Meer precedente uitspraken van rechters

en raadsheren:

 

Ondertoezichstelling afgewezen:

De rechter is van mening dat de G.I. (gezinsvoogdij-instelling ofwel gecertificeerde instelling) geen uitvoering kan geven aan de Ots nu moeder niet meer woonachtig is in Nederland. Moeder is ten tijde van [voor/na] de geboorte van haar minderjarige verhuisd naar een ander land. De Ots wordt dan ook niet uitgesproken.

Op grond van artikel 8 van de verordening Brussel IIbiss is Nederland bevoegd wanneer de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is en de gezaghebbende ouder in Nederland ingeschreven staat op moment van indiening van het verzoek.

Lees hieronder wat artikel 8 van de verordening betekent: https://www.dropbox.com/s/xx0r6friteegu24/zzy-Brussels_ii_Jz-PracticeGuide_nl.pdf?dl=0 .

Het is wel de vraag of de datum klopt en of er geen sprake is van kinderontvoering.

 

Onderzoeksmethode faalde:

Inzake (aanstaande Beëindiging gezag na standaard) verlenging OTS en UHP:  Het pedagogisch model is ingezet, teneinde duidelijkheid te verkrijgen over het toekomstperspectief van de minderjarige. De in het TOS-rapport opgenomen onderbouwing wordt echter onvoldoende geacht om te kunnen concluderen dat het toekomstperspectief van de minderjarige niet meer bij de ouders ligt. Nader onderzoek wordt noodzakelijk geacht. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom voor een periode van zes maanden verlengd:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBZWB:2016:8489 :

Het pedagogisch model is ingezet, teneinde duidelijkheid te verkrijgen over het ‘toekomstperspectief van de minderjarige’. De in het TOS-rapport opgenomen onderbouwing wordt echter onvoldoende geacht om te kunnen concluderen dat het toekomstperspectief van de minderjarige niet meer bij de ouders ligt. {Dit gebeurt veelal veel te snel zonder werk te hebben gemaakt op voorlichting aan ouders en hulp tot verbetering; daar moeten ouders zelf op letten, tegenover BW1:262 lid 1, t.b.v. lid 3}.

De conclusies en aanbevelingen uit het rapport zijn tot stand gekomen aan de hand van waarnemingen van een observant van de omgangscontacten tussen de ouders en KIND. Het rapport is geschreven door dr. [naam deskundige]. Zij verricht zèlf geen observaties {wat is strijd is met de beroepscode, die een normaal ouder vooraf uiteraard kent}, maar baseert haar conclusies in haar rapport uitsluitend op de observatieverslagen en de vragenlijsten die door de ouders en de pleegouders zijn ingevuld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de waarnemingen van één enkele observant echter niet volledig objectief genoeg te achten. Inter-beoordelaarsonderzoek of controle door het scoren van video-opnames door meerdere mensen ontbreekt. De ambulant werker begeleidt en observeert de ouders. Doordat de observatie-lijsten worden ingevuld door ambulante hulpverleners {vaak met slechts SKJ-beroepsregistratie} die ouders ook aanwijzingen geven op pedagogisch vlak, wordt de subjectiviteit naar het oordeel van de rechtbank vergroot. {Het is raadzaam waar observatieverslagen worden gemaakt bij begeleid bezoek ouders de dossiers met deze verslagen opvragen onder de Wbp en zèlf zorgen voor een hoogwaardiger orthopedagoog die observeert en begeleid}. Daarnaast valt op, dat weliswaar de interactie tussen ouders en kind wordt geobserveerd en gescoord, maar niet de interactie tussen de pleegouders en het kind. {Ook valt op dat er geen vergelijk is met een nulmeting voor eerste OTS-machtiging}. Die interactie wordt door de pleegouders zelf beschreven in vragenlijsten. Pleegouders scoren zichzelf. Ook kunnen zij aangeven hoe het kind heeft gereageerd na het contact met de ouders. Naar het oordeel van de rechtbank komt deze werkwijze de objectiviteit niet ten goede. Ook pleegouders kunnen immers een doel voor ogen hebben en daarom hun wijze van rapporteren kleuren.

=>  Indien u te maken krijg met een TOS-rapport,  of een dergelijk rapport, haal dan deze uitspraak aan!

 

Bij Beëindiging gezag òf Verlenging machtiging uithuisplaatsing. Hof acht het uitgevoerde perspectiefonderzoek onzorgvuldig:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2017:2278 :

“De moeder heeft naar 's hofs oordeel terecht vraagtekens geplaatst bij de zorgvuldigheid van het onderzoek en setting van de in dat kader georganiseerde contacten. Zo heeft de moeder onbetwist gesteld dat KIND1 zich in de eenkennige fase bevond en dat de moeder daarom heeft verzocht bij de G.I. om de pleegouders bij de omgang aanwezig te laten zijn, waaraan door de G.I. geen gehoor is gegeven. Mogelijk als gevolg daarvan was KIND1 onnodig en bij herhaling fors overstuur tijdens de omgangsmomenten. Ook de wijze waarop met de aan- en afwezigheid van KIND2 is omgegaan bij de omgang geeft de indruk dat de setting verre van optimaal is georganiseerd. De opmerking in het verslag dat de moeder op enig moment op KIND1 wilde gaan zitten is voorts niet, ook niet in de stukken die na de mondelinge behandeling zijn ontvangen, nader toegelicht of beschreven, terwijl dat mede vanwege de ernst van het (gesuggereerde) incident en de betwisting ervan door de moeder wel verwacht had mogen worden”  “Anderzijds blijkt uit de stukken ook van grote zorgen over de opvoedingsvaardigheden van de moeder en is duidelijk dat zij structureel (intensieve) hulp en begeleiding nodig heeft bij de verzorging en opvoeding van KIND2 en het maar zeer de vraag is of het gelet op de mogelijkheden van ook de moeder, reëel is te verwachten dat zij daarnaast ook zorg kan dragen voor KIND1. Voorts staat vast dat de termijn van de machtiging die hier voorligt nog kort is en dat de moeder erkent dat terugplaatsing gefaseerd dient plaats te vinden. Binnen de huidige duur van de uithuisplaatsing is dit dan ook geen reële optie. Het hof vindt daarom een onafhankelijk onderzoek vlgs. (=ex) artikel 810a lid 2 Rv als door de moeder verzocht op dit moment in deze procedure niet opportuun en niet in het belang van KIND1 . Dit laat natuurlijk onverlet dat bij een eventuele volgende verlenging de kinderrechter daarover zijn eigen oordeel dient te geven. Het hof {dus de hoger-beroep-rechtbank} ziet ten slotte om dezelfde reden geen aanleiding de G.I. opdracht te geven tot het opstarten van een Uitwijktraject {kan zijn een Beëindigen gezag/perspectief-onderzoek}.” – Wees dus zo snel als men kan ‘leerbaar’!!! Vraag wat te leren! Gebruik uw nieuwsgierigheid. Motiveer liefst niet dat kind terug zou kunnen ‘omdat de ouder afhankelijk is en kan zijn van 24-uurs-hulpverlening’.  Vraag naar wat concreet de vereisten zijn tot (evt. gefaseerde) terugplaatsing. Wordt zelfstandig.  Houdt de bezoeken regelmatig, voldoende lang, en met kennis van pedagogie en rust. Emoties toont de ouder maar bij een eigen psycholoog, buiten de blik van kind of juridiserende ‘jeugdzorg’.

 

 Er staan ook precedenten (jurisprudentie) op  http://www.stichtingkog.info/jurisprudentie/  met links.

 

Naast het oudere LJN BD1113 geeft de hoge rechter van CRvB {Centrale Raad van Beroep, “de Raad”} ook richtlijnen waaraan de jeugdhulp en ‘jeugdzorg’ zich dient te houden:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ACRVB%3A2017%3A1477 :

Socialezekerheidsrecht.    {Juridisch schrijven is soms zo mooi: één woord zònder vàlse spaties }.

  De betrokken jongere heeft psychische problemen {Dat is zo onder ‘jeugdhulp’} en kreeg onder de oude wetgeving zorg in de vorm van begeleiding. Nadat de Jeugdwet was gaan gelden, heeft de jongere {of diens ouders} de gemeente verzocht om verlenging van de begeleiding. De gemeente wees die jeugdhulp af. Volgens de gemeente is de moeder van de jongere in staat om de {therapeutische} begeleiding te geven die nodig is. Dit standpunt berustte op een advies van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG).

