Mary Dozier   -   University of Delaware   -  uit: “Omgaan met verbroken gehechtheidsrelaties”  

-   2002 Vrije Universiteit Amsterdam    -    SWP: ‘ Gehechtheid en kinderbescherming’    -    ISBN 90 6665 486 4;  NUR 847; 

onder redactie van C. Schuengel, W. Slot en R. Bullens

 

Stress-regulatie bij pleegkinderen blijkt

 

veel te lang te hoog;

 

is pleegzorg schadelijk voor het pleegkind?

 

 

Deel uit wetenschappelijke verhandeling met het hormoon Cortisol bij pleegkinderen, door Mary Dozier, 2002:

 

 

Stress-regulatie bij pleegkinderen

 

 

Dat pleegkinderen binnen 'afzienbare tijd' een 'gehechtheidsrelatie' vormen met hun pleegouders is goed nieuws... {Dit kan schijngedrag zijn, dat niet werd onderkend door het lage niveau van pleeg- en gezinsvoogdij-zorg! Het kan ook beweerd zijn door pseudowetenschappelijk jeugdzorg-onderzoek zonder open mind voor de gronden voor uithuisplaatsing. Weterings heeft het ergens anders over 5 jaren tot het wennen aan de pleegsituatie}.  De meeste pleegkinderen vormen zelfs een veilige gehechtheidsrelatie {gemiddeld 'maar' 35% gedesorganiseerd onveilig gehecht in pleeggezin en 75% in pleeginstelling tegenover slechts 15% bij ouders thuis, met diverse oorzaken, zoals autonome onveilige gehechtheid}. 

Onveilige gehechtheidsrelaties lijken verband te houden met onveilige gehechtheidsrepresentaties bij de ouders.  Betekent een 'veilige gehechtheidsrelatie' met een pleegouder nu dat deze kinderen geen risico meer lopen in hun psychosociale ontwikkeling?  Op dit punt is de nodige scepsis op zijn plaats. 

Volgens Alicia Lieberman kunnen ze natuurlijk wel gehechtheidsgedrag organiseren rondom een nieuwe opvoeder, maar blijven ze gedisreguleerd (Lieberman. persoonlijke communicatie). 

 

Disregulatie van hormonale fysiologie in pleegsettingen:

Disregulatie kan op verschillende niveaus aanwezig en zichtbaar zijn. 

Op gedragsniveau is disregulatie zichtbaar, bijvoorbeeld als gedesorganiseerd gehechtheidsgedrag tijdens hereniging met de gehechtheidsfiguur. 

Op emotioneel niveau kan er sprake zijn van disregulatie als het kind bijvoorbeeld overspoeld wordt met emoties. 

Op fysiologisch niveau tenslotte is disregulatie zichtbaar bijvoorbeeld in de vorm van neuro-endocriene disregulatie: een verstoorde huishouding van neurotransmitters en stresshormonen.  Hoewel deze niveaus van functioneren onderling samenhangen, hoeft disregulatie op fysiologisch niveau niet altijd naar de oppervlakte te komen in de vorm van gedrag. 

De expressie van disregulatie op het niveau van emoties en gedrag is mede afhankelijk van de externe omstandigheden.  Bovendien kan de expressie van disregulatie op gedragsmatig niveau en emotioneel niveau zodanig subtiel en verspreid over verschillende momenten zijn, dat deze disregulatie moeilijk objectief vaststelbaar is. 

Dat betekent echter dat er wel sprake kan zijn van onderliggende disregulatie op fysiologisch niveau.  Baby-aapjes die van hun moeder werden gescheiden, maar hun moeder wel konden zien, schreeuwden en vertoonden verhoogde neuro-endocriene activiteit.  Gescheiden aapjes die hun moeder niet konden zien, schreeuwden steeds minder, maar de neuro-endocriene activiteit bleef toenemen (Levine, 1983).  Met name op het terrein van het functioneren van de HPA-as (het complexe samenspel tussen hypothalamus, hypofyse en bijnierschors) wordt momenteel vooruitgang geboekt in het begrijpen van disregulatie op deze diverse niveaus.

 

De hypothalamus reageert op stress door neurale en endocriene berichten door te sturen naar de pituitaire klier.  De pituitaire klier stuurt een endocrien bericht naar de bijnierschors.  De bijnierschors produceert cortisol, dat terechtkomt in speeksel.  Het HPA systeem heeft twee primaire functies.  De eerste functie is het regelen van de reactie van het lichaam op stress. 

