Ouders kunnen overvallen worden door enige vorm van ‘jeugdzorg’, of zelfs een dwangtraject met uithuisplaatsing worden opgelegd.

Men dient dan de wet te kennen om te meten, indien ze tastbaar verweer willen voeren  (Wat kan men waartegen  juridisch doen?) :

 

 

Het Ondertoezichtstellen:

 

Dat betekent voor gezinnen:

onder dwangzorg vallen zònder deskundigheid en

weinig inspraak:

 

Burgerlijk Wetboek, boek 1, Titel 14. Het gezag over minderjarige kinderen:

Afdeling 4. Ondertoezichtstelling van minderjarigen:

Artikel 255 BW1

lid 1.  De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling (gezinsvoogdij) indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling èrnstig wordt bedréígd, èn:

a. de zorg die in verband met het wègnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of ònvoldoende wordt geàccepteerd,  en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de veràntwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247*, tweede lid, (niet?!) in staat zijn te dragen.  -{* staat hier vlak onder}.

lid 2.

De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie. Tevens zijn een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad voor de kinderbescherming niet tot indiening van het verzoek overgaat.

3.

Indien de raad niet tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling overgaat nadat hij een verzoek tot onderzoek als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Jeugdwet heeft ontvangen, deelt hij dit schriftelijk mee aan het college van burgemeester en wethouders dat het verzoek heeft gedaan. De burgemeester kan na ontvangst van die mededeling de raad voor de kinderbescherming verzoeken het oordeel van de kinderrechter te vragen of het noodzakelijk is de minderjarige onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling. De raad voor de kinderbescherming die van de burgemeester zodanig verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de kinderrechter of een ondertoezichtstelling van de minderjarige moet volgen. In dat geval kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling ambtshalve uitspreken.

4.

De kinderrechter vermeldt in de beschikking de còncréte bedréígingen in de ontwikkeling van de minderjarige alsmede de daarop afgestemde duur waarvoor de ondertoezichtstelling zal gelden.

5.

Indien het verzoek, bedoeld in het tweede lid, niet alle minderjarigen betreft over wie de ouders of de ouder het gezag uitoefenen, kan de kinderrechter dit op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of ambtshalve aanvullen, en deze minderjarigen, mits aan de grond van het eerste lid is voldaan, eveneens onder toezicht stellen.” -

- dit staat op: http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/artikel255 , en daar staan verdere artikelen over die OTS die u moet kennen en gebruiken. Rechters meten met die feiten en niet met vage onbewezen meningen van ouders.

 

Wat bij OTS verwacht mag worden (méét):

 

                      BW1:262 wordt vaak vergeten:

“Artikel 262 BW1:

lid 1.

De gecertificeerde instelling houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouders of ouder hulp en steun worden geboden opdat de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige, bedoeld in artikel 255, vijfde lid, binnen de duur van de ondertoezichtstelling worden weggenomen. De inspanningen van de gecertificeerde instelling zijn erop gericht de ouders of de ouder zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen te laten dragen.

2.   ...............

3.   De gecertificeerde instelling bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige.

 

Als dit wel onder OTS valt, dan mag men verwachten dat dit ook vooraf aan de OTS geschiedde. Ouders hebben gedegen en deskùndige voorlichting, hulp en steun nodig waar er zorgen vermoed worden. De kind-ouderband (en familiebanden) dienen zoveel mogelijk gewaarborgd te worden. (EVRM art. 8 en op niveau IVRK art. 24 lid 1, naast lid 3 BW1:262.).

__

*: En ouders kennen de wet over henzèlf als óúders:   BW1:247:

 

De plicht voor ouders, de zorg bewaken:

 

"Artikel 247 BW1:        {Zie eindnoot}

1.    Het ouderlijk gezag omvat de plícht en het rècht van de ouder zijn minderjarig kind te verzòrgen en op te voeden.

2.     Onder verzorging en opvoeding worden méde verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de véíligheid van het kind alsmede het bevòrderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe. {En laten dat derhalve ook niet toe door jeugdzorgwerkers toegebracht}.

3.      Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.

4.      Een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, behoudt na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, na de ontbinding van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, of na het beëindigen van de samenleving indien een aantekening als bedoeld in artikel 252 BW1, eerste lid, is geplaatst, recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.

5.      Ouders kunnen ter uitvoering van het vierde lid in een overeenkomst of ouderschapsplan rekening houden met praktische belemmeringen die ontstaan in verband met de ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, de ontbinding van het geregistreerd partnerschap anders dan door de dood, of het beëindigen van de samenleving indien een aantekening als bedoeld in artikel 252 BW1, eerste lid, is geplaatst, echter uitsluitend voor zover en zolang de desbetreffende belemmeringen bestaan."

 |

Artikel 247a  BW1:

"Indien een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst en de ouders hun samenleving beëindigen, stellen zij een ouderschapsplan op als bedoeld in artikel 815, tweede en derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering." - Etc. (Het wetboek gaat door!)

 

Zelfs als er één ouder geen gezag heeft, heeft de andere ouder en de instanties zoals scholen wel de plicht tot inlichten van die gezagloze ouder: http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/boek1/titel15 :

 

BW1:377c:

“Lid 1.   Onverminderd het bepaalde in artikel 377b van dit boek wordt de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet. …”  (Ook deze andere artikelen dienen ouders te kennen.)

 

Geschillenregeling:

 

Artikel 262b uit BW1:

 

“Geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, die omtrent [klachtwaardige] gedragingen  als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, uitgezonderd, kunnen aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de gecertificeerde instelling, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst, een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Hij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.” –– Dit betekent, ouders, dat wanneer er een beschikking is van de rechtbank om nader onderzoek te doen naar de opvoedvaardigheden in het kader van uithuisplaatsing, u zeer actief en alert dient te worden, omdat de zaak dan juist stilgelegd wordt door de gezinsvoogdij, en deze vaak niets doet, geen onderzoek pleegt opdat de zaak escaleert. Ouders dienen schriftelijk snel te werken aan diagnostisch onderzoek, en stel daarbij termijnen, houdt data bij en herinner en ga desnoods naar de rechter in kort geding. Het gaat om uw kind en diens psychisch welzijn!!!

Het artikel BW1:262a is helaas niet in werking getreden:  http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/artikel262a  (= netwerkplaatsen bij bekenden in vertrouwde omgeving) en de vraag is waar de politici met hun hoofd waren om dit niet te bekrachtigen met de wetenschap hoe contra-indicatief uithuisplaatsen voor een kind is).

