoe het gaat met een kind in een pleeggezin.  De praktijk:  Alles wat een pleeggezin doet is goed en fantastisch, en
gaat het niet goed, dan komt dit {zo heet dat in de praktijk} 'alleen en uitsluitend
doordat' de echte liefhebbende ouders ‘te veel’ contact hebben met hun kind. Zo wordt
het contact met echte ouders vaak verminderd tot 1 uur per 3 maanden en soms nog de
helft daarvan! {Onder meer}.
- Ook uw publicatie over ‘Het trauma van de vroege verwaarlozing’ lijkt er voor mij op
dat u er vanuit gaat dat BJZ gecònstateerd hèèft na gedegen [diagnostisch, integraal]
onderzoek van [slechts] een ‘gedragswetenschapper’ {dat is veelal geen BIG-geregistreerd orthopedagoog-generalist met open onderzoeksvragen}, dat alle Uithuisgeplaatste kinderen “ernstig verwaarloosd” zijn!  Heeft u de onderzoeken waaruit juist blijkt dat een kind beter bij ‘zwakke ouders’ kan blijven dan in welk pleeggezin of instelling dan ook nooit kennis van genomen?
{vergelijk: https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wat-wetenschap-uhp-missen-van-ouders/, maar ook Gresser of Doyle}.
- Het feit dat u er vanuit gaat, dat een pleeggezin een kind maar moet kunnen wegdoen
alsof je een hond wegdoet, acht ik gewoonweg mensonterend! {Overplaatsingen van
pleegsetting op pleegsetting komt vaak voor en blijkt zeer schadelijk. F.Juffer, 2010}.
- U gaat er kennelijk van uit dat er géén hechting bestaat met echte ouders en zeker niet
als een kind direct na geboorte wordt weggerukt bij de echte ouders. Medische
wetenschap en de praktijk op de lange duur bewijst het tegendeel: juist het ‘Basic
Trust’-gevoel dat een kind beleeft bij echte ouders, ontkent u! {De prenatale hechting wordt dus door Weterings ontkent. En het latere identiteitsgevoel ontwikkelen, waarbij de opgroeiende ontdekt dat de dossiers insinuatief zijn, eveneens. - Vreemd is dat Weterings negeert dat deze gezinnen vòòraf niet de juiste voorlichting en stimulans van een èchte deskundige hebben verkregen, terwijl de klachten jegens degoutante bejegening door de gezinsvoogdij zich opstapelen.}.
- Kennelijk kent u de praktijk van BJZ/G.I. niet aangaande de doorstroom van ‘crisisplaatsing’ en ‘perspectief-zoekende plaatsing’ en ‘perspectief biedende pleeggezin’ naar 'perspectiefbiedend pleeggezin', enz..
Weet u niet wat dit gesol met kinderen hen doet? {Perspectief... van subsidie voor de
G.I./BJZ tot 18e levensjaar! Geen perspectief op identiteitsgevoel ondersteuning in
adolescentie en later. Wetenschap wordt genegeerd!}
- U gaat volledig voorbij aan het splijten van gezinnen, liefst over zo groot mogelijke
afstanden.
- Ook "het syndroom van de verstoorde symbiose" zoals onderzocht en
beschreven door dr. Jo Stades-Veth, kent u kennelijk niet: juist het feit dat een ouder
tijdelijk weg is, traumatiseert een kind! {https://jeugdbescherming.jimdo.com/tips-enandere-brieven/cortisol-in-pleegzorg-te-hoog/}.
- Kan u uitleggen waarom er kinderen zijn die 1 uur per 3 maanden hun ouders mogen
zien, en er kinderen zijn die altijd [thuis] hun ouders mogen zien? {Kinderen moeten bij zo'n laag bezoeksfrequentie eerst een uur wennen, en dan worden ze 'beloond' met afscheid nemen aan hun eigen ouders, waarbij opborrelende hoop om terug te mogen de bodem wordt ingeslagen.... En dan doet de gezinsvoogd heel 'professioneel' verslag naar de rechter dat het kind over stuur was en het beter is dat er geen contact meer is. En geen rechter die deze onwetenschappelijke suggestie van de gezinsvoogd doorziet als schadelijke bewering!}.
- WAAROM gaat u voorbij aan alle medische wetenschap aangaande de schadelijkheid
van het gemis van echte, liefhebbende ouders, {die wel degelijk leerzaam kunnen zijn
onder echte deskundige begeleiding of voorlichting}?? Ik noem dan John Bowlby en
zijn ‘Child Psychiatry’ uit 1948;  Prof. Gardner met PAS uit 1991 (en zijn eerdere
publicaties; dewelke anno 2016 ‘CAPRD’ heet en opgenomen is in het medisch
handboek DSM-5) en het meest recente proefschrift van dr. Goudard, 22-10-2008
(Univ. van Lyon) dat spreekt over het toebrengen van een ‘ernstige chronische ziekte’
door kinderen van ouders te vervreemden??
{CAPRD staat vermeld op https://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/misleidendegezinsvoogden/ meer naar onder}.
- Mij valt op dat u juist veel naar uw eigen werk verwijst bij uw publicaties.
{vergelijk het gevolg in wetenschap: https://jeugdbescherming.jimdo.com/tips-en-anderebrieven/weterings-misleiding/}.
Ik realiseer mij dat ik u overval met enige kritische vragen en opmerkingen. Toch leek mij het beter dit al vast van te voren te doen dan na uw lezing.
In de zaal zitten zeer waarschijnlijk vele ouders die dezelfde vragen zullen hebben en op een uitleg wachten!
Als bijlage van dit bericht stuur ik u enige zaken mee met betrekking tot het handelen van BJZ/G.I. + het Franse proefschrift door Goudard waarnaar ik verwees.
Met vriendelijke en hoogachtende groet,
drs. N.J.M.Mul, arts
(voorheen hulpverlener aan ouders in zake BJZ-kinderbescherming)


https://www.youtube.com/watch?v=ymwV2AqLBBE !

Meer doorprikkingen op deze link. Een samenvatting hoe ouders door 'jeugdzorg' welhaast standaard gezien worden als slechte opvoeders, zonder diagnostieke nulmeting. Dit moge voor rechters een verontrustend aandachtspunt worden.