Prevalentiestudie over Kindermishandeling –

 

de basis waarop de overheid beleid maakt –

 

‘Sloppy science’ of volksverlakkerij?

 

 

Misleidende wetenschap kan de koppen de verkeerde kant opzetten in héél de jeugdzorgketen.

 

De overheid baseert zich op de NPM, de Nationale Prevalentiestudie Mishandeling (2005 en 2010), het voorkomen van mishandelingen.  Deze cijfers zouden aangeven dat het onderkennen van kindermishandeling een zeer belangrijk aandachtspunt is, omdat er per klas wel één kind mishandeld zou worden.   We lezen getallen van 118.000 tot 120.000 mishandelde kinderen in Nederland.  Dat líjkt verontrustend.

 Maar hoe wetenschappelijk juist zijn deze cijfers?

 Wat zijn de gevolgen in het jeugd-beleid?

 

De definitie te speculatief en vaag?

 

Waar er in Nederland gesproken wordt over ‘kindermishandeling’ omvat dit het meestal zeer kleine maar onverstandige ‘vergrijpen’ zoals het kind zonder ontbijt naar school laten gaan of een gewoonlijk afkeurenswaardige levensstijl van de ouders, zoals hippiegedrag, niet conform de kleinburgerlijke standaard.   Uiteraard komt seksueel misbruik ook voor of het opvoeden door middel van kleineren, alsof het kind daarmee zelfstandig wordt.

 

Omdat de wet (BW1:255 met OTS, 265a/b met UHP, en 266 met beëindiging van ouderlijk gezag) behoorlijk vaag is over de grenzen van dit zeer ruime begrip, vallen volgens de jeugdzorgwerkers bij wijkteams, CJG, Veilig Thuis, en gecertificeerde instellingen (G.I.) met (gezins)voogdij er heel veel onder.

We mogen wel stellen te veel.

 

Dit mag gesteld worden omdat OTS reeds veel spanningen in het gezin oplevert wat het kind in die levenssfeer niet ten goede komt.   Te vaak zijn de ouders ook niet deskundig en enthousiasmerend voorgelicht over wat beter kan en de consequenties van hun mentale keuze bij het doornemen van de ‘zorgen’.  

 

Daarnaast kan men aan onafhankelijke wetenschap afmeten dat het Uithuisplaatsen (UHP) een schadelijke invloed heeft op de psyche van het kind, dat in den vreemde wordt geplaatst zonder voorbereiding en vertrouwde begeleiding.   Namen als Joseph Doyle en Ursula Gresser mogen bekend zijn bij belezen ouders.

 

Kinderen worden te snel en zonder diagnostiek en voorlichting ont-ouderd (BW1:266) naar het achterhaalde, oude systeem van Weterings.   Een slechte contactregeling bij uithuisplaatsing, vastgesteld door de G.I., wordt vaak reden tot beëindiging gezag van de ouders, zonder acht te slaan op latere belangen van de opgroeiende, waaronder de identiteitsvragen; iets wat in de adoptiewetenschap toch voor dusdanige problemen kan zorgen dat een opgroeiende soms wel twee schoolniveaus zakt.

 

De kinderrechter zou een controlemechanisme zijn…

 

Echter de kinderrechters rouleren en zijn als juristen niet orthopedagogisch gestudeerden met medische beroepseed.  Er dient òf gemeten te worden door middel van open onderzoeksvragen zwart op wit en een passend diagnostisch rapport, òf het geloof in het kunnen van diagnostisch onbevoegde jeugdzorgwerkers is basis om een machtiging te verstrekken aan datzelfde jeugdzorgwerkersniveau.

Tijdsdruk en geld lijken te prevaleren, terwijl wachtlijsten bij de ketenpartners uit hun voegen groeien, wat schadelijk ìs voor een opgroeiende die niet in de wacht stopt met ontwikkeleing en verwerking van signalen.

 

De inspectie heeft wel eens geschreven over een perverse prikkel waar de bezettingsgraad op 100% gehouden moet worden vanwege de subsidie.  Daarenboven heeft de Kinderombudsman in 2013 een rapport geschreven, “Is de Zorg Gegrond?”, www.dekinderombudsman.nl/92/ouders-professionals/publicaties/rapport-is-de-zorg-gegrond/?id=325, (pag. 93) waaruit hier een citaat: BJZ, tegenwoordig de G.I., en de Raad (RvdK) werken met beperkte budgetten. De druk vanuit politiek en bestuur om steeds meer zaken in steeds kortere tijd af te handelen, is hoog. Medewerkers ervaren dat zij worden aangestuurd op de kwantiteit, en minder op de kwaliteit van hun werk. …

­– De financiering van BJZ (G.I.) op het aantal uitgevoerde beschermingsmaatregelen brengt een risico  mee dat er gestuurd wordt op meer of langer doorlopende maatregelen. Natuurlijk neemt niet BJZ (G.I.) maar de rechter uiteindelijk een dergelijke beslissing en heeft de Raad (behalve bij verlenging van een OTS) de taak om te toetsen of de gronden voor een maatregel in juridische zin aanwezig zijn.