 

Spoed-Uithuisplaatsen met voorlopige OTS (vOTS):

 

Wetboek van de burgerlijke Rechtsvordering (Rv) artikel 800 lid 3:

“Lid 3.   De beschikkingen tot voorlopige ondertoezichtstelling (vOTS) van een minderjarige en tot machtiging van de gecertificeerde instelling (G.I., die gezinsvoogdij pleegt naar artikel 1.1 van de Jeugdwet) om een minderjarige uit huis te plaatsen (UHP) …  kunnen alleen dan áánstonds worden gegéven, indien de behandeling nìèt kan worden àfgewacht zònder ònmiddellijk èn èrnstig geváár voor de minderjarige. Deze beschikkingen verliezen haar kracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening {met kenbaar bewijs en wetenschappelijke uitleg} kenbaar te maken.”

De spoedig daarna plaatsvindende zitting is achter gesloten deuren:

 

Rv 803:

“lid 1.   In verband met de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van belanghebbenden, geschiedt de behandeling met geslóten déúren.

2.   De rechter kan evenwel op verzoek van een belanghebbende bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk openbaar is {maar de praktijk is dat de jeugdbescherming daartegen bezwaar maakt en niet toestaat}, indien zwaarwegende belangen bij openbaarheid daartoe aanleiding geven en de belangen als bedoeld in het eerste lid zich daartegen niet verzetten.”

 

Terwijl gezinsvoogd en raadsmedewerker ter zitting alles mogen beweren zonder beëdiging kunnen ouders geen deskundige ter zitting bij zich hebben om direct verweer op onjuistheden te uiten met onderbouwde uitleg:

 

Rv 810a, lid 2.  “In zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. …”   

 

Waar ouders alert op moeten zijn onder OTS:

 

BW1:263 t/m 265 schrijft voor wat ouders moeten en er tegen kunnen doen:

 

Artikel 263 BW1:

Lid 1.  De gecertificeerde instelling kan ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen {S.A.; vaak verdekt aangegeven zònder dit als aanwijzing te benoemen} geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.

Lid 2.  De met het gezag belaste ouder(s) en de minderjarige volgen een schriftelijke aanwijzing op.

Lid 3.  De gecertificeerde instelling kan de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Tegelijkertijd kan een door de wet toegelaten dwangmiddel worden verzocht bij niet nakoming van deze aanwijzing tenzij het belang van het kind zich tegen oplegging daarvan verzet.

|

Artikel 264 BW1:

Lid 1.  Op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder kan de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt.

2.  Bij de indiening van het verzoek wordt de beslissing van de gecertificeerde instelling overgelegd.

3.  De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.

4.  Ten aanzien van een na afloop van deze termijn ingediend verzoek blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de verzoeker redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest.

|

Artikel 265 BW1:

Lid 1.   Op verzoek van degene aan wie de aanwijzing is gericht, kan de gecertificeerde instelling een schriftelijke aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden geheel of gedeeltelijk intrekken.

2.  De gecertificeerde instelling geeft haar beslissing schriftelijk en binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.

3.   Artikel 264 is van overeenkomstige toepassing.

4.   Het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de gecertificeerde instelling staat gelijk met afwijzing van het verzoek. De termijn voor het indienen van het verzoek aan de kinderrechter loopt in dat geval door zolang de gecertificeerde instelling niet heeft beslist en eindigt, indien de gecertificeerde instelling alsnog beslist, na verloop van twee weken te rekenen met ingang van de dag waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.

 

Het kan erger worden:

 

Ken daarom BW1:262 e.v. op http://peterprinsen.nl/HERZIENINGOTS-2011.htm .

= Oudervervreemding door middel van:

 

Uithuisplaatsen: van kind (niet: van bedreigende ouder) :

 

BW1:265a (Uithuisplaatsen) :

 “Plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin geschiedt uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing.” -(en het gaat verder in het wetboek!!! Ken dat!)

 

En nog een graad erger na een jaar of twee:

 

BW1:266:

Afdeling 5. Beëindiging van het ouderlijk gezag

BW1:266 (‘Ontheffen’ uit ouderlijk gezag anno 2016 heet ‘beëindigen’ van gezag) : “

1.   De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid,* in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

2.   Het gezag van de ouder kan ook worden beëindigd indien het gezag is geschorst, mits aan het eerste lid is voldaan.

-(En ook hier gaat het wetboek verder en mag u preventief kennen!)

 

Hierbij wordt telkens de wetenschappelijke kennis op bijv. http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wertenschap-kind-oudercontact-schaden-is-schadelijk/ door de ‘jeugdzorg’ niet meegewogen, en de rechter is geen medicus (om misleiding door de gezinsvoogdij te onderkennen).

 

Ouders dienen wakker te zijn:

 

Ouders zullen dus naar BW1:247 zèlf actief, deskundig en beschermend dienen te zijn, en de juiste psycho-medische context bij de rechter te moeten bewijzen met stukken zwart op wit. Ouders kunnen tips verkrijgen bij orthopedagoog-generalisten en andere BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaars in de medische wereld.

 

Er bestaan rechtsbijstandverzekeringen, die ouders – naar advies –  bij het krijgen van een kind al moeten hebben lopen. De zorg voor jeugd is verdeeld in Nederland in dubieuze  ‘jeugdzorg’ en gekwalificeerde jeugd-gezondheidszorg. De eerste zoekt werk.

 

Het is daarom ook een preventief advies aan ouders altijd bij eerste contact bij aanvang aan elke hulpverlener diens beroepsregistratie en -nummer te vragen, die echte ‘professionals’ direct zal afgeven. Dit weigeren is een teken van onprofessioneel handelen.

 

De beroepsgeregistreerden hebben een beroepscode waaraan te meten is of ze zich houden aan de juiste zorg. Er staan klachtenprocedures open naast de rechtsprocedures en meldingen.

 

Om gedegen verweer te voeren tegen kwakzalverij, speculeren en insinueren door de niet-medische gezinsvoogdij en jeugdzorgwerkers (die vele misleidende namen kunnen gebruiken) is regelmatige inzage in dossiers hard nodig en dat mag naar de Wet bescherming persoonsgegevens:

 

 

Privé, dossiers, inzage, en controle:

 

Op basis van de Wbp (Wet bescherming persoonsgegevens) moeten instellingen, ook in de ‘jeugdzorg’, opgevraagde dossierstukken verstrekken en desgevraagd met uw bewijs gegevens aanpassen of verwijderen.                                                                                                                                  – 2016 –

 

(Geef dan wel een termijn op en houd die in de gaten en weet wat u moet doen aan herinnering en bij negatie!!!).