Bij stress neemt de concentratie van cortisol in het speeksel toe, daarna af. 

De tweede functie is het regelen van het slaap-waak-ritme.  Tijdens de waaktijd neemt de concentratie van cortisol in het speeksel af.  Vlak voor het wakker worden neemt de concentratie weer toe.  De werking van beide functies kan beïnvloed worden door de mate en het patroon van blootstelling aan stressoren.

 

Studie 3: Cortisolstudie

Bij veertig pleegkinderen, geplaatst op uiteenlopende leeftijden, stelden we de slaap-waak-patronen in de aanmaak en afbraak van cortisol vast.  Hiertoe verzamelden pleegouders drie maal speeksel bij hun pleegkinderen: bij ontwaken, omstreeks 14:00 uur, en voor bedtijd.  Hun patronen werden vergeleken met een representatieve controlegroep.  We maakten onderscheid tussen vier patronen:

 

Normaal:             ‘s ochtend boven 0,3; ‘s middags boven 0,2; afname van ochtend naar middag naar avond.

 

Laag:             ‘s ochtend onder 0,3, en/of 's middags onder 0,2.

 

Hoog:             minstens 3 standaarddeviaties boven gemiddeld.

 

Onregelmatig:       geen afname van ochtend naar middag, en of van middag naar avond.

 

De veertig pleegkinderen waren geplaatst in het huidige pleeggezin tussen geboorte en 37 maanden (gemiddelde leeftijd bij plaatsing 12,9 maanden).  De kinderen hadden tussen de 1 en 5 plaatsingen meegemaakt (gemiddeld 1,3).  De leeftijd tijdens de metingen lag tussen de 11 en 48 maanden gemiddeld 22 maanden).  De controlekinderen hadden nooit een uithuisplaatsing meegemaakt.  Hun leeftijden waren gelijk aan de leeftijden van de pleegkinderen.  In Figuur 1 zijn de verschillen in patronen tussen pleegkinderen en controlekinderen weergegeven.  Hierin is te zien dat er inderdaad sprake is van afwijkende regulatie op fysiologisch niveau van pleegkinderen.

 

 

Interventie

 

 

 

De conclusie op basis van de drie studies is dat kinderen inderdaad hun gehechtheidsgedrag kunnen organiseren rondom de beschikbaarheid van een nieuwe opvoeder. 

Dat neemt echter niet weg dat verbrekingen van relaties en/of vroege inadequate opvoeding, hinderlijk kunnen zijn voor het vermogen gevoelens, gedachten, gedrag en fysiologie te reguleren, zelfs jaren nadat de verbrekingen hebben plaatsgevonden.  Dit leidde ertoe ook het ontwikkelen van het vermogen tot regulatie op te nemen als aandachtspunt voor interventie bij pleeggezinnen.  Met name de opvoeders kunnen kinderen helpen zelfregulerende vermogens te ontwikkelen.

 

Het onderzoek naar gehechtheid en disregulatie bij pleegkinderen heeft verschillende bevindingen opgeleverd die van belang zijn bij interventies die erop gericht zijn om de vorming van een gehechtheidsrelatie tussen pleegkinderen en pleegouders optimaal te laten verlopen. 

De bevindingen en hun vertaling in aandachtspunten voor dergelijke interventies worden hier nog eens samengevat:

 

1 .   Baby's en jonge kinderen die verbrekingen in verzorging meemaken, kunnen dingen doen om hun nieuwe opvoeders weg te houden.  Aandachtspunt: herinterpreteren door opvoeder van de gedragssignalen van het kind;

 

2.    Baby's en jonge kinderen die verbrekingen in verzorging meemaken, lopen bij uitstek kans op een problematische ontwikkeling als ze geen koesterende opvoeders hebben.  Aandachtspunt: opvoeder geeft koesterende zorg;

 

3.    Zelfs als een vertrouwde relatie ontstaat, lopen deze kinderen risico op gedragsmatige en fysiologische disregulatie.  Aandachtspunt: ontwikkel zelfregulatie;

{Pleegzorg moet wegens de contra-indicaties wel slechts geschieden op degelijk diagnostisch gemeten uiterste noodzaak, dus niet op beweringen en meningen van jeugdzorgwerkers, ook al kennen ze tegenwoordig een SKJ-registratie; het blíjven laag-opgeleiden zonder medische beroepsregistratie (medische en orthopedagogische specialisten hebben wel een BIG-registratie en zijn geschikter voor de weging voor een meest optimaal behandeltraject)}.