  De Jeugdwet schept een jeugdhulpplícht voor gemeenten. Dóél is het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving. De jeugdhulpplicht geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen.

 - De Raad (CRvB) heeft geoordeeld dat de gemeente eerst moet vàststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of de ouders is {Werk dus CONCREET!}.

 - Hierna moeten de opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problematiek in kaart worden gebracht {Diagnostiek; zorg er zèlf voor!}.

 - Vervolgens moet worden vastgesteld welke problemen en stoornissen er zijn en bepaalt de gemeente welke hulp nodig is {Specialistisch advies na diagnose}.

 - Ten slotte gaat de gemeente na of die hulp bijvoorbeeld door de ouders kan worden geboden {Vraag de specialist dus préventief om duidelijk therapeutisch advies: “met welke therapeut/BIG/NIP/NVO??”, en dat zwart op wit!}.

 - Indien nodig moet de gemeente zich bij de besluitvorming laten adviseren door een specifieke (jeugdhulp)deskundige.

 In dit geval maakte het advies van het CJG nìèt duidelijk welke problemen en stoornissen de jeugdige heeft en welke hulp daarvoor nodig is. Verder berustte het advies niet op de vereiste expertise. De Raad (CRvB) concludeert daarom dat het advies van het CJG ondeugdelijk is en dat de gemeente daar nìèt op mocht afgaan. De gemeente moet het jeugdhulpverzoek nu opnieuw beoordelen en een nieuwe beslissing nemen die voldoet aan de zorgvuldigheidseisen genoemd in de uitspraak. … … Het College van B&W wordt veroordeeld tot wat proceskosten.” –– Let er op dat bijvoeglijke naamwoorden belangrijk zijn, en gebruik ze! Ouders, zorg voor hoogwaardige diagnostiek in de gezòndheidszorg, en dat staat veel hoger dan ‘jeugdzorg’! Zorg er naar uw plicht uit BW1:247 tijdig, welhaast preventief, voor!

 

T.a.v. dossier-inzage-recht (Wbp) in aanvulling op McMichael-arrest: de ingebrekestelling en de wetsartikelen waarop dit beroep op ‘niet-verstrèkken’ desnoods afdwingen door een gerechtelijke procedure te starten: art. 46 Wbp, art. 7.3.17 Jw, art. 1:3 Awb en art. 6:2 Awb.

Wanneer men dossiers opvraagt, kan men ook melden met kennis uit:

Wbp, Artikel 46 :

·         1.  Indien een beslissing als bedoeld in artikel 45 {=Een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid Wbp, alsmede een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 Wbp gelden voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.} is genomen door een ander dan een bestuursorgaan, kan de belanghebbende zich tot de rechtbank wenden met het schriftelijk verzoek, de verantwoordelijke te bevelen alsnog een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 of 38, tweede lid Wbp, toe of af te wijzen dan wel een verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 Wbp al dan niet te honoreren.

·         2.  Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verantwoordelijke. Indien de verantwoordelijke niet binnen de gestelde termijn heeft geantwoord, moet het verzoekschrift worden ingediend binnen zes weken na afloop van die termijn {Geen antwoord kan beschouwd worden als een fictieve afwijzing}.

·         3.  De rechtbank wijst het verzoek toe, voor zover zij dit gegrond oordeelt {Motiveer dus niet met meningen maar met bewijs en wetenschap}. Alvorens de rechtbank beslist, stelt zij zo nodig de belanghebbenden in de gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen {Rechtszaak; maar men kan zich ook tot het College, Autoriteit Persoonsgegevens, wenden: de AP. Wbp 47}.

·         4.  De indiening van het verzoekschrift behoeft niet door een advocaat te geschieden.

·         5.  De derde afdeling van de vijfde titel van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering {vanaf artikel 611a op http://www.wetboek-online.nl/wet/Wetboek%20van%20Burgerlijke%20Rechtsvordering.html#2323 }  is van overeenkomstige toepassing.

·         6.  De rechtbank kan partijen en anderen verzoeken binnen een door haar te bepalen termijn schriftelijke inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden. De verantwoordelijke en belanghebbende zijn verplicht aan dit verzoek te voldoen. De artikelen 8:45, tweede en derde lid, en 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Jeugdwet 7.3.17 :

§ 7.3. Toestemming, dossier en privacy:

Lid 1.  Onverminderd artikel 7.3.2, derde lid, tweede volzin, draagt de jeugdhulpverlener zorg, dat aan anderen dan de betrokkene geen inlichtingen over de betrokkene dan wel inzage in of afschrift van het dossier worden verstrekt dan met toestemming van de betrokkene. Indien verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt geschaad. De verstrekking geschiedt zonder inachtneming van beperkingen, indien het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht.

2.  Onder anderen dan de betrokkene is niet begrepen:

a. degene die rechtstreeks betrokken is bij de verlening van die jeugdhulp en degene die optreedt als vervanger van de jeugdhulpverlener, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor de door hen in dat kader te verrichten werkzaamheden, en

b. degene wiens toestemming ter zake van de verlening van jeugdhulp op grond van de artikelen 7.3.4 en 7.3.15 is vereist.

3.  Indien de jeugdhulpverlener door inlichtingen over de betrokkene dan wel inzage in of afschrift van het dossier te verstrekken niet geacht kan worden de zorg van een goed jeugdhulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks achterwege.

4.  Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een onder toezicht gestelde minderjarige, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder of voogd betreffen, welke inlichtingen noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, verstrekken de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, deze inlichtingen desgevraagd of uit eigen beweging, zonder toestemming van de betrokkenen en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep.
5.  Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van het dossier, de wijze waarop de verwerking van gegevens door en de uitwisseling van gegevens tussen het college, de jeugdhulpaanbieders, de gecertificeerde instellingen en de raad voor de kinderbescherming plaatsvindt en de wijze waarop de verwerking en uitwisseling van gegevens als bedoeld in het vierde lid plaatsvinden. Daarbij kan worden bepaald welke maatregelen moeten worden getroffen om te waarborgen dat de uitwisseling van gegevens veilig en zorgvuldig plaatsvindt.

Jeugdwet 12:3.5: “Indien een taak of bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 5 tot en met 11 van de Wet op de jeugdzorg, die werd uitgevoerd door een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van die wet (Bureau Jeugdzorg en landelijke G.I.’s), krachtens déze wet bij het college (B&W) berust, gaan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een dossier over op dat college (B&W) voor zover dat college dat dossier van de gecertificeerde instelling heeft ontvangen ten behoeve van de toeleiding naar, advisering over, bepaling van, het inzetten van of de bekostiging van een voorziening op het gebied van jeugdhulp.” {Dat college van B&W kan dit dus delegeren naar de G.I., maar dan is de G.I. derhalve onderhevig aan de Awb; de wet prevaleert! Dit ook, al beweert de G.I. van niet, en wil de G.I. zich derhalve niet verantwoorden. – Ouders moeten dus bij dossieropvraag e.d. duidelijk de wetgeving van Wbp en Jw12.3.5 aanhalen, naast de termijn van vier weken maximaal uit Wbp 35.1; en de Wet dwangsom niet vergeten. Zie ook lid 6. De bestuursrechter is derhalve ook bij jeugdzorgzaken bevoegd, wat reeds bleek uit de beslissing van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in LJN BD1113:  ECLI:NL:CRVB:2008:BD1113: “Indicatiebesluiten Wet op de jeugdzorg:· Rechtsmachtverdeling tussen de kinderrechter als civiele rechter en de kinderrechter als bestuursrechter. Hoger beroep tegen uitspraken van de kinderrechter als bestuursrechter moet worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.”}.

Awb (Algemene wet bestuursrecht), artikel 1:3 (met meer dan hieronder op: http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/): 

·         Lid 1.  Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

·         2.   Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

·         3.   Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

·         4.   Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.

Awb artikel 3:46: “Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.”

Awb artikel 6:2:  “Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:

·         a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen {ook de fictieve weigering door niets van zich te laten horen binnen de termijn}, en

·         b. het niet tijdig nemen van een besluit.” 

–– U ziet dat het lezen van de wet tot inzichten kan leiden voor uw dossieropvraag en andere belangrijke vragen die aan een besluit schurken. Zag u ook de hoofdstukken in de kantlijn van de Awb met Bezwaar en beroep (#6 en 7), procederen bij Bestuursrechter (#8), Klachtbehandeling algemeen (#9), of Verkeer tussen burger en bestuursorgaan (#2).