 

Er bestaat bij misstanden als meldpunt de AP.

 

De wet Wbp vanaf art. 35:

http://wetten.overheid.nl/BWBR0011468/2016-01-01#Hoofdstuk6  :

 

Wbp artikel 35 lid 1:

 “De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

lid 2.    Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.
3.      Voordat een verantwoordelijke een mededeling doet als bedoeld in het eerste lid, waartegen een derde naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt hij die derde in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de mededeling gegevens bevat die hem betreffen, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.
4.     Desgevraagd doet de verantwoordelijke mededelingen omtrent de logica die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens.”
|

Artikel 36 Wbp:

1.    Degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2.    De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.

3.    De verantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.

4.    Indien de persoonsgegevens zijn vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht, dan treft hij de voorzieningen die nodig zijn om de gebruiker van de gegevens te informeren over de onmogelijkheid van verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming ondanks het feit dat er grond is voor aanpassing van de gegevens op grond van dit artikel.

5.    Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing op bij de wet ingestelde openbare registers, indien in die wet een bijzondere procedure voor de verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van gegevens is opgenomen.
|

Artikel 37 Wbp:
1.
    Indien een gewichtig belang van de verzoeker dit eist, voldoet de verantwoordelijke aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 35 en 36,  in een andere dan schriftelijke vorm, die aan dat belang is aangepast.

2.    De verantwoordelijke draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.

3.    De verzoeken, bedoeld in de artikelen 35 en 36, worden ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt eveneens aan de wettelijke vertegenwoordigers.

|

Artikel 38 Wbp:

1.     De verantwoordelijke die naar aanleiding van een verzoek op grond van artikel 36 persoonsgegevens heeft verbeterd, aangevuld, verwijderd of afgeschermd, is verplicht om aan derden aan wie de gegevens daaraan voorafgaand zijn verstrekt, zo spoedig mogelijk kennis te geven van de verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.

2.    De verantwoordelijke doet aan de verzoeker, bedoeld in artikel 36, desgevraagd opgave van degenen aan wie hij de mededeling heeft gedaan.
|

Artikel 39 Wbp:

1.    De verantwoordelijke kan voor een mededeling als bedoeld in artikel 35 een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen vergoeding van kosten verlangen die ten hoogste € 5 bedraagt.**
2.    De vergoeding wordt teruggegeven in geval de verantwoordelijke op verzoek van de betrokkene, op aanbeveling van het College of op bevel van de rechter tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming is overgegaan.
3.    Het **bedrag genoemd in het eerste lid kan in bijzondere gevallen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd. {Maar overweeg ook het McMichael-arrest, EHRM, 24-2-1995***}
|

Artikel 40 Wbp: 
1.
   Indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onder e en f, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde verzet aantekenen in verband met zijn bijzondere……… . . . .

Etc. {En zo gaat die wet verder}….

 

***:

En onderaan op  http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wat-wetenschap-uhp-missen-van-ouders/

staan meer arresten naast het McMichael-arrest e.a. voor dossierstukken aan beide partijen in juridisch (jeugdbeschermings)proces: gratis!

 

De Autoriteit Persoonsgegevens voor controle

en meldingen:

 

De AP, de Autoriteit Persoonsgegevens:

https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/contact-met-de-autoriteit-persoonsgegevens/tip-ons , en meer aldaar.

 

De Awb:

De link naar de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarin geschreven is over Beslissingen, besluiten, bezwaar, klachten, enz.: http://maxius.nl/algemene-wet-bestuursrecht .

Dit moeten ouders in juridisch proces, wat OTS is, kennen.

 

Er zijn Beginselen van Behoorlijk Bestuur:

 

Beginselen van  behoorlijk bestuur cq. fatsoen:

[Naar: ‘Bestuursrecht, 4e herziene druk’, 1996, van prof.mr.P. Nicolaï e.a.]

 

-  zorgvuldigheidsbeginsel =

Besluiten dienen met de nódige zorgvuldigheid te worden voorbereid èn genomen.  Hieruit vloeien voort : eisen betreffende een correcte bejegening (mededelingsplicht, waarschuwingsplicht, gelegenheid tot herstel van verzuim, hoorplicht, inspraak);

eisen betreffende zorgvuldig onderzoek;

eisen betreffende zorgvuldige beslissingsprocedure;

eisen betreffende een deugdelijke besluitvorming.

 

-  beginsel van draagkrachtige motivering =

            Hieruit vloeien voort : eisen met betrekking tot de begrijpelijkheid van de argumentatie;

            eisen m.b.t. de aanvaardbaarheid van de kwalificatie der feiten.

 

-  gelijkheidsbeginsel =

      Gelijke gevallen dienen gelijk behandeld te worden [voorgaande fouten daargelaten].

 

-  vertrouwensbeginsel =

Gerechtvaardigde verwachtingen moeten, indien maar enigszins mogelijk, worden gehonoreerd.

 

-  redelijkheidsbeginsel =

         De belangen-afweging dient te voldoen aan de eisen van redelijkheid en billijkheid.

 

-  beginsel van kenbare motivering =

Een besluit moet voor betrokkene op kenbare wijze zijn gemotiveerd.  Hieruit vloeien voort  eisen m.b.t. de wijze van kennisgeving.

 

Naar wet herleidt:

 

- Men dient het 'fair-play beginsel' in acht te nemen; de instelling dient haar taak zonder vooringenomenheid dus onpartijdig te vervullen (art. 2:4 Awb).

- Geheimhoudingsplicht t.o.v. gegevens met een vertrouwelijk karakter (Awb 2:5).

- Instellingen dienen het zorgvuldigheidsbeginsel in acht te nemen (Awb 3:2).

- Mag geen misbruik maken van haar machtspositie (Awb 3:3).

- Evenredigheidsbeginsel: nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (Awb 3:4).

- Alles deugdelijk motiveren (Awb 4:13 en 4:15). Ook termijnen.

(Verwijzing naar: Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Koens 1998a, pag.39-40.)

 

In het McMichael-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens d.d. 24-02-1995 wordt cruciaal geacht dat “alle papieren c.q. stukken door beide partijen kunnen worden ingezien voor een rechtsprocedure”. Dit was McMichael daarvoor onthouden door de tegenpartij. – Inzage van dossier bij jeugdzorg-instellingen worden tegen de wet in vaak niet compleet gegeven inclusief contactjournaals, diagnostische of zgn. expertiserapporten, en werkaantekeningen die – belangrijk – hebben geleid tot een beslissing (die leidde tot de reeks rechtszaken OTS en mogelijk erger). Ook ziet de inspectie niet het hele dossier als de gezinsvoogdij dat niet wil. {Zie onderaan meer dan  het McMichael-arrest op: http://jeugdbescherming.jimdo.com/kwaliteit/wat-wetenschap-uhp-missen-van-ouders/ }.