 

Uitgaande van deze aandachtspunten hebben we een interventieprogramma ontwikkeld voor pleeggezinnen in de staat Delaware, het Attachment and Biobehavioral Catch-up programma (Vertaling: Gehechtheid en biologisch-gedragsmatige inhaalslag; ABC-programma).  Het programma wordt op individuele basis aangeboden aan pleeggezinnen, en bestaat uit tien sessies.  Een centraal onderdeel van de methode is het gebruik van video-opnamen van interacties tussen pleegmoeder en kind.  Het doel is om in de feedback de sterke punten en de verbeterpunten te benadrukken.

 

De evaluatie van het interventieproject is momenteel onderweg.  De resultaten van de proefstudie geven aan dat er korte-termijneffecten zijn op gehechtheidsgedrag van kind, gedragsproblemen en neuro-endocriene regulatie.  Een grote gerandomiseerde trial staat nog aan het begin.  Doel daarvan is vast te stellen wat de lange-termijnuitkomsten van het programma zijn, met inbegrip van veranderingen in oudergedrag, kindgedrag bij ouders en leeftijdsgenoten, psychopathologie bij het kind, inhibitieve controle/executieve functies, en HPA regulatie.

{In 2002 was de inzet van de reguliere 'jeugdzorg' nog de pleegzorg te verbeteren; het bleek later nauwelijks of niet te kunnen zonder een medische studie door pleegouders of pleegzorgers. En daarop werd bezuinigd.}

 

Het ABC-programma       

 

De eerste twee sessies worden besteed aan 'interventieonderdeel 1': de herinterpretatie van gedragssignalen.  Hiertoe wordt gebruikt gemaakt van video-opnamen met voorbeelden van veilig en van vermijdend gehechtheidsgedrag, om te laten zien hoe makkelijk het is om te reageren op een kind dat er direct om vraagt, maar hoeveel moeilijker het is als het kind zich afwendt of boos lijkt te zijn.  De boodschap aan de ouder is: 'Dit kind heeft u nodig, ook al gedraagt hij of zij zich op een manier die anders laat blijken.' In sessie 6 en 7, maar ook in latere sessies wordt aandacht besteed aan 'interventieonderdeel 2': koesteren.  Het doel is pleegouders te helpen de eigen problemen te herkennen die het koesteren van een pleegkind in de weg kunnen staan. 

We maken daarbij gebruik van de metafoor 'haaienmuziek' (shark music) om weerstand bij pleegouders te overwinnen (ontleend aan Marvin, Cooper, Hoffman & Powell, 2002).  We laten pleegouders eerst een video zien van een strandscène, vergezeld door mooie, rustige muziek.  Dan laten we dezelfde scène zien, maar dan vergezeld door beangstigende, spannende muziek van de film Jaws.  We vragen deze ouders om stil te staan bij het verschil in beleving tijdens het kijken naar dezelfde scène. 

Dan vertellen we de pleegouders dat het hun taak is om uit te zoeken onder welke omstandigheden zij 'haaienmuziek' horen tijdens het zorgen voor hun kind - sommige ouders zien hun kind een bepaald ding doen (huilen als ze zich bezeerd hebben) en horen dan 'haaienmuziek', terwijl andere ouders 'haaienmuziek' horen als hun kind onafhankelijkheid toont.  Het verschil zit hem erin dat sommige ouders zich bewust zijn van hun 'haaienmuziek', terwijl andere ouders niets anders doen dan op die muziek reageren.  We gebruiken deze metafoor vooral om de meer defensieve ouders te helpen om hun kwetsbaarheid te zien als een kracht, in plaats van een zwakheid. {Waarom dit  niet thuis bij de biologische ouders doen? Voordat er uithuis wordt geplaatst?! = Waarom de bedreiging, verwoord in BW1:255, niet wegnemen maar het kind d.m.v. uithuisplaatsen, waardoor het kind geschaad wordt, en niet de bedreiging of bedreiger? Elke vorm van kindermishandeling, ook die van de gezinsvoogdij door institutionele kindermishandeling (en verwaarlozing) is strafrechtelijk te behandelen, maar daar zijn de jeugdrechters huiverig voor, wegens het secuurder afwegen naar feiten.} .