 

TIP en LET OP‼

Verzoek omgangs-ots afgewezen:

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is naar het oordeel van de rechter onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een “ernstige bedreiging” (zoals het in BW1:255 staat en waaraan de rechters meten)  “in de ontwikkeling van de minderjarige”. 

Kinderen hèbben – ontvankelijk – last van de conflicten en onderlinge ongenoegens tussen hun ouders. Het lukt ouders niet, {zonder actief goede voorlichting te zoeken bij een specialist met BIG/NVO/NIP voor een betere sfeer,} om de kinderen buiten hun strijd en ongenoegens te houden.

Van onbelast contact met ‘de andere ouder’ is geen sprake en beide ouders hebben hierin een rol.

Dat dit een bedreiging is voor de ontwikkeling van de kinderen staat wel vast, maar het moet bij het verlengen van een ots gaan om een ERNSTIGE bedreiging.

Dat daarvan sprake is, heeft de g.i. niet voldoende onderbouwd.

De kinderrechter stelt daarbij vast dat ouders de aanwezige {of zelf gezochte hoogwaardiger}  hulpverlening aanvaarden.

De g.i. heeft ter zitting aangegeven niet te weten of er nog aanvullende hulp nodig is! {Vaak geeft de G.I. wel suggesties alsof dat nodig is, zelfs na een jaar waarin BW1:262 al van toepassing was naast de eigen ouderschappelijke verantwoordelijkheid naar BW1:247}.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat niet aan de voornoemde wettelijke criteria voor een verlenging van de ots is voldaan.

De rechter wijst het verzoek af.

TIP‼

Er moet – volgens BW1:255 – sprake zijn van “ernstige bedreigingen”  èn  tevens moet er sprake zijn van niet voldoende hulp accepteren {dus bagatelliseer nimmer, maar zoek zelf het beste kennisniveau en deel dat!}.

Zorg dat u – zwart op wit – aantoont dat er geen sprake is van een ‘ernstige bedreiging’ en dat u wèl degelijk hulp inschakelt en aanvaard.

(De tips geven geen garantie in uw zaak {zeker niet wanneer u het niet zèlf kunt uitleggen in werking van alternatief voor OTS}. Elke zaak is anders echter heeft het in deze zaak wel geholpen).

{Meer precedente uitspraken met tips op https://jeugdbescherming.jimdo.com/wetten-en-regelgeving/goede-precedente-uitspraken/. Hoe mooi is het van ouders om het kind twee ouders te gunnen; en waar ‘zorgen’ zijn naar diagnostisch interactie-onderzoek te streven, voor het beste voor hun kind. Dit zònder te speculeren met meningen. Zonder verwijten; daarvan is immers bekend dat die niet werken, integendeel.}

 

Omgangs-ondertoezichtstelling. Terughoudende maatstaf en hoge motiveringseisen:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2017:766 :

“3.3 Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Deze maatregel (OTS) is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. De rechter die de ondertoezichtstelling uitspreekt, zal in zijn beschikking niet alleen moeten vermelden dat deze beide gronden aanwezig zijn, doch ook moeten aangeven op grond van welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, èn andere middelen ter afwending van die bedreiging hebben gefaald of waarschijnlijk zullen falen {Stel dus betere alternatieven op!}. 3.4 {De wet:} Niet uitgesloten is dat het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling (OTS) gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het totstandbrengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor diens zedelijke of geestelijke belangen, èn andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen! {Er bestaat kennis die ouders niet hoeven te verwachten van de gezinsvoogdij! Zoek die zèlf! Er zíjn alternatieven!}  In een dergelijk geval moeten aan de motivering van de toewijzing hoge eisen gesteld worden. Dat uit de raadsreportage en het verhandelde ter terechtzitting het Hof is gebleken dat een omgangsregeling niet op vrijwillige basis tot stand komt en dat de Raad voor de Kinderbescherming ter zitting heeft gesteld dat de minderjarige èrnstig wordt bedreigd in diens ontwikkeling als kind geen contact heeft met diens biologische vader, levert géén toereikende motivering op voor het opleggen van een maatregel als de onderhavige.” – Wil dus diagnostische interactie-onderzoek door een echte orthopedagoog-generalist (BIG), en wel urgent, met juiste voorlichting,met interactie-meting, zonder verwijten en roddels. Wil urgent (zwart op wit} còncreet de ìnhoud kennen van bepaalde woorden zoals ‘ernstig bedreigend’, want dat moet diagnostisch gemeten zijn, en inhoudelijk uitgelegd! En ouders moeten inhoudelijke voorlichting**** hebben gehad, of zèlf gevonden hebben en de ander daarover voorgelicht.

 

Mensen, let op: een beslissing vanuit de G.I. over beperking van omgang, ook al staat er niet bij dat het een schriftelijke aanwijzing (BW1:263–265) is, geldt wel wettelijk als een schriftelijke aanwijzing (s.a.), en dan heeft men slechts twee weken tijd om naar de rechter te gaan (https://jeugdbescherming.jimdo.com/wetten-en-regelgeving/).

 

Verzoek opheffing uithuisplaatsing. Verzuim verzoekster en G.I. om de vereiste stukken te overleggen. Aanhouding om verzuimen te herstellen!:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2017:3348 :

TIP:    {weer met dank aan Mieke Krol}

1. Stuur officieel een mail/brief naar de G.I. met een verzoek opheffing van de UHP {=Verzend- of Ontvangsbevestiging bewaren!};
2. U moet bìnnen 2 weken een reactie krijgen van de G.I. (direct een ontvangbevestiging en binnen 2 weken inhoudelijk antwoord – Awb/PCJ;  houdt dus een contactjournaal bij);
3. De reactie van de G.I. kan getoetst worden bìnnen 2 weken door een welgemotiveerd, onderbouwd verzoek in te dienen bij de rechtbank;
4. Zorg dat u de brief van de G.I., dus van de gezinsvoogd/-manager of haar team, alsmede uw eigen verzoek en de recente beschikking erbij voegt, mèt bewijs.

– UITLEG:

Ingevolge art. 265d lid 2 aanhef en sub a van het Eerste Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen de met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder of een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt wegens gewijzigde omstandigheden de G.I. verzoeken de uithuisplaatsing te beëindigen. De G.I. dient ingevolge lid 3 bìnnen twee weken na ontvangst van het verzoek een schriftelijke beslissing te geven. Indien een belanghebbende zich niet kan vinden in de beslissing van de G.I., kan hij de kinderrechter verzoeken de machtiging tot uithuisplaatsing in te trekken òf de duur ervan te bekorten. Bij een dergelijk verzoek dienen conform artikel 2.4.12 van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht (https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Civiel-jeugdrecht-per-1-april-2016.pdf)  gevoegd te zijn: een afschrift van de beschikking tot ondertoezichtstelling en de beslissing van de G.I., zoals hiervoor genoemd.

De kinderrechter merkt voorts de brief/fax of het e-mailbericht van de G.I. (in deze ECLI-zaak van 15 februari 2017) aan als de beslissing van de G.I., zoals genoemd in artikel 2.4.12 van voornoemde Procesreglement.

Conform art. 265k lid 2 BW1 dient de G.I., als opgeroepen partij, onverwijld na de oproep aan de kinderrechter te zenden: het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet, en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling. De G.I. heeft dit niet gedaan. -- Ken de wet die erbij hoort en begrijp het om te kúnnen reageren voor de rechters:

BW1:265d, lid 1:

Een uithuisplaatsing kan door de gecertificeerde instelling worden beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot het verrichten van het onderzoek, bedoeld in artikel 265b, eerste lid, en het belang van de minderjarige zich tegen beëindiging niet verzet.

2. De met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder of een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt kunnen wegens gewijzigde omstandigheden de gecertificeerde instelling verzoeken:

a. de uithuisplaatsing te beëindigen;

b. de duur ervan te bekorten;

c. af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige, tenzij de toestemming reeds met toepassing van artikel 265i is verleend.

3. De gecertificeerde instelling geeft een schriftelijke beslissing binnen twee weken na ontvangst van het verzoek.

4. Op verzoek van een in het tweede lid genoemde persoon kan de kinderrechter de machtiging geheel of gedeeltelijk intrekken of de duur ervan bekorten. Artikel 264, eerste lid, tweede volzin, tweede tot en met vierde lid, alsmede artikel 265, vierde lid, zijn van toepassing.