 

Ook dit:

Beginselen van behoorlijk bestuur (gemeente, de daaronder van overheidswege vallende ‘zorg’):

 

Formele beginselen

 

Iedere bevoegdheid van de overheid (inclusief die van de gedecentraliseerde overheden zoals waterschappen, provincies, gemeentes) om besluiten te mogen maken moet terug te voeren zijn op bevoegdheid die door de formele wetgever is toebedeeld.

Voorbeelden zijn: legaliteitsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel,en het formele rechtszekerheidsbeginsel:

  • Legaliteitsbeginsel. Er is geen bevoegdheid zonder grondslag in wet of Grondwet.
  • Zorgvuldigheidsbeginsel. De overheid moet een besluit zorgvuldig voorbereiden en nemen: correcte behandeling van de burger, zorgvuldig onderzoek naar de feiten en belangen, procedure goed volgen en deugdelijke besluitvorming (art. 3:2 Awb).
  • Motiveringsbeginsel. De overheid moet haar besluiten goed motiveren: de feiten moeten kloppen en de motivering moet logisch en begrijpelijk zijn (art. 3:46 Awb).
  • Rechtszekerheidsbeginsel. De overheid moet haar besluiten zó formuleren dat de burger precies weet waar hij aan toe is of wat de overheid van hem verlangt. Bovendien moet de overheid de geldende rechtsregels juist en consequent toepassen.
  • Verbod op détournement de procédure. Er mag geen lichtere procedure worden gevolgd om tot een besluit te komen, wanneer daarvoor een met meer waarborgen omklede procedure openstaat.
  • Vertrouwensbeginsel. Wie op goede gronden -bijvoorbeeld na een duidelijke toezegging- erop mag vertrouwen dat de overheid een bepaald besluit neemt, heeft daar ook recht op.

Materiële beginselen

 

De materiële beginselen hebben betrekking op de inhoud van bestuursbesluiten. Voorbeelden zijn: specialiteitsbeginselmateriële rechtszekerheidsbeginselFair-play-beginselvertrouwensbeginselgelijkheidsbeginsel  en het  verbod op détournement de pouvoir.

 

  • Specialiteitsbeginsel. Een bestuursorgaan mag alleen die belangen behartigen waarvoor de betrokken wet of regeling een grondslag biedt (art. 3:4 lid 1 Awb).
  • Rechtszekerheidsbeginsel. De overheid moet haar besluiten zó formuleren dat de burger precies weet waar hij aan toe is of wat de overheid van hem verlangt. Bovendien moet de overheid de geldende rechtsregels juist en consequent toepassen.
  • Evenredigheidsbeginsel. De overheid moet ervoor zorgen dat de lasten of nadelige gevolgen van een overheidsbesluit voor een burger niet zwaarder zijn dan het algemeen belang van het besluit (art. 3:4 lid 2 Awb).
  • Vertrouwensbeginsel (materiële rechtszekerheid). Een burger mag, onder bepaalde voorwaarden, kunnen vertrouwen op uitlatingen van een bestuursorgaan waarin dingen worden toegezegd maar die later niet nagekomen (kunnen) worden door het bestuursorgaan.
  • Gelijkheidsbeginsel. De overheid moet gelijke gevallen op gelijke wijze behandelen (art. 1 Grondwet).
  • Fair-play-beginsel. De overheid moet zich onpartijdig opstellen bij het nemen van een besluit en moet de noodzakelijke openheid en eerlijkheid in acht nemen (art. 2:4 Awb).
  • Verbod van détournement de pouvoir. Een bestuursorgaan mag de hem geattribueerde of gedelegeerde bevoegdheid alleen gebruiken voor het doel waarvoor die bevoegdheid is gegeven (art. 3:3 Awb).

De overheid mag geen zaken regelen die niet binnen haar bevoegdheid liggen of die willekeur oproepen.

De overheid mag bijvoorbeeld geen fluoride aan drinkwater toevoegen, op het moment dat zij moet zorgen voor gezond drinkwater. Zij treedt hiermee namelijk buiten haar opgelegde verplichtingen en bevoegdheden.

      Literatuur: 

 

Artikel [6:]162, lid 2, Burgerlijk Wetboek 6:

 

Civielrechtelijke zorgvuldigheidsnormen:

“Als onrechtmatige daad  worden aangemerkt  een inbreuk op het recht en een doen-of-nalaten-in-strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer [fatsoen] betaamt, een en ander  behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.”  

Men vindt meer op  www.wetten.nl (vinkje wegdoen bij zoeken).

 

 

 

Betekening van gijzeling c.q. uithuisplaatsingen:

Tweede Boek. Rv, Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen, beschikkingen en authentieke akten

 

Eerste titel. Algemene regels

Artikel 430 Rv:

lid 1.    De grossen van in Nederland gewezen vonnissen, van beschikkingen van de Nederlandse rechter en van in Nederland verleden authentieke akten alsmede van andere bij de wet als executoriale titel aangewezen stukken kunnen in geheel Nederland worden ten uitvoer gelegd.

lid 2.   Zij moeten aan het hoofd voeren de woorden: In naam van de Koning.

lid 3.   Zij kunnen niet worden ten uitvoer gelegd dan ná betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten.” (Deurwaarder doet dat}.

Over het algemeen houdt de RvdK, de gezinsvoogdij en de politie zich daar niet aan!

  |

Artikel 434 Rv:

De overhandiging van de executoriale titel, waarvan men de uitvoering verlangt, aan de deurwaarder, machtigt hem in die zaak tot het doen van de gehele executie, uit die titel voortvloeiende, met uitzondering alleen van die bij lijfsdwang, waartoe een bijzondere volmacht vereist wordt.”

 

 

 ^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^ 

Eindnoot Ω :      {Althans, bijna einde, maar niet helemaal!!!}

 

Onder OTS betwiste hulpverleningstrajecten:

 

       De ouders hebben naar BW1:247 dus mede de plicht de zorg te bewaken (en liefst preventief kennis te nemen van welke kwaliteitsniveaus aan zorg er bestaan in Nederland, waar 'jeugdzorg' naast jeugd-gezondheidszorg, ook op orthopedagogisch en psychologisch gebied. De laatste is hoogwaardiger).