Daardoor wordt dit risico grotendeels afgevangen. Desondanks is het de vraag of een dergelijke potentiële ‘perverse prikkel’ niet beter kan worden weggenomen. … Het risico bestaat dat er onvoldoende duurzame waarborgen voor de kwaliteit ingebouwd zijn in het systeem.

- … Binnen het AMK (V.T.), BJZ (G.I.) en de Raad moet meer aandacht komen voor reflectie op de kwaliteit van de eigen besluitvormingsprocedures en rapportages. Er moet vaker worden teruggekeken naar afgesloten casuïstiek om te reflecteren op gemaakte keuzes en de wijze van rapporteren. Er zijn op dit moment onvoldoende verankerde kwaliteitswaarborgen.

We mogen best ons afvragen of de niet-diagnostisch bevoegde RvdK of jeugdzorgwerker dat risico op ‘false positives’ kan afvangen, waar ze hun eigen vlees moeten keuren, als de bekende slager.

 

Waar de jeugdzorgwerker op verkeerde interpretaties heeft aangedikt en geïnsinueerd om ‘duidelijk’ te zijn naar de rechter, en de RvdK dit ondeskundig over de niet-diagnostische methode overneemt, worden de fouten in de rapportages vanuit de jeugdzorg waarover de Kinderombudsman schreef al te vaak afgedekt met verdere beweringen en suggesties, die de rechter gelooft. Fouten in jeugdzorgland worden o zo moeilijk erkend. Latere belangen van de opgroeiende worden niet meegewogen in besluiten over het kindobject.

 

Het advies van prof. R.J. van der Gaag was dan ook om zwaargewichten, echte diagnostische specialisten in de toegangspoort te zetten waar er om verzoek tot een kinderbeschermende maatregel wordt verzocht. De politiek heeft er al decennia geen oren naar.

 

Ouders die protesteren (vanuit hun wettelijke plicht [BW1:247] ter optimalisatie van het hulptraject aan ‘zorg’ voor hun kind op het niveau van kinderrecht artikel 24 lid 1 IVRK) tegen niet [diagnostisch] onderbouwde beschuldigingen (want dat zegt BW1:255 in feite tegen een ouder) van kindermishandeling, en verzoeken om hoogstaander waarheidsvinding,  krijgen veelal te horen dat de jeugdzorg niet kan meten welke mening nu waar is en dus eigenlijk niet kan doen aan waarheidsvinding, ook al noemt de jeugdwet in artikel 3.3: De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling zijn verplicht in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.”  

 

De rechter onderkent niet dat de ‘jeugdzorg’ in feite, juridisch gezien, tegenpartij is, en er bij twee partijen (ouders tegenover ‘jeugdzorg’) met verschillende inzichten, er gewogen dient te worden op de weegschaal van Vrouw Justitia. En dan leent, zoals Van der Gaag adviseerde, diagnostiek toch wel het meest als meetinstrument voor de gewichten op die weegschaal, conform het internationaal kinderrechtenverdrag artikel 24 lid 1.

 

Waar er geen concrete grenzen zijn gesteld en er geen sanctionering in de (civiele) wet is opgenomen, staat de rechter voor het probleem in vaak te korte tijd te moeten beslissen, zonder dat de rechter weet heeft welke risico’s er kleven voor het kind wanneer er een dwangmaatregel zou moeten worden uitgesproken en het mandaat dan verstrekt wordt aan de aanvrager in de jeugdzorgketen (met werkgelegenheids-belangen).

 

Andere cijfers worden niet erkend door de politiek…

 

De NIS-screening bij de NPM geeft 3,4% van alle opgroeienden heeft te maken met het eigenlijk te ruime begrip kindermishandeling. Uit cijfers van het onderzoek van Maartje Schouten is af te leiden dat per jaar ca. 0,05% daarvan slachtoffer is. (http://www.sandiegoconference.org/Documents/2017conf_docs/K15c%20Schouten_Screening%20for%20child%20abuse.pdf). Men kan dat omrekenen tot een kleine 1.700 slachtoffers in plaats van 119.000 (NPM).