BW1:265k, lid 1:

Verzoeken op grond van deze wetsafdeling (Familierecht) worden schrìftelijk gedaan. Voor zover zij aan de kinderrechter zijn gericht, kunnen zij worden ingediend zonder advocaat met uitzondering van het verzoek bedoeld in artikel 262b (http://maxius.nl/burgerlijk-wetboek-boek-1/artikel262b bij scheiding- en omgangszaken).

2. De gecertificeerde instelling die een verzoek indient of ter terechtzitting wordt opgeroepen, zendt bij het verzoekschrift of onverwijld na de oproep, het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet, en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling aan de kinderrechter {De ouders hebben uiteraard reeds het dossier ingezien; McMichael-arrest; de ouders hebben dus ook een inspanningsverplichting naar BW1:247}.

3. Het plan en het verslag, bedoeld in het tweede lid, worden eveneens gezonden aan de raad voor de kinderbescherming.

4. De verzoeken die de gecertificeerde instelling (G.I.)  ter uitvoering van haar taak tot de rechter richt, kunnen worden ingediend zonder advocaat en worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en uittreksels, die zij tot dat doel aanvraagt, worden haar door de griffiers vrij van alle kosten uitgereikt.

 

Belanghebbenden… (OTS / UHP)

Meldbriefprocedure vlgs artikel 6.1 voornoemde Procesreglement Civiel Jeugdrecht (PCJ) in geval uit verzoekschrift gecertificeerde instelling (G.I.) blijkt dat ouder niet met verlengingsverzoek instemt:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:964 :

LET OP:    De rechter spreekt:

“De vader voert in zijn eerste grief - kort samengevat - het volgende aan. De bestreden beschikking is in strijd met het Beginsel van eerlijke en zorgvuldige rechtspleging en artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).   De vader stelt daartoe dat de rechtbank ten onrechte niet aanstonds een zitting heeft gepland ex artikel 800, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), maar de vader aanvankelijk slechts een meldbrief heeft gezonden op grond van artikel 6.1 PCJ.   Het gerechtshof Amsterdam heeft de procedure van artikel 6.1 civiel procesreglement jeugd bij beschikking van 19 juli 2011 (http://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2011-br3011, scrol)  reeds in strijd geacht met zowel de wet als de procedurele waarborgen die besloten liggen in artikel 8 EVRM.
Ook het feit dat de beschikking eerst ruim een maand na de mondelinge uitspraak op schrift aan de vader is verstrekt - waardoor hij niet aanstonds van de uitspraak in hoger beroep kon komen - acht hij in strijd met de fundamentele beginselen van een zorgvuldige rechtspleging.
5.2. De gecertificeerde instelling verweert zich niet tegen de eerste grief van de vader.

5.3. Het hof overweegt als volgt. De kinderrechter heeft ten aanzien van de wijze van afdoening van het verlengingsverzoek van gecertificeerde instelling de procedure gevolgd, zoals die is beschreven in artikel 6.1 van het Procesreglement civiel jeugdrecht (hierna: PCJ of Pcj). Voormeld artikel luidt:

‘Op een door de G.I. ingediend verlengingsverzoek (van een ondertoezichtstelling en/of een uithuisplaatsing) alsmede op een door de G.I. ingediend verzoek tot vervanging van de G.I. door een andere G.I., zal de rechtbank aan verzoeker en belanghebbende(n) de vraag voorleggen of door hen behandeling ter zitting wordt gewenst en, zo ja, dat binnen 14 dagen na ontvangst van het verzoekschrift schriftelijk dan wel mondeling aan de rechtbank kenbaar te maken. De brief waarin deze vraag wordt voorgelegd (meldbrief) wordt aan belanghebbende(n) verzonden. Ingeval zich voor belanghebbende(n) een advocaat heeft gesteld, wordt de meldbrief per gewone of interne post aan de advocaat verzonden. Indien iedere reactie uitblijft, zal behandeling ter zitting achterwege blijven en wordt het verzoek op de stukken afgedaan, tenzij de kinderrechter termen aanwezig acht toch een behandeling ter zitting te gelasten.’
Deze procedure komt het hof onjuist voor indien – zoals in onderhavige zaak – uit het inleidend verzoekschrift blijkt dat de ouder of ouders met gezag niet met het verlengingsverzoek instemt of instemmen. Het hof acht deze gang van zaken onder die omstandigheden in strijd met zowel de wet als de procedurele waarborgen die besloten liggen in artikel 8 EVRM. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 279 en 800 Rv (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001827/2016-07-01#BoekEerste_TiteldeelDerde) geldt als uitgangspunt dat de rechter onverwijld dag en uur bepaalt waarop de behandeling aanvangt en dat de belanghebbenden worden opgeroepen voor de behandeling. Aan de rechter is de mogelijkheid geboden hiervan onder bepaalde omstandigheden af te wijken. De procedure van artikel 6.1 Pcj gaat echter uit van een veronderstelde instemming door belanghebbende(n) met het achterwege blijven van behandeling van de zaak ter zitting, tenzij hij te kennen geeft behandeling ter zitting te wensen. Daarnaast dient volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het besluitvormingsproces bij maatregelen die een inbreuk vormen op het door artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven, “fair” te zijn. Daartoe dient vastgesteld te worden of, gezien de omstandigheden van het geval en met name de ernstige aard van de te nemen besluiten, de ouders in voldoende mate bij het besluitvormingsproces betrokken zijn geweest opdat hun belangen afdoende zijn beschermd. Als hun betrokkenheid onvoldoende is geweest, is hun familieleven niet gerespecteerd en zal de inbreuk van de besluiten op het familieleven niet ‘noodzakelijk’ kunnen zijn in de zin van artikel 8 EVRM.
Het hof overweegt in de onderhavige zaak dat het beslissingsproces in eerste aanleg als geheel de vader desondanks de vereiste bescherming van zijn belangen heeft geboden. De rechtbank heeft immers - nadat de advocaat van de vader te kennen had gegeven dat de vader een mondelinge behandeling wenste - een mondelinge behandeling gelast, alwaar de vader (bijgestaan door zijn advocaat) is gehoord.
5.4. Het hof overweegt voorts dat in artikel 805, eerste lid, Rv, is bepaald dat de griffier onverwijld een afschrift van de beschikking verstrekt of verzendt aan belanghebbenden. In onderhavige zaak is de uitspraak gedaan op 16 december 2016 en de beschikking verzonden op 18 januari 2017. Dit is naar het oordeel van het hof geen onverwijlde verzending, zodat sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 805, eerste lid, Rv. Dit klemt temeer, daar de advocaat van de vader driemaal aan de rechtbank heeft verzocht de uitspraak te verzenden.

5.5. Gegrondverklaring van grief I leidt echter niet zonder meer tot vernietiging van de bestreden beschikking. De rechtbank heeft immers – na een daartoe strekkend verzoek van de vader – een mondelinge behandeling bepaald waarop de vader zijn standpunten heeft kunnen toelichten. Het hof overweegt voorts dat de wet geen sanctie stelt op schending van artikel 805, eerste lid, Rv. Dat de (veel) te late verzending van de beschikking door de rechtbank geleid heeft tot een processueel nadeel voor verzoeker is niet door hem aangevoerd {Dus wees volledig bij verzoeken, ook met alternatieven} en de verzending is ook niet dermate ontijdig geschied dat dit gevolgen voor de beroepstermijn heeft gehad. Het hof dient derhalve nog na te gaan of ten tijde van het geven van de bestreden beschikking de gronden voor verlenging van de machtiging uithuisplaatsing aanwezig waren en of deze ook thans nog aanwezig zijn." -- Aldus de rechter. Zo denken rechters! Dus zo bent u voorbereid op hun taal en denken. Communiceer in die taal om begrepen te worden. (Uw meningen tellen niet als bewijs.)

 

Staatsaansprakelijkheid. Handelwijze Raad voor de Kinderbescherming en Openbaar Ministerie op onderdelen onrechtmatig jegens ongeruste ouder:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:1725 :

De rechter “verklaart voor recht dat de handelwijze van de Staat jegens appellante/ouder onrechtmatig is, doordat de raad in 2010/2011 zijn onderzoek naar het risico dat de vader zou overgaan/zou zijn overgegaan tot pedoseksuele gedragingen ten nadele van KIND, te beperkt en dus onzorgvuldig heeft ingericht; en veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële en materiële schade die is veroorzaakt door de onrechtmatige handelwijze van de raad en de onrechtmatige handelwijze van het openbaar ministerie, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; {en dat is een schijntje}”.  De proceskosten worden zelf betaald.  Ga niet verwijten en beschuldigen, maar stel neutrale onderzoeksvragen, en geeft het belang van open diagnostiek aan voor het kind (IVRK 24 lid 1).