 

In deze sessies bekijken de huisbezoek-werkers met de ouder een opname van een eerdere sessie, waarbij de eigen reactie wordt besproken op een hereniging met het pleegkind na separatie.  Het doel is om haar na te laten denken over haar eigen reacties en om na te gaan of ze 'haaienmuziek' hoort tijdens zorgen.  Met name het herkennen van die 'haaienmuziek' is van belang: het is niet de bedoeling om met ouders op therapeutische wijze problemen die mogelijk zijn terug te voeren op de eigen gehechtheidsrepresentatie en het eigen gehechtheidsverleden na te gaan.  Van belang is dat wordt benadrukt dat koesterend ouderschap nodig is, ondanks deze muziek op de achtergrond.  In sessie 3 tot en met 5 en sessies 8 en 9 staat 'interventieonderdeel 3' centraal: het ontwikkelen van regulerende vermogens.  In deze vijf sessies wordt voortdurend nadruk gelegd op de wijze waarop de pleegouders kunnen zorgen voor een responsieve interpersoonlijke wereld. 

De inhoud van deze sessies is voor een groot deel ontleend aan de interventiestudies van Van den Boom (1994, 1995).  In sessie 3 wordt de pleegmoeder begeleid in het leren om haar pleegkind tijdens spel te volgen, aan de hand van video-opnamen van pleegmoeder en kind tijdens voorlezen en bouwen met blokken.  De momenten waarop de pleegmoeder succesvol het kind volgt, worden eerst besproken.  Vervolgens wordt datgene besproken wat de pleegmoeder verhindert het kind te volgen (het kind moet bijvoorbeeld per se die toren bouwen; het kind moet opletten). 

In sessie 4 wordt geleerd om het kind het voortouw te laten nemen in de interactie.  Dit wordt gedaan aan de hand van video-opnamen van het samen pudding maken door pleegmoeder en kind, een activiteit waarbij het voor veel moeders een toer is om kinderen hierbij het voortouw te laten.  De manieren worden nagegaan waarop de pleegmoeder het kind toestaat het voortouw te nemen (zelfs als het bijvoorbeeld een troep wordt, er teveel melk bijkomt), en manieren waarop ze daar problemen mee heeft.  Benadrukt wordt hoe belangrijk het is om het kind autonomie toe te staan.  In sessie 5 staat centraal dat ouders letten op de signalen van het kind, aan de hand van video-opnamen van poppenkast spelen met het kind.  De huisbezoeker probeert de pleegmoeder te helpen om het belang te onderkennen van het lezen van en reageren op de signalen waarmee het kind aangeeft aan het spel deel te nemen en niet deel te nemen. 

Sessie 8 wordt besteed aan het belang van aanraking.  Deze sessie is gericht op het belang van vasthouden, knuffelen en aanraken van het kind door de pleegmoeder.  Hiertoe wordt gebruik gemaakt van video-opnamen van pleegmoeder en kind tijdens het spelen op schoot.  Ook aan 'haaienmuziek' die door moeder gehoord wordt tijdens de interactie wordt aandacht besteed.  Benadrukt wordt dat aanraking voor kinderen die verbrekingen van opvoedingsrelaties hebben meegemaakt zo mogelijk van nog groter belang is dan voor kinderen die dit niet hebben meegemaakt (zie ook Field, Widmayer, Stringer, & Ignatoff, 1980). 

In sessie 9 worden de emoties van het jonge kind besproken.  De pleegmoeder leert het belang te onderkennen van het vermogen van kinderen om emoties te voelen en uit te drukken (vooral negatieve emoties), het eigen vermogen de gevoelens van het kind te herkennen en de eigen reacties op die emoties onder ogen te zien.

 

In sessie 10 wordt alles wat geleerd is aan elkaar geknoopt.  In deze sessie worden de veranderingen die pleegmoeder en kind hebben gemaakt, en aan het maken zijn, in het zonnetje gezet.  De huisbezoeken toont video-opnamen van interacties uit de sessies om veranderingen te laten zien.  Daarnaast worden de drie hoofdpunten (herinterpreteren van kindgedrag, koesteren, en het kind volgen) nog eens extra benadrukt.