 

Naar aanleiding van Schouten publiceerde in NRC Handelsblad op 28 maart 2017 de emeritus hoogleraar Ido Weijers*: Opnieuw heerst een sterk wantrouwen jegens ouders, nota bene tegen de achtergrond van een algemene opvoedingssituatie die zich op een historisch en internationaal ongekend hoog peil bevindt. Dit wantrouwen jegens ouders gaat gepaard met een streven naar het absoluut willen uitsluiten van risico’s. Deze morele paniek vormt de achtergrond van de invoering van een bonte verzameling screenings- en risicotaxatie-instrumenten. Typerend is hierbij de haast en het gebrek aan weloverwogen maatregelen. Iedereen bedenkt wat, zorgvuldig opgezette en wetenschappelijk begeleide pilots ontbreken, inzicht in ethische en juridische problemen blijft achterwege en de landelijke overheid wacht af.

 

Stut- en plakwerk-politiek;

idealistisch maar onwetenschappelijk beleid…

 

Dettmeijer en Menenti (Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen) komen vreemd genoeg tot  een tegenovergesteld gezichtspunt: Liever een ouder onterecht verdacht, dan een kind mishandeld….. Een onterecht vermoeden van kindermishandeling is, voor screening, het minste van twee kwaden.  Namelijk, wat volgt na zo’n vermoeden is “een keten van beslissingen” door  veelal (psycho)medisch-onbevoegden, Veilig Thuis (het oude AMK), Crisis-Interventieteam, Kinderbescherming en de kinderrechter.

 

Dat deze verdachtmaking, een gevoelde beschuldiging, en de gevolgen met te veel ‘false positives’, een schadelijke invloed heeft op de sfeer van het kind, dat al te vaak weggeplaatst wordt uit diens vertrouwde omgeving wordt ‘vergeten’ door dergelijke denkers.

 

Joseph Doyle en Ursula Gresser zijn niet de enigen die vonden dat de reguliere jeugdzorg niet de nodige kennis bracht bij de case.   Er zijn een reeks wetenschappers en advocaten die bevonden dat de ‘jeugdzorg’ met de gemanipuleerde jeugdrechter niet valide meet, zodat het resultaat te regelmatig een schadelijke kwakzalverij wordt op de psyche van het betreffende kind. 

 

[Deze grafiek toont niet de psychomedische kosten die gemaakt zullen gaan worden na het 17e jaar wegens de schade opgelopen tijdens de dwangzorg.] 

 

Zowel het onderzoek van prof. N.W. Slot et al als bijvoorbeeld de  statistiek van de uitstroom van opgegroeiden vanuit ‘jeugdzorg’, gerelateerd aan thuis-opgegroeiden, is extreem te noemen, waar de ‘jeugdzorg’ bovenmatig en onevenredig voor uitkeringstrekkers en psychisch beschadigden verantwoordelijk is. Dit moet wel wat gecorrigeerd worden met het feit dat in de ‘jeugdzorg’ ook  LVG-kinderen belanden. Echter zo’n verhouding als in deze grafiek is enorm! Een enorme oververtegenwoordiging.

Zo’n keten van beslissingsschijven nodigt in de praktijk uit tot geloof in de bevriende ketenpartner. Nimmer worden de onderzoeksvragen vanuit de G.I. gewogen op open en integraal onderzoek.

 

 

Oud-advocaat Peter Prinsen (http://peterprinsen.nl/LEESMAAR.htm) heeft een goede analyse gepubliceerd in het Nederlands JuristenBlad Juni 2017, aflevering 25, nr. 1330.  Uitgebreidere informatie daarin.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

*:  Ouders zijn de dupe van

 

screening kindermishandeling

 

 

Ouders verdienen bescherming tegen onterechte beschuldigingen van kindermishandeling, schrijft .                                                                      NRC   28 maart 2017 :

 

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/03/28/ouders-zijn-de-dupe-van-screening-kindermishandeling-7612722-a1552099

 

Ido Weijers is em. hoogleraar jeugdbescherming aan de Universiteit Utrecht.

 

De Kinderwetten van 1901 brachten, met de invoering van de Kinderbescherming, cruciale verbeteringen voor het verwaarloosde kind. Maar historici hebben er echter op gewezen dat er een enorm wantrouwen tegen de ouders heerste. Zo schreef de auteur van de Kinderwetten dat er in het hele land streken waren waar „nagenoeg alle ouders te ontheffen en te ontzetten zouden zijn”. Decennialang was het uitgangspunt dat in die gevallen de band tussen ouders en kind zo grondig mogelijk verbroken moest blijven, omdat men het gezin als bron van de ondergang van de kinderen zag. Pas halverwege de vorige eeuw begon het besef door te dringen dat het contact tussen ouders en kind veelal eerder verbeterd diende te worden dan verbroken, in het belang van het kind. En geleidelijk aan drong het besef door dat ouders rechten hebben, niet als goede ouders, maar als ouders van hun kind. Tenzij aannemelijk is dat zij hun kind ernstige schade (dreigen te) berokkenen.