 

Diagnose is leidend in de zorg.

Gaat zorgverzekeraar ofzo op de stoel van de zorgverlener zitten? Is er recht op echte zorg?:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBZWB:2017:12 :

Kort geding; Voorafgaande machtiging (die ouders wel éérst zèlf moeten aanvragen) van zorgverzekeraars voor door zorgverlener geïndiceerde specialistische revalidatie-zorg geweigerd.... Mag zorgverzekeraar op de stoel van de zorgverlener zitten?:
Een zorgverzekeraar weigerde een door de diagnostisch specialist bepaalde behandeling te vergoeden. Vaak met de uitvlucht dat die kliniek/zorgverlener niet gecontracteerd is. Maar zorgverzekeraars moeten ook de zorgkosten van niet-gecontracteerde partijen (deels) vergoeden. De zorgverzekeraar zegt te twijfelen aan de mogelijkheid dat het gewenste traject baat zou hebben bij de cliënt/patiënt. Ondanks dat het gediagnosticeerd is. De rechter stelt dat de zorgverzekeraar niet op de stoel van de specialist mag gaan zitten, wat ook een gezinsvoogd niet mag. Het medisch oordeel van de arts (ook orthopedagoog-generalist met BIG e.d.) moet leidend zijn. (Uit ConsumentenGELDgids april2017).

 V.T. ...

Uit ervaringen van kinderen, zo blijkt uit recent wetenschappelijk onderzoek, met ‘jeugdzorg’ en Veilig Thuis komen vaak psychische schade voort. Nederlands onderzoeksbureau TNO deed ook eens onderzoek in CITOtoets-tijd, waar in buitenland reeds onderzoek bestond. De uitkomst is nogal schokkend: 45,4% van de 664 bevraagde kinderen uit groep 7 en 8 (school) geeft aan een of meerdere ingrijpende gebeurtenissen te hebben meegemaakt. … Er blijkt een duidelijke relatie te zijn tussen elke ingrijpende jeugdervaring en de fysieke gezòndheid van het kind. {Gresser!} … Moet het ‘hulpniveau’ dan zo laag zijn als bij ‘jeugdzorg’? Het niveau dat kinderen snel wegzet zonder (diagnostisch) passende hulpverleningstrajecten?

Augeo: https://www.augeo.nl/~/media/Files/Jongerentaskforce/161026-Jongerenrapport-ik-heb-al-veel-meegemaakt.ashx ; met grafieken en brieven voor scholen enz.! – Bij scheiding&omgang moeten ouders veel alerter zijn op wat signalen doen in het kind! Daarover ìs deskundige voorlichting te vinden buiten en boven het ‘jeugdzorgniveau’ om, waarbij men niet gaat verwijten maar vanuit het kind gaat beschrijven.

Veilig Thuis is schadelijk: https://www.zorgwelzijn.nl/Jeugdzorg/Nieuws/2017/Contact-met-Veilig-Thuis-wordt-als-heftig-gezien/{Ouders, denk dus vergelijkend altijd aan kinderrecht IVRK artikel 24 lid 1 en artikel 25! Het kind met kind-ouderbanden heeft er recht op! Ook wanneer ouders de 'therapie' helpen uitvoeren, en d's hoogwaardige voorlichting behoeven! Daartoe moeten ouders niet bij het sociaal domein zijn, doch in de echte gezondheidszorg!!!}.

 

Onrechtmatige Uithuisplaatsing, overschrijding termijn:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:2383 :

“8. Het hof overweegt als volgt: De periode waarvoor de op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW1) aan de gecertificeerde instelling verleende machtiging is gegeven, is inmiddels verstreken. Naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak S.T.S. tegen Nederland van 7 juni 2011, no. 277/05 ,  is de Hoge Raad bij beschikking van 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292,  teruggekomen van zijn 'geen-belang'-rechtspraak, in zoverre dat aan degene die een rechtsmiddel instelt tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan hem zijn vrijheid is ontnomen, zijn procesbelang niet behoort te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor die maatregel gold, inmiddels is verstreken. In het verlengde van deze beschikking wordt ook in gevallen als het onderhavige, waarin een ouder opkomt tegen een uithuisplaatsing van een minderjarig kind, aangenomen dat deze ouder, gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven, een rechtens relevant belang erbij heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en behoort aan deze ouder mitsdien niet zijn of haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken (ECLI:NL:HR:2011:BR5151). 

9. Het hiervoor onder 8  overwogene leidt ertoe dat het hof thans uitsluitend de rechtmatigheid van de bij bestreden beschikking verleende machtiging uithuisplaatsing kan onderzoeken.

10. Naar het oordeel van het hof had op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting door de rechtbank niet geconcludeerd mogen worden dat de gronden voor een uithuisplaatsing aanwezig zijn. Het hof overweegt daartoe als volgt.  De noodzaak voor de machtiging uithuisplaatsing is ontleend aan de stellingen van de gecertificeerde instelling, terwijl die stellingen niet concreet zijn onderbouwd en daaraan geen deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt.  Uit psychodiagnostisch onderzoek van de moeder is bovendien gebleken dat – anders dan de gecertificeerde instelling vermoedde – niet is voldaan aan de DSM criteria voor een persoonlijkheidsstoornis, noch aan de criteria voor een autismespectrumstoornis. De gecertificeerde instelling zet daartegenover weliswaar observaties van diverse personen, maar die zijn geen van allen gekwalificeerd om een diagnose te stellen.

11. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de moeder heeft aangetoond dat zij in het belang van de minderjarige kan denken en handelen, door kort na de geboorte van de minderjarige in te stemmen met een vrijwillige uithuisplaatsing, omdat zij inzag dat zij op dat moment de zorg voor de minderjarige niet aankon. Ook nadien, toen de moeder constateerde dat vier uur aaneensluitend contact te belastend voor de minderjarige was, heeft de moeder de belangen van de minderjarige voor haar eigen belang gesteld.

12. De raad constateert in zijn rapport 7 januari 2016 dat de gezinsvoogd en de pleegzorgmedewerker onvoldoende bij machte lijken te zijn om hun stelligheid los te laten en zodoende de moeder een eerlijke kans te geven om te laten zien of zij uiteindelijk opvoedingsverantwoordelijkheid zal kunnen dragen. Daardoor ligt het gevaar van een tunnelvisie en daarmee een  selffulfilling prophecy  op de loer, aldus de raad.   Het hof acht het onbegrijpelijk dat de raad op dit standpunt uit januari jl. is teruggekomen, uitsluitend op basis van het feit dat de medewerkers van de gecertificeerde instelling de moeder niet alleen met de minderjarige hebben gelaten. Het vorenstaande acht het hof een flinterdunne, ondoorzichtige en onduidelijke motivering van de zijde van de raad. Met name in zaken waarin diep ingegrepen wordt in het family-life mag ook van de raad worden verlangd dat hij zijn visie met betrekking tot de belanghebbenden deugdelijk en inzichtelijk motiveert. Het kan niet zo zijn dat eerst gekomen wordt tot de conclusie dat er sprake zou zijn van tunnelvisie en vervolgens zonder grondige motivering daarvan wordt afgestapt.

13. Het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, brengt het hof tot de conclusie dat de gronden voor de uithuisplaatsing onvoldoende blijken uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, zodat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing zonder nader deugdelijk, wetenschappelijk onderzoek naar de (persoonlijkheid, opvoedingsvaardigheden en leerbaarheid van de) moeder, indien nodig in samenhang met onderzoek naar haar wijze van benadering van de minderjarige, naar het oordeel van het hof onrechtmatig is geweest. Dit klemt temeer daar de minderjarige die na zijn geboorte mede op initiatief van zijn moeder die vanwege een langdurige ziekenhuisopname toen niet voor hem kon zorgen in een crisispleeggezin is geplaatst, drie maanden later al in een perspectiefbiedend pleeggezin is geplaatst, hetgeen impliceert dat de band tussen ouder en kind blijvend verbroken zal worden. Onder deze omstandigheden is zulks naar het oordeel van het hof in strijd met artikel 8 EVRM en artikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).”  –  - Hier wordt dus gezegd dat het gebruik door ‘jeugdzorg’ van de woorden “perspectiefbiedend pleeggezin” in vroegtijdig stadium en zonder concreet bewijs toch impliceert dat het kind niet terug zal gaan naar eigen ouders. Dat is prejugerend. Een prejudicie is niet in het belang van een kind dat recht heeft op hoogstaand diagnostiek (interactie)onderzoek naar IVRK artikel 24 lid 1 en IVRK artikel 25 (evaluatie). Presumptie is geen diagnose.  –  Het Hof stelt vast dat de bestreden beschikking onrechtmatig is geweest.