 

       De mate van zorg, dus ook de mate van kwaliteit van zorg, kan juridisch gemeten worden met o.a. het internationaal kinderrecht IVRK artikel 24 lid 1 en 25, respectievelijk ten aanzien van de mate van zorg en de regelmatige hoogstaande evaluatie van de dwangzorg, waar dus ook de nulmeting vòòraf tot het behoorlijk bestuur behoort.

       De Jeugdwet staat met enige wetsartikelen haaks op deze taak voor ouders en het kinderrecht.

       De Jeugdwet stelt dat de gemeente of gedelegeerde (G.I.) de zorg kan bepalen, zonder overleg met de ouders. Het medisch 'informed consent' wordt dus onder 'jeugdzorg' genegeerd of verzwegen.

       Ex-kinderrechter mw. mr. A.M. Quik-Schuijt zegt in FJR 2015/51: "In de medische wereld speelt het begrip informed consent een belangrijke rol. In de jeugdzorg is dat begrip in het kader van de drang/dwang-controverse m.i. eveneens van kapitaal belang."

       Toch hield de Jeugdwet (dus in feite de Kamerleden) hier geen rekening mee, met het argument dat ouders onder OTS, en die de geboden zorg weigeren, niet is staat zouden zijn de juiste zorg te accepteren.

Waar de mate van zorg betwist wordt door de gemeente of G.I. enerzijds en de ouders anderzijds

 

        Jeugdwet: Artikel 1.2 lid 1. Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen: c. indien het college gegrònde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.

{Hier staat dat de gedelegeerde [ambtenaar: Jw 2.11.1; zie Jw 12.3.1.5 over gemeentelijke geldigheid Awb] van de gemeente de keuze heeft in ‘beste zorg voor het kind’.}.

    Artikel 2.11 lid 1   Het college kan de uitvoering van deze wet door derden laten verrichten, en lid 3 In afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 kan het college {dus de gedelegeerde, de G.I., de gezinsvoogd}  een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen.

{Hier kan de gemeente een te goedkope, kwalitatief niet-passende zorg aanbieden, hetwelk mogelijk maakt ter discussie komen te staan.}.

    Artikel 3.5 lid 1 De gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering…..

{Hier kan de gemeente of gedelegeerde zich achter verschuilen.}.

 

       De G.I./gezinsvoogd zal bij betwisten van de naar ouders' idee te slechte zorg, ongediagnosticeerde zorg, of niet-therapeutische zorg,  een schriftelijke Aanwijzing (SA) verstrekken en daarbij deze Jeugdwetgeving gebruiken om hun speculatieve zorg door te zetten (waar veelal geen open diagnose aan hun advies ten grondslag ligt).

       Hier weten de ouders dat bij betwisting en bij een SA ze snèl naar recht 2x naar de rechter moeten stappen, om de mate van zorg te bewaken met de wet- en regelgeving die ruimte biedt het kwaliteitsniveau van de zorg aan te passen bij die het kind diagnostisch nodig heeft, en wel de hoogste mate van gezondheidszorg (IVRK 24.1), dit naar hun plicht van overheidswege gesteld volgens BW1:247, lid 1 en 2. 

       Ook kunnen de ouders naar IVRK artikel 25 {"Een kind dat uit huis is geplaatst voor zorg, bescherming of behandeling van zijn of haar geestelijke of lichamelijke gezondheid, heeft recht op een regelmatige evaluatie van zijn of haar behandeling en of de uithuisplaatsing nog nodig is."} alsnog een beroep doen op degelijke metingen, diagnostisch gebaseerd om de dwangzorg te bewaken tot het nut van OTS en UitHuisPlaatsing, dus geen 'evaluatie' op meningen van de G.I., doch kwalitatief gemeten.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Ook leerzaam zijn de Precedente uitspraken van rechters en hoger beroepszaken.

Nuttig een spiekbriefje te maken:

In de Dropbox staat https://www.dropbox.com/s/vl5nevwykgs9shn/wet-Kinderbeschermingsmaatregelen%2718%20BW1%20Titel14%20Afdeling4.pdf?dl=0 *  en daarvoor hoeft men nìèt in te loggen. Dus wanneer ge een inlogscherm ziet: gewoon wegklikken!

Deze PDF geeft een overzicht van de jeugdbeschermingswetgeving.

 

Meer staat op https://jeugdbescherming.jimdo.com/wetten-en-regelgeving/ met de belangrijkste andere wetten, maar ook precedenten en over dossierinzage (McMichael-arrest e.d.).

Een overzicht en knelpunten is te vonden op https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/overzicht-wetten-knelpunt met andere te gebruiken arresten.

 

Gebruik precedenten en arresten wel zonder tegen haren in te strijken, gewoon niet om je te verzetten tegen de jeugdzorg doch om naar het meer optimale belang van het kind-met-twee-ouders te werken. Vertel dus vanuit de ontvankelijke opgroeiende! U kent daarom veel over de ontwikkelingspsychologie, uit bijvoorbeeld boeken uit de bibliotheek of van tips van uw eigen orthopedagoog-generalist (gezòndheidszorg; dus niet jeugdzorg of wijkteam).

Het verschil tussen jeugdzorg met de diverse ketenpartners, en de gezondheidszorg met hogere beroepsregistraties dienen ouders echt te kennen!!!

Op www.wetten.nl kan men verdere wetgeving en meer artikelen en verdragen opzoeken.

 

 

 

*:  Maatregelen van Kinderbescherming – BW boek 1 Titel 14 Afdeling 4 :

 

 

 

Burgerlijk Wetboek – Titel 14 - Maatregelen van Kinderbescherming

Afdeling 4. Ondertoezichtstelling van minderjarigen

Artikel 254    (BW1:254 ; en achter elk artikel staat de kern van elk artikel) :

In deze afdeling wordt verstaan onder gecertificeerde instelling: gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet {geldend vanaf 1-1-2015}.  

 

Artikel 255    ONDERTOEZICHTSTELLING

1. De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, èn 

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.

2. De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie. Tevens zijn een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad voor de kinderbescherming niet tot indiening van het verzoek overgaat.

3. Indien de raad niet tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling overgaat nadat hij een verzoek tot onderzoek als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Jeugdwet heeft ontvangen, deelt hij dit schriftelijk mee aan het college van burgemeester en wethouders dat het verzoek heeft gedaan. De burgemeester kan na ontvangst van die mededeling de raad voor de kinderbescherming verzoeken het oordeel van de kinderrechter te vragen of het noodzakelijk is de minderjarige onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling. De raad voor de kinderbescherming die van de burgemeester zodanig verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de kinderrechter of een ondertoezichtstelling van de minderjarige moet volgen. In dat geval kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling ambtshalve uitspreken.