 

Tegen de achtergrond van een aantal schokkende gezinsdrama’s is een dergelijke prudente houding tegenover ouders aan het begin van de 21e eeuw ineens weer uit beeld geraakt. Opnieuw heerst een sterk wantrouwen jegens ouders, nota bene tegen de achtergrond van een algemene opvoedingssituatie die zich op een historisch en internationaal ongekend hoog peil bevindt. Dit wantrouwen jegens ouders gaat gepaard met een streven naar het absoluut willen uitsluiten van risico’s. Deze morele paniek vormt de achtergrond van de invoering van een bonte verzameling screenings- en risicotaxatie-instrumenten. Typerend is hierbij de haast en het gebrek aan weloverwogen maatregelen. Iedereen bedenkt wat, zorgvuldig opgezette en wetenschappelijk begeleide pilots ontbreken, inzicht in ethische en juridische problemen blijft achterwege en de landelijke overheid wacht af.

 

De invoering, zes jaar geleden, van screening op kindermishandeling bij afdelingen spoedeisende eerste hulp en huisartsenposten, waarover onlangs in de media verontrustende berichten verschenen, past in deze trend. Volgens de Inspectie voor de Gezondheidszorg werden op deze afdelingen veel te weinig mishandelde kinderen opgespoord, terwijl juist een bezoek aan een onbekende arts een ‘gouden kans’ leek om kindermishandeling vroegtijdig op het spoor te komen. Her en der werden voortvarend lijstjes met risico-indicatoren in elkaar getimmerd en meteen ingezet. Geen pilot, geen landelijke coördinatie, geen wetenschappelijke onderbouwing en begeleiding. Let wel, deze ontwikkeling had zeker positieve kanten, al was het maar dat de betrokken artsen erdoor werden gestimuleerd op signalen van mogelijke mishandeling te letten en dat zij zich meer competent voelden wanneer ze met een vermoeden van mishandeling te maken kregen. Dat laatste blijkt echter deels illusoir, gezien de gebrekkige zeggingskracht van de screening waarmee ze werken. En het genante gebrek aan zorgvuldige voorbereiding blijkt ook onmiskenbare nadelen en zelfs gevaren met zich mee te brengen.

 

Lees ook: Liever een ouder onterecht verdacht, dan een kind mishandeld **

Toen twee jaar geleden de toepassing van dergelijke screening bij vier afdelingen eerste hulp kritisch tegen het licht werd gehouden, bleken er van de honderd verdenkingen van kindermishandeling slechts drie terecht. Vorige week verdedigde Maartje Schouten aan de Universiteit Utrecht haar studie naar de toepassing van een van deze screeningsinstrumenten bij vijf Utrechtse huisartsenposten. Hier blijken slechts acht van de honderd verdenkingen serieus te nemen. Deze meting is niet waterdicht, dus misschien zijn het er iets meer. Schouten toont echter ook aan dat het wetenschappelijk bewijs over de her en der gebruikte screeningsinstrumenten van lage kwaliteit is en dat alle gebruikte instrumenten een matige validiteit hebben. Ze pleit ervoor de checklist terug te brengen tot twee basale vragen en niet als screeningsinstrument te gebruiken maar slechts als manier om het besef van mogelijke mishandeling te verhogen.

 

Vanuit de Vereniging voor Kindergeneeskunde en de Inspectie wordt aangedrongen op doorgaan met de huidige screening.

 

Als bij ruim negen op de tien verdachte ouders de verdenking van mishandeling van hun kind onterecht blijkt, is zo’n grove methode echter niet meer te handhaven. De screening moet worden verbeterd en uitgetest en er zal op z’n minst een landelijk protocol moeten komen, dat artsen verplicht tot het voeren van een open gesprek met de ouder, indien men wordt geconfronteerd met letsel dat gefundeerde vragen oproept. En ook in juridisch opzicht vraagt deze aanpak om herbezinning. De Volkskrant (20/3) geeft twee voorbeelden waarbij ouders onwetend werden gehouden van de melding kindermishandeling die de arts na hun bezoek had gedaan. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in de zaak Venema tegen Nederland (17 december 2002) onder verwijzing naar artikel 8 EVRM een dergelijk optreden van de arts jegens de ouders veroordeeld.