 

Omgangs-ondertoezichtstelling [art. 1:254 (oud) BW // BW1:255 (nieuw)]. Terughoudende maatstaf en hoge motiveringseisen (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009, NJ 2002/4; HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1073, NJ 2002/5):

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2016:295 :

3.3    “Het toepassen van de maatregel van OTS betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s)  en kind. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. De rechter die de OTS uitspreekt, zal in zijn beschikking niet alleen moeten vermelden dat deze beide gronden aanwezig zijn, doch ook moeten aangeven op grond van wèlke gegevens hij tot dat oordeel is gekomen dat de minderjarige zodanig opgroeit dat diens zedelijke of geestelijke belangen of diens gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen (alternatieven) ter afwending van die bedreiging hebben gefaald of waarschijnlijk zullen falen. (Zie tekst BW1:255).

3.4    Niet uitgesloten is dat het opleggen van de maatregel van OTS gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het totstandbrengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien {speculatief}, zullen falen. In een dergelijk geval moeten aan de motivering van de toewijzing hoge eisen worden gesteld. Dat uit de raadsrapportage en het verhandelde ter zitting {assertief en onderbouwend zijn} het Hof is gebleken dat een omgangsregeling niet op vrijwillige basis tot stand komt en dat de RvdK ter zitting heeft gesteld dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling als ze geen contact heeft met haar biologische vader, levert geen toereikende motivering op voor het opleggen van een maatregel als de onderhavige (omgangs-OTS).

3.4.3  Uit het bestreden oordeel blijkt niet dat het hof vorenstaande maatstaf heeft toegepast. In het bijzonder blijkt daaruit niet dat het hof in zijn oordeelsvorming heeft betrokken of de ernstige bedreiging voor de zedelijke of geestelijke belangen van KIND  – welke bedreiging naar het oordeel van het hof het gevolg is van het (inmiddels langdurig) verbroken family-life van KIND  met haar moeder en haar halfzusje – kan worden afgewend door de inzet van andere, minder ingrijpende middelen ‘dan de opgelegde maatregel van ondertoezichtstelling, noch blijkt daaruit dat het hof heeft onderzocht of andere middelen hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen’.

Voorts voldoet de beslissing van het hof niet aan de voor gevallen als het onderhavige geldende hoge motiveringseisen. Het hof heeft slechts overwogen dat het ter zitting heeft geconstateerd dat de ouders tezamen op dit moment niet gemotiveerd blijken om verandering te brengen in het verbroken family-life van KIND met haar moeder en haar halfzusje, en dat gelet op de verbetenheid waarmee partijen hun stellingen hebben betrokken, is te voorzien dat de bedreiging van de persoons- en identiteitsontwikkeling van KIND in het vrijwillige kader niet kan worden afgewend. Een en ander levert geen toereikende motivering op voor het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling.

De klacht treft derhalve doel.”    De Hoge Raad verwees door naar een ander Hof voor herbehandeling van deze zaak.

 

Hof wijst alsnog verzoeken tot verlenging OTS en machtiging UHP af. Sprake van omgangs-OTS en omgangssabotage. Niet voldaan aan toetsingscriterium:

https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak?ecli=ECLI:NL:GHARL:2017:2819 :

2017. Tot 2012 was er omgang en daarna heeft moeder de omgang gesaboteerd. In 2015 werden de kinderen onder toezicht gesteld en is verder verlengd. In januari 2017 heeft de rechter een spoedmachtiging UitHuisPlaatsing afgegeven. In maart 2017 was de eerste begeleide omgang tussen kinderen en vader. Deze UHP is verlengd.

"5.  De motivering van de beslissing {leerzaam}:

5.1   Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het 1ste Burgerlijk Wetboek (BW1) kan de kinderrechter de OTS van een kind verlengen met maximaal een jaar indien een kind zodanig opgroeit, dat deze in diens ontwikkeling èrnstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW1, in staat zijn te dragen. {U ziet: ken de wet.}
5.2
  Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.
5.3   De moeder kan zich met de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de uithuisplaatsing van de Kinderen niet verenigen. Zij voert aan dat er niet is voldaan aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling. Volgens haar is er geen sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Het enkele feit dat de kinderen geen contact met hun vader hebben is onvoldoende om te kunnen spreken van een concrete ontwikkelingsdreiging.

De moeder is voorts van mening dat de uithuisplaatsing van de KINDeren  niet in het belang van hun verzorging en opvoeding of tot onderzoek van hun geestelijke en lichamelijke gesteldheid noodzakelijk is. De moeder had door middel van een minder ingrijpende maatregel {S.A. uit BW1:263-265} gedwongen kunnen en moeten worden om haar medewerking te verlenen aan uitvoering van de omgangsregeling. Er zijn ‘immers’ geen zorgen {??} over de kinderen in haar thuissituatie, en evenmin zijn er concrete aanwijzingen dat zij in hun ontwikkeling worden bedreigd. Daarnaast is de moeder van mening dat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing gedurende een te lange periode is toegewezen terwijl er in de periode dat de maatregel werd uitgevoerd weinig is gedaan. {Het kennen van de andere ouder wordt miskend. Meningen gelden niet!}.
5.4   De G.I. stelt dat de kinderrechter terecht heeft vastgesteld dat de gronden voor de ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn. De moeder weigert elk contact tussen de kinderen en hun vader. KIND 1 denkt dat hij geen vader heeft en KIND 2  praat negatief over hem. Ze lijkt daarbij vooral beïnvloed te zijn door haar moeder. De moeder stelt zich dermate beschermend jegens KINDeren op dat er mede vanwege het ontbreken van het contact met hun vader ernstige zorgen zijn over de identiteitsontwikkeling van de kinderen. De G.I. voert verder aan dat de doelen in het kader van de ondertoezichtstelling niet kunnen worden behaald vanuit de thuissituatie bij de moeder. De moeder weigert haar medewerking aan de ondertoezichtstelling, komt de schriftelijke aanwijzing (S.A.)  niet na, zegt afspraken af en voert diverse klachtprocedures. Vanwege de uithuisplaatsing heeft de G.I. thans meer zicht op de ontwikkeling van de kinderen.
5.5   Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat niet is gebleken van gronden die een verlenging van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] rechtvaardigen.

5.6    Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Uit vaste rechtspraak (onder andere HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009 en HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:295) blijkt dat de maatregel van ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het tot stand brengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. Aan de toewijzing van een dergelijke ingrijpende kinderbeschermingsmaatregel, die voornamelijk tot doel heeft de omgang tussen de vader en de kinderen te begeleiden, moeten hoge motiveringseisen worden gesteld.
5.7    Het hof stelt voorop dat het in het belang van de Kinderen is om omgang met hun vader te hebben. In het algemeen is het voor de ontwikkeling van een kind essentieel dat het omgang heeft met beide ouders. Echter, enkel de stelling van de G.I. dat de minderjarigen ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling als ze geen contact hebben met hun biologische vader, levert geen toereikende motivering op voor een (verlenging van de) ondertoezichtstelling. De G.I. heeft weliswaar nog aangegeven dat er zorgen zijn over een mogelijk trauma (KIND 1) en de identiteitsontwikkeling (KIND 2), maar de G.I. heeft nagelaten te onderbouwen waaruit de concrete ontwikkelingsbedreiging bij KIND 1 en KIND 2 bestaat {en de rechter is zelfs nu nog te oenig om dit belang van het kind te kennen}. Uit het (summiere) dossier blijkt dat er geen verdere zorgen zijn over de Kinderen. Zij doen het goed op school. KIND 1 haalt hoge cijfers, ziet er goed verzorgd uit en heeft vriendinnen op school. KIND 2 is een open jongetje, is cognitief sterk en het contact met anderen verloopt goed. De vader heeft ter zitting nog verklaard dat de Kinderen het goed hebben bij hun moeder.
5.8    Het hof is dan ook van oordeel dat, in het licht van het hiervoor onder 5.6 genoemde toetsingscriterium, de verlenging van de ondertoezichtstelling niet gerechtvaardigd was en is en zal het verzoek daartoe dan ook afwijzen.
5.9    Nu een machtiging tot uithuisplaatsing nooit langer kan gelden dan de looptijd van de ondertoezichtstelling en het hof de verlenging van de ondertoezichtstelling afwijst, dient het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing derhalve ook te worden afgewezen.
5.10    Het hof voegt hieraan nog het volgende toe. De moeder heeft, in afwijking van het tot dusverre door haar ingenomen standpunt, bovendien ter zitting meerdere malen aangegeven voortaan haar medewerking te zullen verlenen aan de omgang tussen de vader en de Kinderen, ook in de situatie dat er geen sprake meer is van een ondertoezichtstelling. Zij heeft daarvoor ter zitting haar woord gegeven. De vader heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij de moeder vertrouwt in haar toezegging dat zij mee zal werken aan vrijwillige hulpverlening. Het hof gaat er vanuit dat de moeder zich zal houden aan haar ter zitting gedane toezegging. Het zou voor de kinderen zeer schadelijk kunnen zijn wanneer de moeder dat niet zou doen, nu er sprake is van een pril contactherstel. De omgangsregeling zou begeleid kunnen worden door Deskundigennaam (begeleide omgangsregeling), het omgangshuis of familieleden. -{Daarnaast bestaat de uitspraak LJN AS6020 als stok achter de deur voor moeder: directe beëindiging van gezag! Gezag gaat dan enkel naar vader!}.