 

                      Tot besluit

 

Kinderen die verbrekingen in relaties hebben meegemaakt hebben speciale zorg nodig: een vorm van zorg die koesterend is, zelfs als deze kinderen er niet om vragen of de pleegouder lijken af te wijzen.  Kinderen hebben deze zorg nodig, ook als pleegouders zelf zich daarbij persoonlijk niet op hun gemak voelen.  Hoewel een dergelijke aanpak de beste kansen biedt op de ontwikkeling van een veilige gehechtheidsrelatie is dat niet voldoende om de risico’s voor de ontwikkeling af te wenden. Pleegouders zijn ook bij uitstek belangrijk om pleegkinderen te helpen bij het ontwikkelen van hun vermogens tot zelfregulatie. Interventies dienen op deze behoeften aan te grijpen.

 

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Commentaar:

 

De inzet van deze jeugdzorgwetenschap (2002) is nog gebaseerd op het axioma dat de gronden voor uithuisplaatsing niet meer behoeven te worden nagetrokken en niet meer hoeven te wodren herzien. Op het niveau van Weterings & Van den Bergh-wetenschap, te vinden op deze site.

Zien we echter dat het axioma niet deugt. 

Kinderen lopen schade op door het uithuis te plaatsen; en dient dus veel minder vaak toegepast te worden, en dan op diagnostiek afgewogen gronden.

Prof.dr. Ursula Gresser vond in 2015 dat kinderen als pleegkind vaker ziek worden, onder meer door de disregulatie van de fysiologie.

En dat was dus eigenlijk al in 2002 bekend door Dozier.

Meerdere wetenschappers adviseerden na onderzoeken dat kinderen met dezelfde problematiek beter af waren thuis met passende hulptrajecten dan weggezet in een pleegsetting. De reguliere 'jeugdzorg' zou de kennis niet matchen met de case.

Er werd geadviseerd met diagnostisch specialisten (die het gezinssysteem zèlf zien en onderzoeken naar hun medische beroepscode) voor de toegangspoort tot dwangzorg staan  tot beperken van de vele 'false positives'.  Gespecialiseerde doelgroep-ingangen zullen deskundiger zijn dan de kennis te verwateren over vele gemeentelijke wijkteams e.d..

Ook werd gewaarschuwd voor de slechte communicatietechnieken van jeugdzorgwerkers door prof.dr. Carlo Schuengel: de contraproductiviteit van dwangzorg in de 'jeugdzorg'. Dat wekt weerstand op. En daarop kan de gezinsvoogd beweren dat de ouders 'tegenwerken' als argument tot het negeren van het werken aan thuisplaatsingen naar BW1:262 lid 1 en 3.

De rechter is geen medicus op deze 'foute beweringen' te herkennen en de afweging meer te baseren op diagnostiek bewijs.

Ouders zijn veel meer genegen te leren door deskundigen die uitleggen op niveau en enthousiasmeren. Dat zou veel beter ten goede komen aan het kind.

Ook bij omgangs-OTS kan schade ontstaan aan het kind, door gemakzucht van de escalerende gezinsvoogd, die dan maar een éénoudergezag verzorgt zonder naar de echte belangen van het kind te laten kijken door een deskundig specialist. 

 

Hieronder worden nog wat vragen gesteld....

Uit deze huidige 'jeugdzorg' anno 2016 blijft een oververtegenwoordiging aan uitkeringsbehoeftigen komen uit het 'jeugdzorgbemoeien':

 

 

---------------------------------------------------------

Waarom ziet de 'jeugdzorg' geen pathogene 

 

gedragsstoornissen en gezondheidsoorzaken?:

 

Waarom zou uithuisplaatsen nu juist wel of niet goed zijn vòòr kinderen met een psychisch probleem?

 

Jeugdzorg beweert regelmatig dat een kind uithuisgeplaatst moet worden of niet teruggeplaatst kan worden wegens zo’n probleem, zoals “autisme”, “hechtingsstoornis” of “hechtingsprobleem”, “borderline”, etc..

 

Is het kind dan juist niet beter af thuis in z’n vertrouwde omgeving?

Prof. Jo Hermanns vond in zijn onderzoek in Zeeland dat hulp aan (eigenlijk uithuisgeplaatste) kinderen effectiever en korter waren waar ze thuis de toegesneden hulpverlening kregen. Daar wijst Joseph J. Doyle jr. ook naar in 2007,[1] maar hoe zit dat?