 

**:

LIEVER EEN OUDER ONTERECHT

 

VERDACHT, DAN EEN KIND MISHANDELD

 

Een onterecht vermoeden van kindermishandeling is de consequentie van de wens zo veel mogelijk mishandelde kinderen op te sporen, schrijven en

‘Huisartsenpost herkent mishandeling niet’, ‘Een hausse aan onterechte verdenkingen’, ‘screening niet succesvol’, ‘honderden onterechte meldingen’. Met haar promotieonderzoek naar screeningsinstrumenten voor kindermishandeling heeft Maartje Schouten de aandacht gevestigd op het dilemma waarvoor artsen staan die kinderen met letsel zien.

Moeten ze een lage drempel hanteren voor vermoedens van kindermishandeling, en dus soms ouders ten onrechte verdenken (fout positieven), of moeten ze een hoge drempel hanteren en dus kinderen die mishandeld worden ten onrechte weer naar huis sturen (fout negatieven)?

Wij pleiten voor het eerste: een onterecht vermoeden van kindermishandeling is, voor screening, het minste van twee kwaden.

Een spoedeisendehulparts die een kind met een gebroken arm ziet, zet de eerste stap in een keten van beslissingen: wel of niet kindermishandeling vermoeden? Het vermoeden kan leiden tot advies van een kinderarts, wat kán leiden tot een melding aan Veilig Thuis, meldpunt voor kindermishandeling en huiselijk geweld, wat kán leiden tot onderzoek, wat kán leiden tot een interventie, in het ergste geval uithuisplaatsing. Deze keten van beslissingen analyseerde de Nationaal Rapporteur in het rapport Op goede grond.

Het al dan niet vermoeden van kindermishandeling is dus slechts de eerste stap: bij niet alle kinderen over wie vermoedens ontstaan, vindt uiteindelijk een interventie plaats. Integendeel: uit het onderzoek van Schouten blijkt juist dat de meeste vermoedens niet gemeld worden bij Veilig Thuis. Dat is ook meteen een kanttekening bij het onderzoek: een melding bij Veilig Thuis is geen bewijs van mishandeling, en een niet-melding geen bewijs van het tegendeel. Wanneer vermoedens niet leiden tot melding, kan dat ook betekenen dat de drempel tot melden te hoog is.

Lees ook de opinie van Ido Weijers: Ouders zijn de dupe van screening kindermishandeling

De besproken screeningsinstrumenten hebben als doel bij deze eerste stap zo veel mogelijk mishandelde kinderen te signaleren. Ze moeten dus vooral voorkomen dat mishandelde kinderen ten onrechte naar huis worden gestuurd. In een situatie met veel onzekerheid – er zijn alleen nog een paar eerste signalen – zijn onterechte vermoedens dan onvermijdelijk.

Dat is niet per se problematisch: screenen is iets anders dan een diagnose stellen. Een positieve uitslag van een screeningsinstrument betekent alleen dat nader onderzoek gewenst is, en dat is iets anders dan een ‘verdenking’.

De informatie die dit oplevert is leidend in de volgende beslissing. Hoe ingrijpender die volgende stap is, hoe hoger de drempel ertoe moet zijn: een hoog aandeel onterechte verdenkingen van kindermishandeling is uiteraard wél onacceptabel als de rechter op basis daarvan een kind uit huis zou plaatsen.

Uiteraard moet ook bij de eerste screening het aantal fout positieven wel zo laag mogelijk zijn. Hiervoor is valideringsonderzoek, zoals dat van Schouten, essentieel – en hoort vooraf gedaan te worden. Het is hoopgevend dat het onderzochte instrument weinig fout negatieven oplevert: mogelijke gevallen van kindermishandeling kunnen dus opgespoord worden. De volgende vraag is of een instrument gemaakt kan worden met minder fout-positieven {'False positives'}: specifieker dus, maar met dezelfde sensitiviteit.

Dat vermoedens van kindermishandeling onvermijdelijk soms niet juist zullen blijken, vergt ook besef van alle betrokkenen: dat het onterechte vermoeden de consequentie is van de wens zoveel mogelijk mishandelde kinderen op te sporen, en daarmee nog niet een beschuldiging is.

Wanneer het vermoeden onjuist blijkt, moet het ook echt kunnen verdwijnen: de ouders moeten niet opgezadeld worden met ‘waar rook is, is vuur’.

Dat besef geldt ook voor het publieke debat: als artsen sterker moeten vrezen voor hun reputatie als ze kinderen ten onrechte wél signaleren dan als ze hun ogen sluiten, zullen er een hoop meer mishandelde kinderen niet de bescherming krijgen waarop zij recht hebben.