Zo kan een OTS worden opgeheven, maar dan zonder verdere omgangssabotage en met meer kennis ten behoeve van het kind. De G.I. had dit in een S.A. reeds bij aanvang kunnen verplichten, en is dus nalatig geweest: inspanningsverzuim t.b.v. het kind.

 

M.b.t. DRANG:

Laat u niet intimideren! (Wordt u bewust, met kennis!)

Mensen krijgen te maken met een sociaal team, wijkteam, of wat voor team dan ook (verschillende namen in verschillende gemeenten), soms doordat zij zelf contact hebben gezocht bijvoorbeeld met het verzoek te helpen met een ouderschapsplan.

Na het eerste contact kan er een brief komen waarin de schrijver (‘jeugdzorg’) doet alsof hij iets te bevelen heeft. ‘Dan en dan wordt u daar en daar verwacht.’  Niemand die vraagt of u dat wilt en of het uitkomt.

Waarschijnlijk ontbreekt het onderwerp van het gesprek, en zelfs als u daar in een e-mail naar vraagt, komt er geen echt antwoord, alleen herhaling van datum en plaats.

    De Rechtbank in Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2015:8533 op https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak/?ecli=ECLI:NL:RBROT:2015:8533)  heeft uitgelegd dat die brief bij het oud papier kan als u er geen zin in hebt {alhoewel ge wel gewaarschuwd zijd om aan zwart-op-wit bewijs te werken tegen beweringen die te verwachten zullen zijn}:

‘Brief met betrekking tot drangaanpak (met een R) is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. {Maak dus wel bezwaar om zo jurisprudentie en dus bewijs te verkrijgen! IVRK24 kent ge!}. Het ontbreken van de vermelding van de gevolgen indien geen gebruik wordt gemaakt van de aangeboden hulp, laat onverlet dat van een publiekrechtelijke rechtshandeling éérst dan sprake kan zijn indien een extern rechtsgevolg in het leven wordt geroepen. Het aanwijzen van een contactpersoon brengt geen rechtsgevolg tot stand! Dit geldt evenzeer voor de mededeling dat er zorgen zijn over de ontwikkeling en mogelijk ook over de veiligheid van het kind en voor de mededeling dat professionele hulp nodig is. De omstandigheid dat de contactpersoon werkzaam is bij een gecertificeerde instelling brengt als zodanig niet met zich dat een rechtsgevolg intreedt, nu daarmee van een kinderbeschermingsmaatregel nòg geen sprake is. {FJR2015/51}. De brief kan voorts niet worden aangemerkt als een beschikking waarbij jeugdhulp wordt toegekend, nu het enkele aanwijzen van een contactpersoon niet als jeugdhulp kan worden aangemerkt en overigens een nadere omschrijving van de voorziening, zoals bedoeld in artikel 6 van de Verordening*, ontbreekt. Ook in de geschiedenis van de totstandkoming van de Jeugdwet zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat de zogenoemde drangaanpak een voorziening is die moet worden toegekend op grond van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb 1:3 (“Lid 1. Onder beslúít wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. 2. Onder beschìkking wordt verstaan: een beslúít dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een áánvraag daarvan. 3. Onder áánvraag wordt verstaan: een verzóék van een belanghebbende, een beslúít te nemen.”).    De in de brief neergelegde drangaanpak beoogt onder meer hulp in het gedwongen kader te voorkomen. Daarnaast zijn er in het vrijwillige kader diverse hulpmogelijkheden. De Jeugdwet is op 1 januari 2015 in werking getreden. De brief is geen voor bezwaar vatbaar besluit . Op grond hiervan heeft verweerder ten onrechte op de voet van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb afgezien van het horen van eiseres in bezwaar. In beroep is eiseres/ouder alsnog gehoord. De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres door het niet horen in bezwaar niet is benadeeld. Hetgeen eiseres in beroep naar voren heeft gebracht geeft geen aanknopingspunten voor twijfel hieromtrent. De rechtbank kan het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand laten.’ 

{Zo schrijft de rechter:} : 

6.2. …Vorenstaande laat echter onverlet dat van een publiekrechtelijke rechtshandeling eerst sprake kan zijn indien een extern rechtsgevolg in het leven wordt geroepen, hetgeen inhoudt dat rechten, aanspraken of verplichtingen worden vastgesteld, gewijzigd of opgeheven, dan wel dat een bevoegdheid of een status wordt vastgesteld, gewijzigd of opgeheven. Met de brief {van Jeugdhulp, VT, etc.} is dat niet het geval. Het aanwijzen van een contactpersoon brengt géén rechtsgevolg tot stand. Dit geldt evenzeer voor de mededeling dat er zorgen zijn over de ontwikkeling en mogelijk ook over de veiligheid van het kind en voor de mededeling dat professionele hulp nodig is. De mededelingen in de brief dat de  contactpersoon met de ouders een plan zal maken, waarin staat met welke hulpverleners zal worden samengewerkt, kan evenmin als een rechtsgevolg worden aangemerkt, nu in de brief tevens is meegedeeld dat sprake is van een àdvies. De brief vermeldt voorts dat zorgen over de minderjarige dermate groot zijn, dat de hulpverlening niet meer vrijblijvend is. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat ook uit deze mededeling géén verplíchtingen voortvloeien voor eiseres; eiseres kan besluiten om nìèt mee te werken en daar worden dan geen (sanctionerende) maatregelen aan verbonden. {Zorg wel voor kinderrecht IVRK art. 24 lid 1, met hoogwaardiger diagnostiek voordat er een dwangzorgmaatregel genomen wordt!!!}. Het feit dat eiseres  in de brief dringend wordt geadviseerd mee te werken ontneemt aan de mededeling niet het karakter van advies. …

6.3.  De omstandigheid dat de contactpersoon werkzaam is bij een gecertificeerde instelling (G.I. e.d.) brengt als zodanig niet met zich dat een rechtsgevolg intreedt, nu daarmee van een kinderbeschermingsmaatregel nog geen sprake is.

6.4.  …

6.5.  Dat eiseres {ouders} de brief mogelijk als intimiderend heeft ervaren, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu dit een feitelijk gevolg is van de brief en niet een daarmee beoogd rechtsgevolg. Dit geldt evenzeer voor mogelijke andere feitelijke gevolgen die de brief, of het handelen van de contactpersoon, mede gelet op het gebrek aan daarin opgenomen voorlichting over haar rechtspositie, voor eiseres heeft gehad.

6.6.  Ook in de geschiedenis van de totstandkoming van de Jeugdwet zijn geen aanknopingspunten te vinden voor

de stelling dat de zogenoemde drangaanpak een voorziening is die moet worden toegekend op grond van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daartoe wijst de rechtbank erop dat in de memorie van toelichting bij de Jeugdwet (33684, nr. 3, blz. 35) onder meer het volgende is overwogen:

“Het wetsvoorstel wil nadrukkelijk bevorderen dat de raad voor de kinderbescherming al in een eerder stadium kan meedenken op casus-niveau, waarbij de hulp gericht is op het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het probleemoplossend vermogen van gezin en omgeving. Dit kan in sommige gevallen zelfs de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel voorkomen. Ook wil het wetsvoorstel de ruimte vergroten om een gezinsvoogdijmedewerker, werkzaam bij een gecertificeerde instelling, nog voordat een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken in te zetten, met als doel ouders te bewegen – al dan niet met zachte drang – tot vrijwillige  medewerking.  Dit bevordert de continuïteit van hulpverlening.” – Hieruit kan worden afgeleid dat de wetgever de door verweerder met de brief uitgevoerde drangaanpak kennelijk in sommige gevallen als een aanvaardbare  mogelijkheid heeft gezien, zij het een mogelijkheid die berust op vrijwillige medewerking.”