 

VOORBEELD:

Kunnen jeugdzorgwerkers en jeugdbeschermers zich wel diagnostisch inleven ín een kind?....

Wel, volg het gevoel van zo’n kind:

 

In de volgende stappen wordt uitgelegd wat een klein probleem in een paar minuten (dan wel in enkele uren)  kan doen met een persoon/kind/opgroeiende die lijdt aan bijvoorbeeld borderline, maar met onveilige gehechtheid of sociaal probleem kan ook (mede door het Cortisolgehalte):

 

-          Er ontstaat een klein probleem wat op bijv. een niet-border­liner (bijna) geen effect zal hebben;

 

-          De geest van een kind met bedoelde problematiek reageert hier anders op, deze raakt een beetje in  paniek;

 

-          Het kind of jongere begint zich ongemakkelijk te voelen;

 

-          De gevoelens van angst verergeren het ongemak en de rusteloosheid;

-          Micro-agressie door volwassene(n) kunnen het ongemak vergroten;

 

-          De persoon in angst wordt bozer en bozer;

 

-          De persoon wordt woedend en raakt erdoor overspoeld;

 

-          Op dit moment is de persoon zich er veelal van bewust dat hij niet rationeel reageert maar hij kan dit niet veranderen (het licht dan ook aan de fysiologie en soms de fysieke anatomie);

 

-          Andere negatieve sensaties steken de kop op (incl. herinneringen aan eerdere pijnlijke momen­ten);

 

-          Bijna elke nare emotie die een mens maar kan voelen, voelt deze persoon op dat moment;

 

-          De persoon voelt zich gevangen en wordt kwetsbaar;

 

-          De psychologische verdedigingsmechanismen worden overspoeld door onverdraaglijke emotio­nele pijn;

 

-          De persoon raakt gedeprimeerd; hij is de situatie niet meer meester;

 

-          De geest en het lichaam zijn nu compleet in paniek;

 

-          Het zicht op de werkelijkheid verdwijnt;

 

-          De persoon trekt kromme conclusies in een vergeefse poging om te kunnen begrijpen wat er gebeurt;

 

-          De pijn wordt erger;

 

-          Het zenuwstelsel zorgt voor vreemde sensaties zoals leegheid, verdoofdheid en het gevoel buiten de realiteit te staan;

 

-          De persoon is niet meer in staat om rationeel te denken naarmate de paniek erger en erger wordt;

 

-          De geest probeert nu wanhopig een uitweg te vinden uit de pijn en zoekt naar oplossingen (waarschijnlijk irreële);

 

-          De geest herinnert zich eerdere handelingen die ervoor zorgden dat de persoon zich toen beter ging voelen;

 

-          Wanneer deze methode is teruggevonden, dwingt de op hol geslagen geest hem om diezelfde methode weer toe te passen;

 

-          De persoon reageert veelal destructief;

 

-          Dit gaat door totdat de hersenen chemische stoffen2 aanmaken die ervoor zorgen dat de pijn ophoudt;

 

-          De persoon voelt zich weer ‘normaal’;

 

       Hierna volgt er een nieuw probleem:

 

-          De persoon kan geen ‘normaal’ leven meer lijden nu hij weet dat een dergelijke afschuwelijke ervaring zo weer terug kan komen (cirkel van angst);

 

-          De persoon kan zich niet meer ‘normaal’ voelen nu de zelfvernietigende en onbehoorlijke gedragingen zijn opgemerkt door familie, vrienden, schoolgenoten, sociale omgeving etc., terwijl het ergens ook zijn normaal is, het hem bekende;

 

-          De persoon kan zich als persoon niet meer normaal voelen wanneer zijn eigen gedragingen leiden tot schade en ongenoegens bij hen waar het van afhankelijk is, tot financiële-, intermenselijke-, lichamelijke- of justitiële (gezinsvoogdij-) problemen;

 

-    Voor degenen die niet lijden aan de borderline persoonlijkheidsstoornis of onveilige gehechtheid of autisme e.d. is dit een nachtmerrie die ze – naar ze hopen – nooit zullen meemaken.

 

Borderliners en onveilig gehechte personen maken dit echter steeds weer mee – vooral in periodes van stress.   ……

 

Het vertoeven in een nieuwe, niet-vertrouwde omgeving die de familiaire,  het biologische gezin,  moet vervangen bij uithuisgeplaatst-zijn kan het zelfbeeld en daarmee het vertrouwen in de ‘grote mens’ schaden.