4. De kinderrechter vermeldt in de beschikking de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de

minderjarige alsmede de daarop afgestemde duur waarvoor de ondertoezichtstelling zal gelden.

5. Indien het verzoek, bedoeld in het tweede lid, niet alle minderjarigen betreft over wie de ouders of de ouder het gezag uitoefenen, kan de kinderrechter dit op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of ambtshalve aanvullen, en deze minderjarigen, mits aan de grond van het eerste lid is voldaan, eveneens onder toezicht stellen.

 

Artikel 256    Vreemdelingen

1. De kinderrechter kan een minderjarige door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is ingediend en die in verband daarmee in een centrum als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers verblijft, onder toezicht stellen van een daartoe door Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon.

2. Onze Minister van Justitie kan voorwaarden stellen bij of voorschriften verbinden aan de aanvaarding, bedoeld in het eerste lid, en de rechtspersoon voor een bepaalde tijd aanvaarden.

3. Op de ondertoezichtstelling en een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid zijn de bepalingen van de afdelingen 4 en 5 alsmede artikel 326 van overeenkomstige toepassing.

4. In geval van vervanging van de rechtspersoon op grond van artikel 259, wordt een gecertificeerde instelling benoemd die een contract of een subsidierelatie heeft met de gemeente waar de minderjarige zijn woonplaats als bedoeld in de Jeugdwet heeft. Hetzelfde geldt indien de rechtspersoon niet meer voldoet aan de eisen voor benoeming, bedoeld in het eerste lid, in welk geval de kinderrechter ambtshalve tot vervanging overgaat, tenzij voortzetting van de taken door bedoelde rechtspersoon om reden van continuïteit noodzakelijk is.

 

Artikel 257 VOORLOPIGE OTS

1. De kinderrechter kan de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.

2. Het tweede lid van artikel 255 is van overeenkomstige toepassing. De kinderrechter bepaalt de duur van dit toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde herroepen.

 

Artikel 258 Duur OTS

De duur van de ondertoezichtstelling is, behoudens verlenging als bedoeld in artikel 260, ten hoogste een jaar. De duur van de voorlopige ondertoezichtstelling komt hierop niet in mindering.

 

Artikel 259 Vervanging G.I.

De kinderrechter kan de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling, op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder.

 

Artikel 260 Verlenging OTS

1. De kinderrechter kan, mits aan de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

2. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft. Indien deze gecertificeerde instelling niet tot een verzoek overgaat, zijn de raad voor de kinderbescherming, een ouder, degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en het openbaar ministerie bevoegd tot het doen van het verzoek.

 

Artikel 261 Opheffing OTS

1. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, niet langer is vervuld.

2. Hij kan dit doen op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft. Indien deze gecertificeerde instelling niet tot een verzoek overgaat, zijn de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder bevoegd tot het doen van het verzoek.

 

Artikel 262 ,.. Taken G.I. (en ouders mogen hieraan herinneren!)

1. De gecertificeerde instelling houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouders of ouder hulp en steun worden geboden opdat de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige, bedoeld in artikel 255, vijfde lid, binnen de duur van de ondertoezichtstelling worden weggenomen. De inspanningen van de gecertificeerde instelling zijn erop gericht de ouders of de ouder zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen te laten dragen.

2. Indien het ontwikkelingsniveau van de minderjarige en diens bekwaamheid en behoefte zelfstandig te handelen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten  daartoe aanleiding geven, zijn de inspanningen van de gecertificeerde instelling dienovereenkomstig mede gericht op het vergroten van de zelfstandigheid van de minderjarige.

3. De gecertificeerde instelling bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige. {EVRM8}

{Artikel 262a ---{Helaas is dit artikel door de lobby weggestemd, wat tekenend is! = Dus niet geldig:}

[Red: Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2014/442.]

1. De stichting stelt ter uitvoering van haar taak als eerste de ouder of ouders met gezag in de gelegenheid om samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving behoren binnen zes weken een plan van aanpak op te stellen of een bestaand plan aan te passen. Slechts indien de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van het kind hiertoe aanleiding geven of de belangen van het kind anderszins geschaad worden, kan de stichting hiervan afzien.

2. Indien het plan van aanpak geschikt is om binnen de duur van de ondertoezichtstelling de concrete bedreigingen, bedoeld in artikel 255, vijfde lid, weg te nemen, geldt het als het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg. Indien het plan van aanpak naar het oordeel van de stichting niet geschikt is om de concrete bedreigingen weg te nemen, deelt de stichting dit binnen vijf werkdagen na de aanbieding van het plan van aanpak gemotiveerd aan de ouder of ouders met gezag mede, en stelt zij hen in de gelegenheid om het plan van aanpak binnen twee weken aan te passen. Indien de stichting binnen deze termijn geen aangepast plan van aanpak ontvangt of een plan van aanpak ontvangt dat naar haar oordeel evenmin geschikt is om de concrete bedreigingen weg te nemen, stelt zij alsnog zelf een plan als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg op.

3. Op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder kan de kinderrechter het plan van aanpak laten gelden als het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg. Artikel 264, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. [DUS NIET GELDEND!}

 

Artikel 262b    Geschillen  [!!!]

Geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, die omtrent gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, uitgezonderd, kunnen aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de gecertificeerde instelling, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst, een zodanige beslissing als   hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Hij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.

 

Artikel 263    Schriftelijke Aanwijzing (S.A.)

1. De gecertificeerde instelling kan ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.

2. De met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige volgen een schriftelijke aanwijzing op.

3. De gecertificeerde instelling kan de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Tegelijkertijd kan een door de wet toegelaten dwangmiddel worden verzocht bij niet nakoming van deze aanwijzing tenzij het belang van het kind zich tegen oplegging daarvan verzet.

 

Artikel 264    Vervallen verklaring S.A.  {Speciaal voor ouders!} [!!!]

1. Op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder kan de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt.

2. Bij de indiening van het verzoek wordt de beslissing van de gecertificeerde instelling overgelegd.

3. De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.

4. Ten aanzien van een na afloop van deze termijn ingediend verzoek blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de verzoeker redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest.

 

Artikel 265    Gewijzigde omstandigheden na S.A.

1. Op verzoek van degene aan wie de aanwijzing is gericht, kan de gecertificeerde instelling een schriftelijke aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden geheel of gedeeltelijk intrekken.