– Wees u bewust van dat er wetten zijn om aan te meten en te gebruiken! Ken deze naast beroepscodes preventief, vòòrdat ge overvallen wordt door de jeugdhulp, wijkteam, CJG, RvdK of VT. Wanneer het werkgelegenheidsobject, uw kind, in het oog van de jeugdzorg is gekomen heeft men erg weinig tijd om zwart op wit bewijs te verzamelen om hoger niveau dan dat de jeugdzorg werkt. Zoek dan dus gezondheidszorg naar kinderrecht IVRK 24.1 en uw plicht in BW1:247 (https://jeugdbescherming.jimdo.com/wetten-en-regelgeving/bw-awb-rv-regels/),  het eerste artikel dat ouders uit het hoofd kènnen!

– Dit stuk komt uit de Nieuwsbrief van KOG, genoemd en gelinkt op https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/keteninfantiliteitinjeugdzorg . Met kennis kan men mondiger zijn.

*: VNG: Vraag: Is het aan te raden om weigeringsgronden voor individuele voorzieningen op te nemen in de Verordening jeugdhulp?

Antwoord: De Jeugdwet biedt nauwelijks ruimte om weigeringsgronden voor het toekennen van een individuele jeugdhulpvoorziening in de gemeentelijke verordening op te nemen. Artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet (Jw) bepaalt dat degenen die dat naar het oordeel van het college nodig hebben worden voorzien van jeugdhulp.

De artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet  bepalen verder wat – in eerste instantie – de raad bij verordening kan regelen.

Voor weigeringsgronden is geen grondslag te vinden. Voorwaarden en afwegingsfactoren worden in artikel 2.9, onder a, wel genoemd, dus daar is wel wat mogelijk. In de Modelverordening jeugdhulp is daar – impliciet weliswaar – in artikel 6, eerste lid, uitvoering aan gegeven. Als alle daar genoemde onderwerpen, voor zover nodig, besproken worden, dan heeft het college als het goed is voldoende informatie om te bepalen of iemand jeugdhulp nodig heeft, en zo ja, welke voorziening in de behoefte kan voorzien. {De verzekeraar, jeugdzorgwerker of ambtenaar mag niet op de stoel van een specialist gaan zitten, dus ìs de ingang via huisarts naar orthopedagogisch of medisch specialist beter voor gezinnen! Prevalerend IVRK24.1!}.

Deze aanpak sluit aan bij het uitgangspunt dat we voor ogen hebben, namelijk dat jeugdigen en ouders onder de Jeugdwet géén wettelijk recht op jeugdzorg en geen individuele aanspraken hebben op jeugdzorg/hulp. Wel is er een voorzieningenplìcht voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een zorgvuldige procedure. De verordening bevat een aantal bepalingen die dit moeten waarborgen.

 

Machtiging uithuisplaatsing bij scheidingszaak met mondelinge uitspraak ter zitting; vereisten van artikel

30p Rv, met strijdig gegeven: niet alle belanghebbenden (ouder) zijn aanwezig ter zitting. Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak is dan niet in de juiste vorm. Daarop: Toetsen aan art. 30p Rv buiten de grieven om?:

 

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:577&showbutton=true  :

 

Deze uitspraak is belangrijk m.b.t. vormfouten in een beschikking (vanaf 5.9). Mis is dat er ‘voor uw “cliënten”’ staat, en is niet concreet qua gronden met gevolg; Rv30p is nieuw anno ~2017. Vergeet geen grief op beslissing in te brengen (5.14)!

 

Rv30p = Artikel 30p Rv (http://wetten.overheid.nl/BWBR0001827/2017-09-01#BoekEerste):

 

·         1.  De rechter kan, indien alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen, tijdens of na de mondelinge behandeling ter zitting mondeling uitspraak doen.

 

·         2.  In afwijking van de artikelen 230 en 287 Rv bestaat de mondelinge uitspraak uit de beslissing en de gronden van de beslissing.

 

·         3.  Van de mondelinge uitspraak wordt door de rechter een proces-verbaal opgemaakt.

 

·         4.  Het proces-verbaal wordt door de rechter ondertekend. Bij verhindering van de rechter wordt dit in het proces-verbaal vermeld.

 

·         5.  De rechter stelt binnen twee weken na de mondelinge uitspraak een afschrift van het proces-verbaal ter beschikking van partijen. Het afschrift dat wordt verstrekt aan een partij die tot tenuitvoerlegging van de uitspraak kan overgaan, is in executoriale vorm opgemaakt.

 

 

 

Tip: Rv810a náást verlengingsverzoek OTS+UHP: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:2792&showbutton=true :

 

De G.I. wil verlengen van de OTS/UHP, maar heeft de liggende machtiging OTS/UHP niet voortvarend gebruikt tot diagnostiek. Met artikel 810a Rv: verzoek ouder(s) tot opvoedingsonderzoek door (diagnosticerende) NIFP wat wordt toegewezen, nu moeder (bewijsbaar) positieve ontwikkeling doormaakt en de G.I. eerdere (schriftelijke) verzoeken voor Videohometraining (VIB) en (dit m.b.t.) duidelijkheid over opvoedingscapaciteiten, niet heeft uitgevoerd, mede op grond van overwegingen van financiële aard (en wisselen van gezinsvoogden, waarop ouders niet moeten stilzitten). Financiën mogen geen reden zijn, waar IVRK 24 lid 1 geldt in het gezondheidsbelang van het integrale kind; en uitsteltactiek door een G.I. mag dus níét! Dat moeten ouders binnen termijnen aan begin OTS aan gewerkt hebben, schriftelijk en naar Awb ten bewijze.

 

(De Awb is leesbaar: http://maxius.nl/algemene-wet-bestuursrecht).  

 

Gebruik artikel 810a lid 2 Rv voor een verzoek tot opvoedingsonderzoek! Ouders mogen actief zèlf naar de rechter voor hun kind en de kind-ouderband! Ouders mogen zelf deskundige(n) voorstellen, met open onderzoeksvragen. Men hoeft niet te wachten tot een verlengingsverzoek van de G.I.! = Lees en leer!

 

 

 

Afwijzing ondertoezichtstelling, er is geen “ernstige”, concrete, bedreigde ontwikkeling bij beide kinderen (ken de tekst van BW1:255); moeder heeft niet meegewerkt aan onderzoek, kritische beschouwing van bevindingen Raad deels omdat deze niet gedragen worden door feiten en omstandigheden (bewijzen) òf deels omdat die feiten en omstandigheden uit de tweede hand zijn en niet zijn geverifieerd bij de school en haaks staan op de van de school wel rechtstreeks ontvangen recente informatie: 

 

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:2892&showbutton=true :

 

Tip:    Zorg dat u met verklaringen van " hulpverleners" en ‘informanten’ (die ouders zèlf nagaan) het gestelde in de stukken/raadsrapport  kan betwisten!!! Daar is urgente actie van ouders voor nodig! Officieel werken (Awb)!

 

Men kan thuishulp aanvragen met het motief dat dit goedkoper is dan dwangzorg dat schadelijk voor de levenssfeer van het kind, zo blijkt uit wetenschappelijke bevindingen.

 

 

 

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------

OUDERS, motiveer toch zelf voorkauwend, waar de rechter geen orthopedagoog is maar alles ingepast wil zien in wetgeving en arresten! Ook uw advocaat is een jurist en geen orthopedagoog!

Ú bent diegene die de verbanden legt tussen de psychische uitwerking in het kind van de diverse alternatieve trajecten, waarvan de dwangzorg er slechts één is.

Ú, ouders, bent diegenen die kennis verzamelen ten behoeve van uw geliefde kind!!!

'\U weet dat het kind twee ouders heeft, waar de ouders in gezamenlijkheid (tenzij strafrecht anders wijst) zich representeren naar het ontvankelijke kind, dat niet blind is!

 

Veel meer over 'waarheidsvinding' op https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/keteninfantiliteitinjeugdzorg en de andere artikelen aldaar.