 

Wanneer het vertrouwen is geschaad dan moet voor eigen veiligheid van het ‘ik-beleven’ de persoon constant op zijn qui-vive zijn. Dat vreet energie. Dat is verre van normaal.

 

Normale mensen vinden grote rustmomenten. Het Cortisolgehalte is gewoonlijk meestentijds normaal.[2]

Erger wordt het wanneer op de nieuwe school het uithuisgeplaatste kind gepest wordt wegens het niet thuis mogen wonen, èn vaak hoort het kind ook signalen over diens eigen ouders 'waarom het niet thuis mag wonen', veelal de ouders diskwalificerend, loyaliteitsconflict en minderwaardigheidscomplex  oproepend. Deze signalen komen van de (gezins)voogd en pleegzorg, soms uitgelekt via de pleegouders of school. Uit de adoptiewetenschappen weten we dat dit ernstige schade doet aan de psyche, zodat de jongere symptomen kan vertonen waar Joseph J. Doyle e.a. over waarschuwen: aanzienlijk verhoogde kans op suïcide, tienerzwangerschappen, een paar schoolniveaus kelderen, crimineel gedrag, minderwaardigheid en depressie, enz..

 

Om de rechter te verleiden tot een machtiging voor dwangzorg of verlenging (en zelfs ontheffing) heeft de jeugdzorgwerker of gezinsvoogd (vaak ongediagnosticeerde) suggesties nodig om een machtiging voor dwangzorg (OTS, UHP, Ontheffing met voogdij) binnen te halen.

 

Dit heeft consequenties voor kinderen die tot doelwit zijn verworden van de ‘jeugdzorg’.

 

Door de uithuisplaatsing (UHP) geraakt het kind dus in een minder vertrouwde omgeving, dagen, maanden. Het moet, internaliserend, voortdurend op zijn qui-vive zijn. Stress.

En zo ontstaan psychologisch en hormonaal (pathogeen) grotere problemen dan jeugdzorg wilde voorzien in de afweging naar de rechter. En de rechter is geen medicus of ontwikkelingspsycholoog die dit kan voorzien en meenemen in zijn beslissing.

 

De roep om diagnostische waarheidsvinding en zwaargewichten in deze doorgang tot dwangzorg[3] is door de jaren van deze jeugdzorgpraktijk ontstaan.

 

Er is een alternatief beleidsplan waar de gezinsvoogdij losgekoppeld wordt van de jeugdzorg.[4]

 

Het onderzoek voor/tot dwangzorg dient dus deskundiger te worden, gedaan door beëdigde specialisten, zwaargewichten,[3] die diagnosticeren en het meest optimale traject uitzetten (iets wat een sociaal werker, jeugdzorgwerker, niet kan wegens gebrek aan jarenlange medische studie).

 

Zo kunnen de suggesties naar de rechter tot een minimum beperkt worden en meer rekening gehouden worden met de verdere, hopelijk meest optimale, psychische ontwikkeling van het kind.

 

 ^: naar  https://forum.www.radartv.nl/viewtopic.php?f=45&t=85499

 

Noten: 

[1] Joseph Doyle’s onderzoek:: “Child Protection and Child Outcomes: Measuring the Effects of Foster Care – Forthcoming, American Economic Review”, 2007 (JEL I38, H75).

 

[3] : bijvoorbeeld: prof.dr. R.J. van der Gaag , waardoor nodig wordt dat rechters beter toetsen met Juiste onderzoeksvragen zijn nodig (waar onderzoeksvragen op schrift en uit het dossier van de diagnosticerende deskundige, dus niet uit die van BJZ of Jeugdbescherming, nodig zijn, van ouders en van de indicerende instelling, veelal ‘jeugdzorg’ of de gezinsvoogd.

 

[4] : De verkleinde gezinsvoogdij onder de Raad (RvdK+): Voorwaarden met diagnsotiek .

Meer informatie in FJR 2012/95 . Dit mogen ouders bij de rechter gebruiken als aanvullende motivatie tot optimale op diagnose gebaseerde hulpverlening!

 

Veilige gehechtheid komt 'thuis' veel vaker goed dan in pleegsetting:

(Wit en zwart zijn de twee soorten pleegsetting; wanneer er niet keer op keer wordt overgeplaatst naar een volgend pleegsetting, want dan wordt het 90% Onveilig gehecht) :