2. De gecertificeerde instelling geeft haar beslissing schriftelijk en binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.

3. Artikel 264 is van overeenkomstige toepassing.

4. Het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de gecertificeerde instelling staat gelijk met afwijzing van het verzoek. De termijn voor het indienen van het verzoek aan de kinderrechter loopt in dat geval door zolang de gecertificeerde instelling niet heeft beslist en eindigt, indien de gecertificeerde instelling alsnog beslist, na verloop van twee weken te rekenen met   ingang van de dag waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.

 

Artikel 265a      UITHUISPLAATSING   [!!!]

Plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin geschiedt uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing.

 

Artikel 265b     Verzorging / onderzoek  [!!!]

1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

2. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of op verzoek van het openbaar ministerie. De raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie legt bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, het besluit van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet over.

3. De kinderrechter kan in afwijking van het tweede lid een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder dat het college van burgemeester en wethouders een daartoe strekkend besluit heeft genomen, indien het belang van het kind dit vergt.

4. Voor opneming en verblijf als bedoeld in artikel 6.1.2, eerste lid, of 6.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet is geen machtiging als bedoeld in het eerste lid vereist, doch een machtiging als bedoeld in genoemde artikelleden. Deze machtiging geldt voor de toepassing van artikel 265a als een machtiging als bedoeld in het eerste lid.  {Zie Rv810a} 

 

Artikel 265c     Duur machtiging UHP

1. De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing is, behoudens verlènging als bedoeld in het tweede lid, ten hoogste een jaar. Indien een minderjarige voorlopig onder toezicht is gesteld en gelijktijdig een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend, komt de duur hiervan niet in mindering op de termijn van ten hoogste een jaar.

2. Op verzoek van de gecertificeerde instelling kan de kinderrechter de duur telkens met ten hoogste een jaar verlengen. {Let op: elk jaar kan er verlengd worden, dus werk aan het oplossen van de inhoud van BW1:255. Doe dat schriftelijk en officieel met de Awb}. Indien de gecertificeerde instelling niet overgaat tot een verzoek, kan verlenging plaatsvinden op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie.

3. Een machtiging vervalt indien deze na verloop van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd.

Artikel 265d     Beëindiging UHP

1. Een uithuisplaatsing kan door de gecertificeerde instelling worden beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot het verrichten van het onderzoek, bedoeld in artikel 265b, eerste lid, en het belang van de minderjarige zich tegen beëindiging niet verzet.

2. De met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder of een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt kunnen wegens gewijzigde omstandigheden de gecertificeerde instelling verzoeken:

a. de uithuisplaatsing te beëindiging;

b. de duur ervan te bekorten {bijv. met oog op Rv810a};

c. af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige, tenzij de toestemming reeds met toepassing van artikel 265i is verleend.

3. De gecertificeerde instelling geeft een schriftelijke beslissing binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.

4. Op verzoek van een in het tweede lid genoemde persoon kan de kinderrechter de machtiging geheel of gedeeltelijk intrekken of de duur ervan bekorten. Artikel 264, eerste lid, tweede volzin, tweede tot en met vierde lid, alsmede artikel 265, vierde lid, zijn van toepassing.

 

Artikel 265e    Gezag gedeeltelijk overnemen

1. De kinderrechter kan bij de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing en ook nadat deze machtiging is verleend, op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Hij kan dit doen met betrekking tot:

a. de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling,

b. het geven van toestemming voor een medische behandeling van de minderjarige jonger dan twaalf jaar of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, òf  

c. het doen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning ten behoeve van de minderjarige als bedoeld in de artikelen 14 of 28 van de Vreemdelingenwet 2000.

2. De duur van de gedeeltelijke uitoefening van het gezag is niet langer dan die van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing.

3. De kinderrechter kan de duur van de gedeeltelijke uitoefening van het gezag telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4. Op verzoek kan een beslissing als bedoeld in het eerste of derde lid wegens gewijzigde omstandigheden worden gewijzigd.

5. De verzoeken, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, kunnen worden gedaan door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent. Indien deze gecertificeerde instelling niet tot een verzoek overgaat, zijn de raad voor de kinderbescherming of degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek.

 

Artikel 265f    Beperking contact

1. Voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, kan de gecertificeerde instelling voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken.

2. De beslissing van de gecertificeerde instelling geldt als een schriftelijke aanwijzing. Artikel 264 en artikel 265 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

 

Artikel 265g    Zorgverdeling / OGR

1. Voor de duur van de ondertoezichtstelling kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

2. Op het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling kan de kinderrechter de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3. Zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling als een regeling als bedoeld in artikel 253a, tweede lid, onder a, dan wel artikel 377a, tweede lid.

 

Artikel 265h     Medische behandeling

1. Indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert, kan deze toestemming op verzoek van de gecertificeerde instelling worden vervangen door die van de kinderrechter.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een medische behandeling van een minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.

 

Artikel 265i     Wijziging verblijf

1. De gecertificeerde instelling behoeft de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander als de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin.

2. De toestemming wordt door de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.

3. Indien de kinderrechter het verzoek, bedoeld in het tweede lid, afwijst, kan hij tevens bepalen dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van kracht blijven voor ten hoogste een jaar. De gecertificeerde instelling is gehouden de machtiging tot uithuisplaatsing ten uitvoer te leggen.

 

Artikel 265j     Niet-verlenging

1. Indien de gecertificeerde instelling oordeelt dat niet-verlenging van de ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 260, tweede lid, of niet-verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, bedoeld in artikel 265c, tweede lid, aangewezen is, doet zij hiervan tijdig doch uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de duur van de ondertoezichtstelling of machtiging tot uithuisplaatsing en onder overlegging van een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling of de uithuisplaatsing mededeling aan de raad voor de kinderbescherming.

2. De gecertificeerde instelling kan een uithuisplaatsing gedurende de termijn waarvoor zij is toegestaan beëindiging. De gecertificeerde instelling doet van het voornemen daartoe tijdig doch uiterlijk een maand voor het voorgenomen tijdstip van beëindiging en onder overlegging van een verslag van het verloop van de uithuisplaatsing, mededeling aan de raad voor de kinderbescherming.

3. Indien een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, gaat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de gecertificeerde instelling vergezeld van een advies van de raad voor de kinderbescherming met betrekking tot de verlenging van die ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling doet van het voornemen tot een voornoemd verzoek tijdig doch uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de ondertoezichtstelling mededeling aan de raad voor de kinderbescherming.

 

Artikel 265k      Zonder advocaat, behalve

1. Verzoeken op grond van deze afdeling worden schriftelijk gedaan. Voor zover zij aan de kinderrechter zijn gericht, kunnen zij worden ingediend zonder advocaat met uitzondering van het verzoek bedoeld in artikel 262b. <geschillen>

2. De gecertificeerde instelling die een verzoek indient of ter terechtzitting wordt opgeroepen, zendt bij het verzoekschrift of onverwijld na de oproep, het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet, en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling aan de kinderrechter.

3. Het plan en het verslag, bedoeld in het tweede lid, worden eveneens gezonden aan de raad voor de kinderbescherming.

4. De verzoeken die de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak tot de rechter richt, kunnen worden ingediend zonder advocaat en worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en uittreksels, die zij tot dat doel aanvraagt, worden haar door de griffiers vrij van alle kosten uitgereikt.

 

Afdeling 5. Beëindiging van het ouderlijk gezag

 

BW1: Artikel 266    Beëindiging gezag    {Vroeger: ontheffing uit ouderlijk gezag}    [!!!]

1. De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindiging indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

2. Het gezag van de ouder kan ook worden beëindigd indien het gezag is geschorst, mits aan het eerste lid is voldaan.

 

Artikel 267

1. Beëindiging van het gezag kan worden uitgesproken op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie. Tevens is degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad voor de kinderbescherming niet tot een verzoek overgaat.

2. Indien de raad niet tot een verzoek als bedoeld in het eerste lid overgaat nadat hij een verzoek tot onderzoek hiertoe van de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling over de minderjarige uitvoert, heeft ontvangen, deelt hij dit schriftelijk mee aan die gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling kan na ontvangst van die mededeling de raad voor de kinderbescherming verzoeken het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag het noodzakelijk is. De raad voor de kinderbescherming die van de gecertificeerde instelling zodanig verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de rechtbank of een beëindiging van het gezag moet volgen. In dat geval kan de rechtbank de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken.

 

Artikel 268  {Bij omgangssabotage e.d.}

1. De rechtbank kan één ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag schorsen indien:

a. een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 266, eerste lid, aanhef en onder a of b is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen, of

b. een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en een ouder die het gezag uitoefent toestemming daarvoor weigert.

2. Indien de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, wordt gedurende de schorsing van het gezag van één van hen het gezag door de andere ouder alleen uitgeoefend, tenzij de kinderrechter een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, met de voorlopige voogdij over het kind belast. In dat geval is ook het gezag van deze ouder geschorst.

3. Betreft de schorsing beide ouders of een ouder die alleen het gezag uitoefent, dan belast de rechtbank een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, met de voorlopige voogdij over de minderjarige. De gecertificeerde instelling heeft de bevoegdheden van een voogd.

4. Artikel 267 is van overeenkomstige toepassing.

5. De schorsing in de uitoefening van het gezag vervalt na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn beëindiging van het gezag is verzocht.

 

Artikel 269

In plaats van schorsing van beide ouders of van een ouder in de uitoefening van het gezag als bedoeld in artikel 268, kan de rechtbank een kind onder toezicht stellen als bedoeld in artikel 255 mits aan de grond hiervoor is voldaan.

Artikel 270 – 273 [Vervallen per 01-01-2015]

 

Artikel 274

1. Indien de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, wordt na de beëindiging van het gezag van een van hen voortaan het gezag door de andere ouder alleen uitgeoefend.

2. In geval van beëindiging van het gezag van een ouder, die het gezag alleen uitoefent, kan de andere ouder de rechtbank te allen tijde verzoeken met de uitoefening van het gezag te worden belast. Dit verzoek wordt ingewilligd indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.

3. De rechtbank die het verzoek bedoeld bij het vorige lid heeft afgewezen, kan deze beschikking steeds wijzigen. Zij doet dit echter slechts op verzoek van de betrokken ouder, en niet dan op grond van omstandigheden, waarmede de rechter bij het geven van de beschikking geen rekening heeft kunnen houden.

 

Artikel 275

1. Indien de andere ouder het gezag niet voortaan alleen uitoefent, benoemt de rechtbank een voogd over de minderjarigen.

2. Ieder die tot uitoefening van de voogdij bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de rechtbank verzoeken met de voogdij te worden belast.

3. In geval van beëindiging van het gezag op verzoek van de pleegouders benoemt de rechtbank bij voorkeur tot voogd degenen, dan wel degene, die op het tijdstip van het verzoek de minderjarige ten minste een jaar als behorende tot hun gezin hebben verzorgd en opgevoed, mits dezen bevoegd zijn tot de voogdij.

 

Artikel 276

1. Indien de ouder wiens gezag is beëindigd het bewind over het vermogen van zijn kinderen voerde, wordt hij tevens veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan zijn opvolger in dit bewind.

2. Hebben de kinderen goederen gemeen, maar komen zij onder het gezag van verschillende personen, dan kan de rechtbank een van dezen of een derde aanwijzen om over deze goederen tot de verdeling het bewind te voeren. De aangewezen bewindvoerder stelt de waarborgen die de rechtbank van hem verlangt.

 

3. Op het bewind krachtens het vorige lid is artikel 253k van toepassing, indien een der ouders als bewindvoerder is aangewezen, en anders paragraaf 10 van afdeling 6 van deze titel. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van minderjarige deelgenoten, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.

 

Artikel 277

1. De rechtbank kan de ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen indien:

a. herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en

b. de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen.

2. Indien ter gelegenheid van de beëindiging van het gezag het gezag aan de andere ouder is opgedragen, belast de rechtbank de ouder wiens gezag was beëindigd en deze alleen het in het eerste lid bedoelde verzoek doet, niet met het gezag, tenzij de omstandigheden na het nemen van de beschikking waarbij het gezag aan de andere ouder werd opgedragen, zijn gewijzigd of bij het nemen van de beschikking van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Artikel 253e is van overeenkomstige toepassing.

 

BW1: Artikel 278

1. Een verzoek als bedoeld in artikel 277 van dit boek kan ook worden gedaan door de raad voor de kinderbescherming.

2. Hangende het onderzoek kan zowel de raad voor de kinderbescherming als de te herstellen ouder de rechtbank verzoeken de beslissing aan te houden tot het einde van een door haar te bepalen proeftijd van ten hoogste zes maanden; gedurende die tijd zal het kind bij de in het gezag te herstellen ouder verblijven. De rechtbank is te allen tijde bevoegd de proeftijd te beëindiging.